AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep verkrachting met vrijspraak subsidiaire feiten en jeugddetentie
In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant is verdachte veroordeeld voor verkrachting gepleegd op 13 april 2022 te Boxtel. Het hof vernietigt het vonnis voor de subsidiaire feiten wegens onvoldoende bewijs en spreekt verdachte daarvan vrij.
De bewezenverklaring betreft het primair ten laste gelegde feit van verkrachting waarbij verdachte door geweld en bedreiging het slachtoffer dwong tot seksuele handelingen. De verklaring van het slachtoffer wordt als betrouwbaar en geloofwaardig beoordeeld, ondersteund door DNA-bewijs en een cliëntrapportage van een getuige die de toestand van het slachtoffer direct na het incident vastlegde.
Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd en ontkende aanvankelijk seks te hebben gehad met het slachtoffer, maar erkende dit later met wederzijdse instemming, hetgeen het hof ongeloofwaardig acht. Gelet op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, legt het hof een jeugddetentie van zes maanden op, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een contactverbod.
Daarnaast wordt een schadevergoeding van €5.000,- toegekend aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente, en wordt een gijzeling van maximaal vijftig dagen opgelegd voor het geval de schadevergoeding niet wordt voldaan. Het hof bevestigt hiermee de ernst van het bewezenverklaarde en de noodzaak van bescherming van het slachtoffer.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes maanden jeugddetentie waarvan twee maanden voorwaardelijk voor verkrachting met vrijspraak van subsidiaire feiten en toekenning van schadevergoeding.
Uitspraak
Parketnummer : 20-001362-25
Uitspraak : 16 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 mei 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-293866-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 2004,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van verkrachting (feit 1, primair) en ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’ (feit 2, subsidiair) veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 6 maanden. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen op het schadevergoedingsverzoek van de benadeelde partij.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op het schadevergoedingsverzoek van de benadeelde partij.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit voor beide feiten en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de meervoudige kamer van de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Feit 1, primair:hij op of omstreeks 13 april 2022 te Boxtel, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het duwen en/of brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de vagina en/of de borsten, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het zoenen van die [slachtoffer] waarbij het geweld en/of andere feitelijkheid en/of de bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid bestond uit
- het meenemen van die [slachtoffer] naar een leegstaande woning en/of
- het meermalen bij die [slachtoffer] aandringen op seks en/of
- het meermalen betasten van het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het bij de keel pakken van die [slachtoffer] en/of
- het op de grond duwen van die [slachtoffer] en/of
- het aan de haren trekken van die [slachtoffer] en/of
- het uittrekken van de broek en/of de onderbroek en/of de schoenen van die [slachtoffer] en/of
- het naar beneden trekken van zijn, verdachtes, (eigen) broek en/of onderbroek en/of
- het boven op die [slachtoffer] liggen en/of vastpakken van het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het zich zodanig boven op het lichaam van die [slachtoffer] positioneren dat aan die [slachtoffer] de vlucht werd belet en/of belemmerd en/of
- het voorbij gaan aan de verbale en/of non-verbale tekenen van onwil/verzet en/of weerstand van die [slachtoffer] inhoudende dat zij geen seksueel contact met hem, verdachte, wilde en/of
- het misbruik maken van de kwetsbare positie waarin die [slachtoffer] zich bevond en/of
- het hebben van fysiek en/of psychisch en/of feitelijk overwicht op die [slachtoffer] vanwege het leeftijdsverschil, waardoor die [slachtoffer] niet, in elk geval onvoldoende in staat is geweest weerstand te bieden aan hem, verdachte, en/of
- het (aldus) doen ontstaan van een situatie, waarin die [slachtoffer] zich niet, althans onvoldoende, aan voornoemde seksuele handeling(en) kon onttrekken.
Feit 1, subsidiair:hij op of omstreeks 13 april 2022 te Boxtel, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het duwen en/of brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de vagina en/of de borsten, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het zoenen van die [slachtoffer] .
