ECLI:NL:GHSHE:2026:664

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
20-000976-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 SvArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf en schadevergoeding voor afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin verdachte was veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf voor afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging. De rechtbank sprak verdachte vrij van enkele tenlastegelegde feiten, maar het hof verklaarde het hoger beroep tegen die vrijspraken niet-ontvankelijk.

Het hof bevestigde grotendeels het vonnis van de rechtbank, met aanpassingen in de kwalificatie van een bewezenverklaard feit en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof oordeelde dat verdachte de woning van het slachtoffer op slot deed en de sleutels meenam, waardoor de verklaring van verdachte dat het slachtoffer hem de sleutel had toegeworpen, niet aannemelijk was.

De schadevergoedingsvordering van het slachtoffer werd deels toegewezen: €10.960 aan materiële schade en €3.000 aan immateriële schade, waarbij het hof de overige gevorderde schadeposten niet-ontvankelijk verklaarde wegens onvoldoende onderbouwing of onevenredige belasting van het strafgeding. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 november 2023, en de duur van gijzeling bij niet-betaling werd vastgesteld op maximaal 94 dagen.

Daarnaast bepaalde het hof de teruggave van een in beslag genomen Samsung S20 aan verdachte en een Samsung Galaxy A50 aan het slachtoffer. De verdachte werd veroordeeld in de proceskosten, die tot op heden nihil zijn begroot.

