Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:666

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
20-002228-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 450 SvArt. 279 SvArt. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken adres in schriftelijke volmacht

In deze strafzaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 9 maart 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van verdachte tegen een vonnis van de politierechter. De verdachte was veroordeeld voor het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs. Tegen dit vonnis was hoger beroep ingesteld door een griffiemedewerker namens verdachte, op basis van een schriftelijke volmacht van de raadsman.

Het hof onderzocht of het hoger beroep rechtsgeldig was ingesteld conform artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De volmachtbrief van de raadsman ontbrak een essentieel element: het door verdachte opgegeven adres voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding. Dit is een vereiste voor een geldige volmacht. Noch de verdachte, noch een gemachtigde raadsman waren aanwezig bij de terechtzitting in hoger beroep, en de dagvaarding was niet in persoon betekend aan verdachte.

De jurisprudentie van de Hoge Raad stelt dat een dergelijk verzuim gedekt kan zijn indien verdachte of zijn raadsman ter terechtzitting verschijnen, of indien de dagvaarding in persoon is betekend. Geen van deze uitzonderingen was hier van toepassing. Daarom verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van een geldig ingesteld rechtsmiddel.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens ontbreken van een geldig opgegeven adres in de schriftelijke volmacht.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002228-25
Uitspraak : 9 maart 2026
VERSTEK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 21 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-341857-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘
opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht’ veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, omdat het hoger beroep niet conform de vereisten van artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Uit de akte instellen hoger beroep blijkt dat het hoger beroep op 4 september 2025 is ingesteld door een griffiemedewerker van de rechtbank Limburg, die verklaarde daartoe gemachtigd te zijn blijkens een aan de akte gehechte brief, die beschouwd dient te worden als een bijzondere volmacht.
De aan de appelakte gehechte brief van raadsman mr. M.F.E. Sprenkels , advocaat te Beek, gedateerd 4 september 2025, houdt – voor zover hier van belang – in:

Tot mij wendde zich de heer [verdachte] geboren [geboortedag] te [geboorteplaats] en wonende te [adres] , met het verzoek om zijn belangen te behartigen in bovenvermelde aangelegenheid.
(…)
Cliënt kan zich niet verenigen met bovenvermelde uitspraak en wenst dan ook hoger beroep in te stellen tegen bovenvermeld vonnis. Cliënt heeft mij bepaaldelijk gevolmachtigd om hem in rechte bij te staan en om namens hem hoger beroep in te stellen tegen bovenvermelde uitspraak.
Namens client machtig ik u E.A. Heer/Vrouwe Griffier hierbij dan ook om hoger beroep in te stellen tegen bovenvermelde uitspraak en daartoe een akte rechtsmiddel op te -laten- stellen.
Ik verzoek u vriendelijk om het hoger beroep heden in te stellen in verband met het verstrijken van de hoger beroepstermijn d.d. 05 september 2025.
Tot slot verzoek ik u vriendelijk om een afschrift van de door u opgemaakte akte rechtsmiddel, zo spoedig mogelijk -bij voorkeur per mail- naar mijn kantooradres in Beek te zenden.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman dan wel raadsvrouw schriftelijk hoger beroep doen instellen op de wijze als bedoeld in artikel 450, derde lid, Sv. De door de raadsman aan de griffie verzonden schriftelijke volmacht dient dan echter aan de in artikel 450, eerste en derde lid, Sv geformuleerde eisen te voldoen. Dat betekent dat de schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet inhouden:
  • i) een verklaring van de advocaat dat hij/zij tot het instellen van het hoger beroep door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd (artikel 450, eerste lid sub a, Sv);
  • ii) een verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (artikel 450, derde lid, Sv);
  • iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (artikel 450, derde lid, Sv).
Het hof stelt vast dat de brief van de raadsman, voor zover aan te merken als een schriftelijke volmacht, niet voldoet aan de laatstgenoemde eis en dat derhalve niet op de door de wet voorgeschreven wijze hoger beroep is ingesteld. Hoewel het woonadres van verdachte benoemd wordt in de brief, heeft de raadsman verzaakt om een (post)adres van verdachte op te geven ter toezending van het afschrift van de appeldagvaarding.
Volgens het arrest van de Hoge Raad van 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357 bestaat onvoldoende grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens het niet voldoen van de volmacht aan de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde voorwaarden indien de verdachte of een door hem gemachtigde raadsman ter terechtzitting is verschenen. Het belang dat met die voorwaarden is gediend, is in zo een geval niet geschaad. Het verzuim kan dan voor gedekt worden gehouden.
In het onderhavige geval is noch de verdachte noch een door de verdachte op de voet van artikel 279 Sv Pro gemachtigd raadsman ter terechtzitting in hoger beroep verschenen. Het hof is daarom van oordeel dat de geconstateerde verzuimen niet voor gedekt kunnen worden gehouden.
In het arrest van 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:156, heeft de Hoge Raad overwogen dat hoewel in een dergelijk geval (dat verdachte noch de gemachtigde raadsman niet ter terechtzitting zijn verschenen) in de regel geldt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, daarvoor onvoldoende grond bestaat indien de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting in hoger beroep in persoon aan de verdachte is uitgereikt.
Naar het oordeel van het hof geldt dit evenzeer indien de dagvaarding in hoger beroep in persoon is betekend aan de verdachte. In het onderhavige geval is de dagvaarding in hoger beroep echter niet in persoon betekend aan de verdachte. De door de Hoge Raad benoemde situatie doet zich dan ook niet voor.
Gelet op het voorgaande is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. G.M. Goes, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.F. Jansen en mr. A.D. van Zaalen, griffiers,
en op 9 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. R. Lonterman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.