Feit 2, primair:hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2021 tot en met 30 oktober 2021 te Boxtel, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het duwen en/of brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het duwen en/of brengen en/of heen en weer bewegen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de vagina en/of de borsten, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] waarbij het geweld en/of andere feitelijkheid en/of de bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid bestond uit
- het meermalen bij die [slachtoffer] aandringen op seks en/of
- het aan het lichaam van die [slachtoffer] trekken en/of
- het afpakken van de telefoon van die [slachtoffer] en/of
- het bij de keel pakken van die [slachtoffer] en/of
- het tegen het hoofd van die [slachtoffer] slaan en/of
- het uittrekken van de broek en/of de onderbroek en/of jas van die [slachtoffer] en/of
- het tegen die [slachtoffer] zeggen: “ik heb hier en stijve en die moet erin”, althans woorden van gelijke dwingende aard en/of strekking en/of
- het tegen die [slachtoffer] zeggen: “ik wil eerst seks en dan pas krijg je je telefoon terug”, althans woorden van gelijke dwingende aard en/of strekking en/of
- het naar beneden trekken van zijn, verdachtes, (eigen) broek en/of onderbroek en/of
- het (met kracht) vastpakken en/of vasthouden van het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het boven op die [slachtoffer] liggen en/of vastpakken van het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het zich zodanig boven op het lichaam van die [slachtoffer] positioneren dat aan die [slachtoffer] de vlucht werd belet en/of belemmerd en/of
- het houden van zijn hand voor de mond van die [slachtoffer] en/of
- het voorbij gaan aan de verbale en/of non-verbale tekenen van onwil/verzet en/of weerstand van die [slachtoffer] inhoudende dat zij geen seksueel contact met hem, verdachte, wilde en/of
- het misbruik maken van de kwetsbare positie waarin die [slachtoffer] zich bevond en/of
- het hebben van fysiek en/of psychisch en/of feitelijk overwicht op die [slachtoffer] vanwege het leeftijdsverschil, waardoor die [slachtoffer] niet, in elk geval onvoldoende in staat is geweest weerstand te bieden aan hem, verdachte, en/of
- het (aldus) doen ontstaan van een situatie, waarin die [slachtoffer] zich niet, althans onvoldoende, aan voornoemde seksuele handeling(en) kon onttrekken.
Feit 2, subsidiair:hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2021 tot en met 30 oktober 2021 te Boxtel, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het duwen en/of brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het duwen en/of brengen en/of heen en weer bewegen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de vagina en/of de borsten, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder feit 2 primair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 primair sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank onder ‘Bewijsoverwegingen’ op pagina’s 6 en 7:
Ten aanzien van het onder feit 2 primair ten laste gelegde:
Zoals reeds uiteengezet kan, op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, Sv, het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient er voldoende steunbewijs te zijn. Dat steunbewijs “voldoende steun” moet geven aan de verklaring van [slachtoffer] , mag niet verward worden met een oordeel over de geloofwaardigheid van haar verklaring. Een aangeefster kan zeer geloofwaardig verklaren, maar dan nog dient ander bewijs voorhanden te zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
[slachtoffer] heeft - kort samengevat - verklaard dat zij door verdachte in de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 oktober 2021 in het bos ‘ [locatie 1] ’ is gedwongen seksuele handelingen te ondergaan. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij zich onder andere heeft verzet, heeft geprobeerd te vluchten en op verschillende manieren verbaal kenbaar heeft gemaakt, dat zij dit absoluut niet wilde. Verdachte heeft bekend dat hij in die periode en op de genoemde locatie seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht, maar merkt daarbij op dat het verrichten van de seksuele handelingen geheel vrijwillig was. Om tot een bewezenverklaring van hetgeen onder feit 2 primair ten laste is gelegd te kunnen komen, moet de rechtbank kunnen vaststellen dat sprake is geweest van dwang tot het ondergaan van de seksuele handelingen. De rechtbank is van oordeel dat er in het dossier geen steunbewijs aanwezig is om de verklaring van [slachtoffer] op dit onderdeel te kunnen bevestigen.