Het arrest werd op 10 maart 2026 uitgesproken door mr. J.J. Peters, mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf en betaling van €13.960 schadevergoeding aan het slachtoffer, met wettelijke rente en gijzeling bij niet-betaling.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000976-25
Uitspraak : 10 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 maart 2025, parketnummer 02-120716-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-194148-20, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
thans uit anderen hoofde gedetineerd [detentieadres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 4 en 5 tenlastegelegde.
De rechtbank heeft het overige tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
  • ‘afpersing, meermalen gepleegd’ (feit 1);
  • ‘opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd’ (feit 2);
  • ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’ (feit 3),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.
Verder heeft de rechtbank een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Tot slot heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer
02-194148-20 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid en omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken van de rechtbank van het onder 4 en 5 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit tegen genoemde vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd – naar het hof begrijpt – dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven telefoons, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze telefoons zal verbeurd verklaren.
Namens de verdachte is integrale vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de raadsvrouw in navolging van de door haar bepleite integrale vrijspraak primair betoogd dat deze vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde materiële en immateriële schade.
Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de raadsvrouw in navolging van de door haar bepleite integrale vrijspraak primair betoogd dat deze vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de kwalificatie van het onder 3 bewezenverklaarde en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij alsmede de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het hof zal voorts een beslissing nemen ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven telefoons nu de rechtbank daarover in het vonnis waarvan beroep niet heeft beslist.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen
Mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, is het hof van oordeel dat de bewijsvoering de navolgende verbetering en aanvulling behoeft.
1.
Het hof schrapt het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel ‘de verklaring van verdachte [verdachte] op de terechtzitting van 12 maart 2025’.
2. Het hof ziet aanleiding om als bewijsmiddel op te nemen: de verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2026:
Ik ben naar de woning van aangever aan [adres] gegaan om naar mijn geld te vragen. Hij bood aan zijn spullen te verkopen. Ik heb mijn stem verheven.
3. Het hof ziet aanleiding om als bewijsmiddel op te nemen: de eigen waarneming van het hof van de uitlatingen van de verdachte tegen slachtoffer [slachtoffer] op de tot het procesdossier behorende camerabeelden met de bestandsnaam VID-20231127-WA0004, zoals gedaan bij het onderzoek ter terechtzitting, voor zover (in aanvulling op de in bewijsmiddel 5 opgenomen beschrijving van deze camerabeelden door verbalisant [verbalisant] ) inhoudende:
“Je hebt die tv nog niet eens losgekoppeld.” en “ Het pandjeshuis is dicht. Hoe gaan we dat doen?”
Verbetering van de bewijsoverwegingen
Het hof vervangt in de bewijsoverweging van de rechtbank de tweede alinea op pagina 4 van het vonnis door:
Voor het hof staat verder vast dat verdachte bij het verlaten van de woning van
aangever de ramen en deuren op slot heeft gedaan en de sleutels heeft meegenomen.
[getuige] heeft verklaard dat er een sleutel is meegenomen. Daarnaast blijkt uit het filmpje
dat verdachte heeft gemaakt dat hij en [getuige] op 27 november 2023 de woning van
aangever binnenkwamen door zelf de deur te openen met de sleutel. Verdachte heeft voor
het eerst ter zitting in eerste aanleg verklaard dat aangever kort daarvoor een sleutel uit zijn raam naar beneden had gegooid en dat verdachte met die sleutel de woning is binnengekomen. Op het filmpje is echter te zien dat aangever op de bank zit op het moment dat verdachte en [getuige] zijn woning binnenkomen en dat de gordijnen nog dicht zijn, het is donker in de woning en te horen is dat aangever zegt dat hij net wakker is. Daarnaast is te
horen dat verdachte op een intimiderende manier tegen aangever praat. Als verdachte aan
aangever vraagt of hij geen gekke dingen heeft gedaan, antwoordt aangever dat hij in zijn
woning is gebleven. Opvallend is dat aangever heeft verklaard dat verdachte op het moment
dat hij in de nacht van 26 op 27 november 2023 de woning verliet ook tegen aangever zei
dat hij geen gekke dingen moest doen. De verklaring van de verdachte dat hij aangever niet heeft opgesloten in zijn woning en dat hij de sleutel van die woning heeft verkregen doordat aangever die sleutel vanuit het raam van zijn woning naar beneden heeft gegooid, vindt zijn weerlegging in voornoemde uit de bewijsmiddelen voorvloeiende feiten en omstandigheden. Het hof schuift deze verklaring van de verdachte dan ook als onaannemelijk terzijde.
Kwalificatie van het onder 3 bewezenverklaarde
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Beslag
Het hof zal een beslissing nemen ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven telefoons (KVI’s op digitale dossierpagina’s 5 en 7) nu de rechtbank in het vonnis waarvan beroep daarover niet heeft beslist.
Het hof zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven smartphone, kleur blauw, merk/type Samsung S20, aangezien de verdachte redelijkerwijs als rechthebbende daarvan kan worden aangemerkt.
Het hof is van oordeel dat de onder de verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven smartphone, kleur zwart, merk/type Samsung Galaxy A50, dient te worden teruggegeven aan aangever [slachtoffer] , aangezien deze [slachtoffer] , gelet op de inhoud van het procesdossier, redelijkerwijs als rechthebbende daarvan kan worden aangemerkt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 41.071,50, bestaande uit € 29.071,50 aan materiële schade en € 12.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vordering toegewezen tot een bedrag van
€ 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2023 tot aan de dag der voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de benadeelde partij in de overige gevorderde immateriële schade en in de vordering met betrekking tot de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Bij schrijven d.d. 19 februari 2026 heeft de advocaat van de benadeelde partij mr. [advocaat] de materiële kostenpost ‘Kosten/schade verkopen goederen en afnemen geld [slachtoffer] ’ verlaagd tot een bedrag van € 23.574,00. Ten aanzien van de materiële kostenpost ‘Niet vergoede medische kosten’ wordt in voornoemd schrijven gesteld dat deze post van het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 3.497,50 is opgelopen tot een bedrag van € 4.848,65. Namens de benadeeld partij wordt verzocht voor het verschil tussen beide bedragen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De vordering in hoger beroep bestaat derhalve uit de volgende posten en bedragen:
Materieel:
A. Niet vergoede medische kosten:
  • eigen bijdrage opname [instantie 1] : € 750,00
  • psychosomatische fysiotherapie [instantie 2] : € 2.747,50
Totaal: € 3.497,50
B. Kosten/schade verkopen goederen en afnemen geld [slachtoffer] (o.b.v. dagwaarde):
  • contante nabetaling dag na vrijlating: € 4.960,00
  • onder dwang verkochte alfa romeo Gullietta 2013 (kosten terugkopen): € 6.000,00
  • samsung 4k ultra hd smart tv 65 inch: € 650,00
  • ziggo modem: € 50,00
  • JBL Charge 4 zwart bluetooth speaker: € 119,00
  • playstation 4 incl. 4 controllers, sony headset,
playstation loading dock, 5 games: € 200,00
  • macbook air 2015: € 650,00
  • samsung A22 telefoon: € 200,00
  • iphone 11 pro: € 600,00
  • meerdere opladers: € 50,00
  • rugzak eastpack: € 30,00
  • Emporio Armani AR2460 horloge 46mm: € 195,00
  • tommy hilfiger horloge: € 150,00
  • ds2quared schoenen: € 350,00
  • mason garments schoenen: € 300,00
  • contant geld: € 720,00
  • 4 maanden ziektewetuitkering gemist: € 7.600,00
Totaal: € 23.574,00
Subtotaal: € 27.071,50
Immaterieel:€ 12.000,00