Dit betekent dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 primair ten laste gelegde te kunnen komen. In lijn met hetgeen de officier van justitie en de verdediging hebben betoogd, wordt verdachte dan ook van dit feit vrijgesproken.
Ten aanzien van de subsidiaire variant van feit 2 komt het hof tot een ander oordeel dan de rechtbank.
Het hof dient te beoordelen of de door verdachte verrichte seksuele handelingen kunnen worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 vanPro het Wetboek van Strafrecht (oud). Dit wetsartikel stelt in beginsel alle ontuchtige handelingen, gepleegd met personen beneden de leeftijd van zestien jaar, strafbaar. Van ontuchtige handelingen is sprake wanneer seksuele handelingen verricht worden die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Onder omstandigheden kan bij seksuele handelingen met een persoon beneden de zestien jaren het ontuchtige karakter ontbreken, bijvoorbeeld indien de seksuele handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en een affectieve relatie hebben. Daarbij moet wel sprake zijn van een zekere gelijkwaardigheid tussen de betrokken personen.
Het hof stelt vast dat ten tijde van de door verdachte verrichte seksuele handelingen sprake was van een leeftijdsverschil van twee jaar en drie maanden. De verdachte was op dat moment zestien jaar en [slachtoffer] was veertien jaar oud. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat dit een gering leeftijdsverschil betreft. Zowel de verdachte als [slachtoffer] waren in de tenlastegelegde periode jeugdige personen en het is aannemelijk dat de verdachte op dat moment niet kon overzien dat het verrichten van seksuele handelingen met [slachtoffer] , strafbaar of in strijd met de sociaal-ethische norm was. Het hof neemt daarbij ook de omstandigheid in aanmerking dat de verdachte wist dat [slachtoffer] al reeds seksueel actief was.
Om deze reden zal het hof de verdachte tevens vrijspreken van feit 2 subsidiair.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1, primair:hij op of omstreeks 13 april 2022 te Boxtel, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het duwen en/of brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de vagina en/of de borsten, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het zoenen van die [slachtoffer] waarbij het geweld en/of andere feitelijkheid en/of de bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid bestond uit
- het meenemen van die [slachtoffer] naar een leegstaande woning en/of
- het meermalen bij die [slachtoffer] aandringen op seks en/of
- het meermalen betasten van het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het bij de keel pakken van die [slachtoffer] en/of
- het op de grond duwen van die [slachtoffer] en/of
- het aan de haren trekken van die [slachtoffer] en/of
- het uittrekken van de broek en/of de onderbroek en/of de schoenen van die [slachtoffer] en/of
- het naar beneden trekken van zijn, verdachtes, (eigen) broek en/of onderbroek en/of
- het boven op die [slachtoffer] liggen en/of vastpakken van het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het zich zodanig boven op het lichaam van die [slachtoffer] positioneren dat aan die [slachtoffer] de vlucht werd belet en/of belemmerd en/of
- het voorbij gaan aan de verbale en/of non-verbale tekenen van onwil/verzet en/of weerstand van die [slachtoffer] inhoudende dat zij geen seksueel contact met hem, verdachte, wilde en/of
- het misbruik maken van de kwetsbare positie waarin die [slachtoffer] zich bevond en/of
- het hebben van fysiek en/of psychisch en/of feitelijk overwicht op die [slachtoffer] vanwege het leeftijdsverschil, waardoor die [slachtoffer] niet, in elk geval onvoldoende in staat is geweest weerstand te bieden aan hem, verdachte, en/of
- het (aldus) doen ontstaan van een situatie, waarin die [slachtoffer] zich niet, althans onvoldoende, aan voornoemde seksuele handeling(en) kon onttrekken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, registratienummers 2100-2022044270 en PL2100-2022073341, gesloten d.d. 17 juni 2024, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , Senior Tactische Opsporing van de politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 245). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 9 mei 2025, voor zover inhoudende:
Op 13 april 2022 heb ik in een leegstaande woning in Boxtel seksuele handelingen verricht met [slachtoffer] .
2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 december 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 13 april 2022 seks heb gehad met [slachtoffer] . We hebben eerst een jointje gerookt, daarna gezoend en daarna hebben we seks gehad.
3. Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 21 april 2022 (dossierpagina’s 53 - 55), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Informatief gesprek met: [slachtoffer] (vrouw), geboren op [geboortedatum]
te [geboorteplaats 2] .
(...) [slachtoffer] vertelde dat zij op woensdag 13 april 2022 omstreeks 21.00 uur op haar telefoon zat toen zij een persoonlijk berichtje (DM) kreeg van de haar bekende [verdachte] . (...) Ze spraken toen af in de buurt van de groep waar ze woont. (...) Hij wilde vervolgens dat [slachtoffer] met hem mee ging naar zijn huis. Ze ging met hem mee. Het betrof een woning in Boxtel Noord. (...) Vervolgens raakte [verdachte] haar aan haar lijf aan en [slachtoffer] duwde hem steeds weg. (...) [verdachte] probeerde haar toen te kussen waarna zij hem weer wegduwde. (...) Terwijl [slachtoffer] daar op een stoel zat, trok [verdachte] bij haar haar broek uit. Ze duwde [verdachte] daar toen weg toen zij hem bij zijn keel pakte. Ze zei hem dat ze het niet wilde. [slachtoffer] vertelde dat [verdachte] hetzelfde deed als de vorige keer. Daarop doorgevraagd vertelde ze dat [verdachte] haar neukte met de piemel in de vagina. (...) [slachtoffer] is toen meteen in bad gegaan. Ze vertelde dat er allemaal bloed uit haar vrouwelijk geslachtsdeel kwam. Op de vraag of er gebruik is gemaakt van een condoom, vertelde [slachtoffer] dat die door [verdachte] gebruikt werd. Dat deze scheurde en door hem afgedaan werd waarna hij verder ging met de penetratie. Ze vertelde dat [verdachte] was klaar gekomen.
4. Proces-verbaal forensisch onderzoek persoon d.d. 16 april 2022 (dossierpagina’s 66 - 67), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Slachtoffer
Achternaam : [slachtoffer]
Voornamen : [slachtoffer]
Bevindingen
In het bijzijn van mij, verbalisant [verbalisant 4] en CSG verpleegkundige [arts] , werden bij slachtoffer [slachtoffer] , door forensisch arts [arts 2], 12 (twaalf) (lichaams)bemonsteringen uitgevoerd.
Dit betroffen de navolgende bemonsteringen:
-Hals (bemonstering 1 [nat] en bemonstering 2 [droog]);
-Linkerborst (bemonstering 3 [nat] en bemonstering 4 [droog]);
-Rechterborst (bemonstering 5 [nat] en bemonstering 6 [droog]);
-Buitenste schaamlippen (bemonstering 7 [nat] en bemonstering 8 [droog]);
-Binnenste schaamlippen (bemonstering 9 [nat] en bemonstering 10 [droog]);
-Vaginaal (bemonstering 11);
-Diep vaginaal (bemonstering 12).
Na deze bemonsteringen werd door mij, verbalisant [verbalisant 4] , de oppervlakkige
huidbeschadiging op het linker bovenbeen van slachtoffer gefotografeerd (...).
Biologisch spoor
Spoornummer : PL2100-2022075341-90180
SIN :ZAAE2173NL
5. Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 19 december 2023 (dossierpagina’s 229 -231), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
De groepsleider, [getuige] , genaamd, heeft hetgeen [slachtoffer] aan hem heeft verteld vastgelegd in een rapportage. Op 19 december 2023 ontving ik, verbalisant, via de post voornoemde rapportage.