Subtotaal: € 39.071,50

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij in de overige gevorderde immateriële schade en in de vordering met betrekking tot de materiële schade niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde materiële en immateriële schade.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 10.960,00 aan materiële schade. Daartoe overweegt het hof als volgt.
A.
Niet vergoede medische kosten
De gevorderde schade betreffende de niet vergoede medische kosten is niet voor toewijzing vatbaar, omdat dit gedeelte van de vordering door de verdediging gemotiveerd is betwist en in zoverre onvoldoende is onderbouwd. Er zijn door de verdediging vragen opgeroepen met betrekking tot het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de noodzaak van de (gehele) behandeling en de verzekerbaarheid ervan. Het hof is van oordeel dat dit vraagt om nadere toelichting en eventueel bewijsvoering, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering van de benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
B.
Kosten/schade verkopen goederen en afnemen geld [slachtoffer]
De gevorderde kosten ter zake de contante nabetaling de dag na vrijlating (€ 4.960,00) en het terugkopen van de auto (€ 6.000,00) zijn voldoende met stukken onderbouwd en als rechtstreekse schade als gevolg van de bewezenverklaarde feiten aan te merken. Deze posten zijn daarom voor toewijzing vatbaar.
Ten aanzien van de gevorderde kosten ter zake de goederen, afkomstig uit de woning van de benadeelde, en een contant geldbedrag ad € 720,00, overweegt het hof dat tegenover de gemotiveerde betwisting door de verdediging, onvoldoende is gesteld en onderbouwd dat de verdachte het geldbedrag in het kader van het tenlastegelegde heeft weggenomen. Met betrekking tot de uit de woning afkomstige goederen is onvoldoende gesteld en onderbouwd of, en zo ja tot welk bedrag, er voor de benadeelde partij schade is ontstaan, bijvoorbeeld omdat hij een deel van de goederen heeft teruggekregen. Nader onderzoek daarnaar levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. De vordering van de benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Met betrekking tot de gevorderde kosten ter zake de door de benadeelde gedurende vier maanden misgelopen ziektewetuitkering is het hof met de raadsvrouw van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Het hof zal derhalve bepalen dat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk is.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast. Het hof stelt voorop dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Uit de stukken ter onderbouwing van de immateriële schade en de door de advocate van de benadeelde partij gegeven toelichting daarop ter terechtzitting in hoger beroep, volgt dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte een enorme impact op de benadeelde partij heeft gehad en nog steeds heeft en dat volledig herstel niet haalbaar is. De benadeelde partij kampt met klachten zoals frequente en intense herbelevingen, slaapproblemen, angst- en stemmingsklachten en hij is voortdurend alert. Er is sprake van een blijvende verstoring in het veiligheids- en vertrouwensgevoel van de benadeelde partij, waarbij hij structureel blijft functioneren in een staat van verhoogde dreigingsperceptie. Uit een schrijven d.d.
27 januari 2026 van [behandelaar] , de psychisch hoofdbehandelaar van de benadeelde bij [instantie 3] en derhalve terzake deskundig, blijkt dat bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is gediagnosticeerd. Ook uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring volgt dat de benadeelde partij tot op heden nog steeds last heeft van het bewezenverklaarde. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van psychisch letsel als gevolg van het bewezenverklaarde dat voor schadevergoeding in aanmerking komt.
Mede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof – net als de rechtbank – de immateriële schade die de benadeelde partij rechtstreeks door het bewezenverklaarde heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 3.000,00. Anders dan de rechtbank besliste, zal het meergevorderde worden afgewezen.
Conclusie
Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 13.960,00, bestaande uit € 10.960,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Beide kostenposten worden tot op heden begroot op nihil.
Wettelijke renteOver de diverse schadeposten zal de verdachte de wettelijke rente moeten vergoeden vanaf de dag waarop de schade is of wordt geacht te zijn ontstaan. De ingangsdatum van de wettelijke rente zal worden bepaald op de eerste dag van de bewezenverklaarde periode, zijnde 29 november 2023.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer
[slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 13.960,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder 3 bewezenverklaarde en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht;
kwalificeert het onder 3 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 13.960,00 (dertienduizend negenhonderdzestig euro) bestaande uit € 10.960,00 (tienduizend negenhonderdzestig euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 9.000,00 (negenduizend euro) aan immateriële schadeaf;
verklaart de vordering (ten aanzien van de materiële schade) voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.960,00 (dertienduizend negenhonderdzestig euro) bestaande uit
€ 10.960,00 (tienduizend negenhonderdzestig euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 94 (vierennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 november 2023;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande;
gelast de teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
smartphone, kleur blauw, merk/type Samsung S20 (Goednummer PL2000-2024014253-2714844);
gelast de teruggaveaan [slachtoffer] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
smartphone, kleur zwart, merk/type Samsung Galaxy A50 (Goednummer PL2000-2024014253-2714862).
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 10 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.