Cliëntrapportage 14-4-2022 02.24
Om 00:10 uur komt [slachtoffer] binnen. Ik zie aan haar dat ze helemaal vies is. Haar jas en haren zien er vies uit. Ik vraag aan haar waarom ze zo vies is. Ze kijkt heel erg angstig uit haar ogen en zegt dat ze dit niet wil vertellen. Ik persoonlijk heb [slachtoffer] nooit in deze gemoedstoestand gezien, ze komt moeilijk uit haar woorden en komt angstig over. (...) Ze geeft aan dat ze is verkracht door [verdachte] . [verdachte] is een externe jongere waar [slachtoffer] een aangifte tegen heeft lopen voor verkrachting. Ze doet haar verhaal. Ze geeft aan dat hij haar heeft meegenomen naar zijn woning. In de woning heeft hij volgens [slachtoffer] haar bij de nek gepakt en haar kleren uitgetrokken, ondanks dat ze meerdere malen had aangegeven dat ze dit niet wilde. Ze geeft aan dat ze heel erg bang is van [verdachte] . en dat ze mogelijk haar aangifte gaat intrekken. Ze geeft meerdere malen aan dat ze bang is en dat ze bang is dat dit vaker gaat gebeuren. (...) Ze wil ook gelijk in bad, omdat ze zich vies voelt (...). Haar ondergoed en broek moet ik in een papieren zak doen. Ik ben langs [slachtoffer] gegaan, ze geeft aan dat ze van "onderen" bloed verliest (...) [slachtoffer] komt vervolgens naar beneden, ze doet haar ondergoed en broek in een zak. Ze geeft aan dat ze wil praten. Ze geeft aan dat ze ontzettend bang is van [verdachte] . (...)
9. Rapport Eurofins Forensisch DNA-onderzoek d.d. 26 maart 2025, referentie NFI 2024.03.07.082, opgesteld door dr. [naam] (dossierpagina’s 240 - 245), voor zover inhoudende:
Tabel 1 – Sporenmateriaal
SIN
Omschrijving
ZAAE2173NL
Zedenkit van derde [slachtoffer] .
De volgende bemonsteringen zijn onderzocht:
- buitenste schaamlippen (nat en droog)
- binnenste schaamlippen (nat en droog)
- vaginaal (nat en droog)
- diep vaginaal (nat en droog)
- hals (nat en droog)
- linkerborst (nat en droog)
- rechterborst (nat en droog)
Tabel 2 - Referentiemateriaal
SIN
Persoon
Geboren op
SKN
WAAZ1796NL
Verdachte [verdachte]
[geboortedag] 2004
(...)
WAAZ1796NL
Derde [slachtoffer]
[geboortedatum]
-
Tabel 4 - Resultaat van het (vergelijkend) DNA-onderzoek (...)
Bemonstering
DNA-profiel
Mogelijke donor van DNA
(...)
Buitenste schaamlippen
ZAAE2173NL#01SF
DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.
Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.
(...)
Verdachte [verdachte]
(DNA hoofdprofiel)
(...)
Binnenste schaamlippen
ZAAE2173NL#02SF
DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.
Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.
Verdachte [verdachte]
(DNA hoofdprofiel)
[p. 4/243]
Bemonstering
DNA-profiel
Mogelijke donor van DNA
Vaginaal
ZAAE2173NL#03SF
DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.
Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.
Verdachte [verdachte]
(DNA hoofdprofiel)
(...)
Diep vaginaal
ZAAE2173NL#04SF
DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.
Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.
Verdachte [verdachte]
(DNA hoofdprofiel)
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
De raadsman heeft namens de verdachte bepleit dat hij dient te worden vrijgesproken, nu er onvoldoende bewijs is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. De verdachte heeft verklaard dat de seks op 13 april 2022 op vrijwillige basis was en volgens de raadsman is er onvoldoende bewijs dat dit niet het geval was. Uit de appgesprekken die [slachtoffer] zou hebben gevoerd met [betrokkene] zou tevens blijken dat zij vrijwillig seks zou hebben gehad met de verdachte. Naast de verklaring van [slachtoffer] is er onvoldoende steunbewijs dat het onvrijwillige seks betrof. De verklaring van [getuige] zou tevens niet kunnen dienen als steunbewijs omdat [slachtoffer] de bron van informatie was en de waargenomen toestand van [slachtoffer] in de nacht van 13 april 2022 niet aansluit bij de verklaring van [slachtoffer] .
Het hof overweegt als volgt.
Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van feit 1 primair:
Inleiding.
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken als deze de situatie zich veelal voordoet dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de bewuste handelingen. Het is dan het woord van aangeefster tegen het woord van verdachte. In dit geval verklaren [slachtoffer] en verdachte uiteindelijk weliswaar allebei dat zij seksuele gemeenschap hebben gehad in een leegstaande woning in Boxtel op 13 april 2022, maar als het gaat om de vraag of dat met of zonder dwang was, staan de verklaringen lijnrecht tegenover elkaar. [slachtoffer] verklaart dat de gemeenschap niet vrijwillig was, dat zij dit duidelijk kenbaar heeft gemaakt aan verdachte, maar zij door verdachte werd gedwongen om de seksuele handelingen te ondergaan. Verdachte verklaart tijdens zijn politieverhoren dat hij nog nooit seks heeft gehad met [slachtoffer] . Ter terechtzitting komt hij hierop terug en verklaart hij dat hij meermalen seks met haar heeft gehad, ook op 13 april 2022 in de leegstaande woning. De seks was altijd met wederzijdse instemming, aldus verdachte. Volgens hem heeft hij op geen enkele wijze druk op [slachtoffer] uitgeoefend.
Wettelijk kader.
Op grond van artikel 342 lid 2 vanPro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige of aangever/aangeefster. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 SvPro is voldaan, kan, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In zedenzaken is niet vereist dat het misbruik zelf steun vindt in ander bewijsmateriaal, maar is het afdoende wanneer de verklaring van een slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] .
In grote lijnen heeft [slachtoffer] verklaard dat zij op 13 april 2022 met verdachte naar een leegstaand huis in Boxtel is gegaan. In dat huis zijn zij naar de eerste verdieping gegaan, hebben ze gechilld en een joint gerookt en op een gegeven moment heeft verdachte aangedrongen op het verrichten van seksuele handelingen met haar. Toen [slachtoffer] weigerde, begon verdachte aan haar te trekken en toen ze probeerde te vluchten kwam verdachte achter haar aan, pakte haar in de houdgreep en pakte hij haar telefoon af. Ook heeft verdachte [slachtoffer] bij de keel gepakt, haar op de grond geduwd en vervolgens de seksuele handelingen met [slachtoffer] verricht, terwijl [slachtoffer] veelvuldig weerstand bood en duidelijk aangaf dat zij het niet wilde. Nadat verdachte was klaargekomen, ging [slachtoffer] terug naar [locatie 2] en daar trof zij de groepsbegeleider, getuige [getuige] (hierna te noemen: getuige [getuige] ). Na aandringen vertelde zij getuige [getuige] wat er was gebeurd en ging vervolgens in
bad, omdat zij zich vies voelde. Toen zij in bad zat, zag zij dat er bloed uit haar vagina kwam.
De verdediging heeft uitgebreid betoogd dat er vraagtekens bij de verklaring van [slachtoffer] moeten worden geplaatst. De verdediging stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat het aannemelijker is dat [slachtoffer] op 13 april 2022 uit rancune met verdachte heeft afgesproken om seksuele handelingen met hem te verrichten, terwijl zij op dat moment een relatie had met [betrokkene] . Zij zou [betrokkene] mogelijk jaloers hebben willen maken. Vervolgens zou [slachtoffer] — volgens de verdediging - wellicht spijt hebben gehad van het verrichten van die seksuele handelingen en deze vervolgens hebben bestempeld als gedwongen, om op deze manier haar relatie met [betrokkene] te kunnen redden.
De rechtbank volgt deze redenering van de verdediging niet. Op 15 april 2022 vindt een informatief gesprek zeden plaats en vervolgens is [slachtoffer] op 12 mei 2023 en op 15 januari 2025 in de studio gehoord. Tijdens al deze gesprekken/verhoren legt [slachtoffer] een consistente verklaring af over hetgeen op 13 april 2022 is gebeurd. Ook over de aanloop naar het incident toe, het incident zelf en hetgeen is gebeurd wanneer zij weer terugkeert op de groep verklaart [slachtoffer] tot in detail consistent. Ook heeft [slachtoffer] helder verklaard over de volgorde van de gebeurtenissen en heeft zij gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die verdachte bij haar zou hebben verricht en de wijze waarop hij haar heeft gedwongen deze te ondergaan.
De rechtbank heeft geen enkele reden aan te nemen dat [slachtoffer] valse verklaringen heeft afgelegd, omdat zij zou handelen uit rancune. Van een dergelijk motief is niets gebleken. De rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] dan ook betrouwbaar en geloofwaardig.
Dit brengt de rechtbank dan ook bij de vraag of er voldoende steunbewijs is voor de
verklaring van [slachtoffer] .
Steunbewijs.
De rechtbank is van oordeel dat er voor de verklaring van [slachtoffer] voldoende steunbewijs aanwezig is in het dossier.
Wanneer [slachtoffer] terugkeert op de groep vertelt zij wat er is gebeurd aan getuige [getuige] . Getuige [getuige] heeft hetgeen [slachtoffer] hem heeft verteld met betrekking tot de verkrachting vastgelegd in een cliëntrapportage. Dit doet hij op 14 april 2022 om 02.24 uur, ruim twee uur nadat [slachtoffer] is teruggekeerd. Getuige [getuige] neemt de viezigheid op de jas van [slachtoffer] waar en noteert in de cliëntrapportage dat hij haar nog nooit in deze - erg angstige - gemoedstoestand heeft gezien. Ook ondersteunt getuige [getuige] de verklaring van [slachtoffer] , dat zij bij terugkomst direct in bad wilde en dat zij heeft gezegd dat zij “van onderen” bloed verliest.
Daarnaast biedt de uiteindelijke verklaring van verdachte ook steun aan de verklaring van aangeefster. Nadat de uitslag van het DNA-onderzoek bekend is geworden, heeft verdachte immers erkend dat hij met [slachtoffer] in de woning aanwezig was en dat zij daar seksuele handelingen hebben verricht.
De verklaring van verdachte
Tegenover de betrouwbare en geloofwaardige verklaring van [slachtoffer] staan de wisselende en ongeloofwaardige verklaringen van verdachte. Verdachte heeft bij de politie in alle toonaarden en bij herhaling ontkend ooit seks gehad te hebben met [slachtoffer] . Als hij in een nader verhoor geconfronteerd wordt met het feit dat zijn sperma in de vagina van [slachtoffer] is aangetroffen, doet hij er het zwijgen toe. Pas ter zitting komt verdachte met een op het dossier afgestemde verklaring en bekent hij alsnog dat hij (met wederzijdse instemming) seks heeft gehad met [slachtoffer] . Wanneer aan verdachte kritische vragen worden gesteld of wanneer hij wordt uitgenodigd om meer in detail te verklaren over hetgeen er heeft plaatsgevonden, kan of wil hij hierop geen antwoord geven.
De rechtbank schuift de verklaring van verdachte over de vrijwilligheid van de seks als ongeloofwaardig ter zijde.
Conclusie.
Gelet op het feit dat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig acht en deze verklaring wordt ondersteund door de cliëntrapportage van getuige [getuige] en de verklaring van verdachte zelf, gaat de rechtbank ervan uit dat de ontmoeting tussen verdachte en [slachtoffer] op 13 april 2022 is verlopen zoals [slachtoffer] heeft verklaard. Op basis daarvan acht de rechtbank het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit, zoals hierna vermeld in de bewezenverklaring, wettig en overtuigend bewezen.
Ter aanvulling op het bovenstaande zal het hof ingaan op het verweer dat door de raadsman van de verdachte in hoger beroep is gevoerd.
Ten aanzien van het verweer van de raadsman over de rapportage van getuige [getuige] , overweegt het hof het volgende. Het hof is van oordeel dat de rapportage van [getuige] , ook informatie weergeeft over de toestand en het uiterlijk van [slachtoffer] die getuige [getuige] uit eigen waarneming heeft gerapporteerd. In de rapportage, die is opgemaakt gelijk nadat hij [slachtoffer] zag op 13 april 2022, is opgenomen dat [slachtoffer] vies was en angstig overkwam. Anders dan de verdediging vindt het hof de opmerkingen in de rapportage geenszins strijdig met de verklaring van [slachtoffer] .
In tegenstelling tot wat de raadsman heeft aangevoerd over de appgesprekken tussen [slachtoffer] en [betrokkene] , waaruit volgens de raadsman zou blijken dat zij vrijwillig seks heeft gehad met verdachte, stelt het hof vast dat deze appgesprekken van vóór 13 april 2022 zijn, en derhalve niet redengevend zijn voor wat er op 13 april 2022 al dan niet zou zijn gebeurd.
Het hof verwerpt derhalve de verweren van de raadsman en is van oordeel dat de tenlastegelegde verkrachting, op grond van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
verkrachting.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsman heeft bepleit dat het hof een lagere straf oplegt dan de rechtbank in eerste aanleg. De raadsman heeft hierbij verwezen naar jurisprudentie die in eerste aanleg is overlegd. De verdachte zou een first offenderzijn voor zedenfeiten en hij was ten tijde van het feit zelf ook minderjarig. De raadsman heeft verzocht om een maximale werkstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, al dan niet in combinatie met een contactverbod.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. De verdachte heeft zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren boven de gevoelens en belangen van het slachtoffer. De wil van het slachtoffer heeft hij volledig ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen doel, te weten bevrediging van zijn seksuele lusten. Uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer blijkt dat zij het handelen van de verdachte als beangstigend en bedreigend heeft ervaren. Als algemeen bekend mag worden verondersteld dat slachtoffers van verkrachting veelal nog langdurige nadelige, psychische gevolgen daarvan ondervinden. Het hof neemt dit alles de verdachte zeer kwalijk.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat uit voornoemd uittreksel volgt dat artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft verklaard een scooterongeval en een bedrijfsongeval heeft gehad, waardoor hij blijvend letsel heeft aan zijn knieën. Hierdoor kan hij zijn vorige werk niet meer uitvoeren en is hij in overleg met het UWV op zoek naar een nieuwe baan. Hij gebruikt geen alcohol meer maar rookt soms nog wel eens een jointje tegen de pijn.
Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn – als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) – in eerste aanleg is overschreden.
Het hof is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Het hof acht, alles afwegende, en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan één maand voorwaardelijk passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen, in die zin, dat het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf wordt verhoogd tot 2 maanden.
Al het voorgaande afwegende acht het hof de oplegging van jeugddetentie voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, passend en geboden.
Het hof zal geen maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafvordering opleggen maar zal wel als bijzondere voorwaarde stellen dat de verdachte geen contact mag opnemen met [slachtoffer] .
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 vanPro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 vanPro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij, [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 6.000,- voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in eerste aanleg voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft tevens de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Derhalve is de vordering in hoger beroep aan de orde voor het gehele gevorderde bedrag van € 6.000,-.
De advocaat-generaal heeft gevorderd tot toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij, nu deze voldoende onderbouwd zou zijn.
De raadsman heeft aan het hof verzocht om de schadevergoeding die is opgelegd door de rechtbank niet te overstijgen.
Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de rechtbank. Naar het oordeel van het hof is de vordering tot schadevergoeding voldoende onderbouwd en is een schadevergoeding van € 5.000,- passend, mede gelet op het feit dat hiermee onder meer wordt aangesloten bij de categorisering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Wettelijke rente
Het totaal toe te wijzen bedrag ad € 5.000,- aan immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2022, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 5.000,-. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening ,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 2 (twee) maanden,niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat het de verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] ).
Vordering van de benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2022 tot aan de dag der voldoening;
verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,- (vijfduizend euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2022 tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. A.C. van Campen en mr. N. van der Laan, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. Vogelvang, griffier,
en op 16 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Van der Laan voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.