Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:663

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
20-001071-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 242 SrArt. 248 SrArt. 6:106 BWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verkrachting gepleegd door twee of meer verenigde personen

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigd en de verdachte veroordeeld voor medeplegen van verkrachting op 13 september 2020 te Tilburg. De verdachte en een medeverdachte hebben het slachtoffer gezamenlijk gedwongen tot seksuele handelingen, waarbij de medeverdachte het slachtoffer onverhoeds van achteren heeft gepenetreerd zonder haar toestemming.

De verklaringen van het slachtoffer zijn door het hof als betrouwbaar beoordeeld en ondersteund door diverse Whatsappberichten die het verhaal van het slachtoffer bevestigen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, maar het hof heeft dit verworpen vanwege het ontbreken van voldoende steunbewijs voor de verdediging.

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest, waarbij rekening is gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Daarnaast is aan het slachtoffer een immateriële schadevergoeding van €5.000 toegekend, te vermeerderen met wettelijke rente, en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het hof heeft de straf bepaald op basis van de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de strafrechtelijke oriëntatiepunten voor verkrachting in vereniging. De verdachte heeft geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. De uitspraak is gedaan op 11 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 27 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en toekenning van €5.000 schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001071-24
Uitspraak : 11 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 april 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-173027-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres verdachte] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van verkrachting’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is door de rechtbank hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [slachtoffer] is in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank heeft bepaald dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de
advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze hoofdelijk kan worden toegewezen tot het bedrag van € 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De
advocaat-generaal heeft gevorderd dat ter hoogte van het toe te wijzen bedrag de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.
Door de raadsman van de verdachte is vrijspraak bepleit. Voorts heeft de raadsman een tweetal voorwaardelijke verzoeken gedaan. In het verlengde van de bepleite vrijspraak heeft de raadsman betoogd dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 september 2020 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit of mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal,
- zijn/hun penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht
en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s)
  • die [slachtoffer] stevig heeft/hebben vastgepakt en/of
  • onverhoeds en van achteren zijn/hun penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd/gebracht en/of
  • het hoofd van die [slachtoffer] richting de penis van verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben geduwd en/of
  • een numeriek en/of fysiek overwicht op die [slachtoffer] heeft/hebben gehad
en/of aldus voor die [slachtoffer] een ongelijkwaardige en/of bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan waardoor die [slachtoffer] zich niet kon verzetten tegen en/of kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 september 2020 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft zijn mededader
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht
en bestaande die feitelijkheid hierin dat zijn mededader
- onverhoeds en van achteren zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht
waardoor die [slachtoffer] zich niet kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin bevatte bewijsmiddelen maken integraal onderdeel uit van dit arrest.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bewijsoverwegingen
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern primair aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] onvoldoende betrouwbaar zijn, waardoor deze verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Mocht het hof de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] wel voldoende betrouwbaar achten, is door de raadsman subsidiair het voorwaardelijke verzoek gedaan om alsnog een deskundige te benoemen om de betrouwbaarheid van de verklaringen te onderzoeken.
Meer subsidiair is door de raadsman aangevoerd dat op zijn minst zeer terughoudend met de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] dient te worden omgegaan en er meer dan gebruikelijk sprake moet zijn van voldoende stevig steunbewijs. Nu dergelijk stevig steunbewijs ontbreekt in het dossier, dient de verdachte te worden vrijgesproken.
De verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het feest op 13 september 2020 één keer vrijwillige één op één seks heeft gehad met aangeefster [slachtoffer] . Terwijl zij seks hadden, zijn er meerdere mensen de slaapkamer binnengekomen, maar hij heeft medeverdachte [medeverdachte] niet binnen zien komen en hem ook niet horen spreken in de slaapkamer.
Het hof overweegt als volgt.
Verklaringen aangeefster
Aangeefster [slachtoffer] heeft op 5 oktober 2020 aangifte gedaan van verkrachting door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Op 13 september 2020 was zij op een huisfeestje, waar zij op enig moment met de verdachte naar de slaapkamer is gegaan om seks met hem te hebben. Terwijl zij de verdachte oraal bevredigde, zag zij dat medeverdachte [medeverdachte] de slaapkamer binnenkwam. Zij vroeg hem wat hij kwam doen, waarop medeverdachte [medeverdachte] aangaf dat hij de wacht hield zodat er niemand binnen zou komen. Aangeefster heeft daarop aangegeven dat hij dat ook aan de buitenkant van de deur kon doen. Zij wilde dat hij wegging. Medeverdachte [medeverdachte] is daarop weggegaan, waarna aangeefster verder is gegaan met de verdachte.
Op enig moment tijdens de seks met de verdachte kwam medeverdachte [medeverdachte] opnieuw de slaapkamer binnen. Aangeefster zag dat zijn broek dit keer naar beneden was en hij bezig was zichzelf af te trekken. Wederom gaf medeverdachte [medeverdachte] aan dat hij de wacht hield, waarop aangeefster nogmaals zei dat hij dit ook aan de andere kant van de deur kon doen en met kleding aan. Medeverdachte [medeverdachte] ging daarop weer weg. De verdachte gaf vervolgens aan dat ze al best lang weg waren van het feest en dat ze beter terug konden gaan. Daarop hebben de verdachte en aangeefster [slachtoffer] zich aangekleed en zijn zij terug gegaan naar de woonkamer. Medeverdachte [medeverdachte] kwam naar aangeefster toe en zei sorry tegen haar. Medeverdachte [medeverdachte] gaf aan dat hij haar heel graag wilde beffen. Aangeefster antwoordde daarop dat zij hem er niet bij wilde hebben, dat zij niet begreep waarom hij meermalen de slaapkamer binnenkwam en dat zij niet met hem naar bed wilde.
Later op de avond is aangeefster opnieuw naar de slaapkamer gegaan. Op enig moment kwam de verdachte de slaapkamer ook weer binnen en hadden zij voor de tweede keer seks met elkaar. Terwijl zij
doggy styleseks met elkaar hadden, kwam medeverdachte [medeverdachte] voor de derde keer de slaapkamer binnen. Aangeefster hoorde hem niet binnenkomen, maar zag hem ineens geheel naakt en zichzelf aftrekkend naast het bed staan. Aangeefster zei tegen de verdachte dat hij moest stoppen, omdat zij dit niet wilde en zij niet verder wilde gaan totdat medeverdachte [medeverdachte] weg was. Medeverdachte [medeverdachte] verliet daarop de kamer waarna aangeefster en de verdachte zijn verder gegaan. Vervolgens waren zij ongeveer tien minuten alleen in de slaapkamer. Zij hadden wederom
doggy styleseks met elkaar, waarbij aangeefster met haar gezicht naar de muur en haar rug richting de deur zat. Toen zij op enig moment achterom keek, zag zij medeverdachte [medeverdachte] achter haar staan en voelde zij dat ze nog steeds gepenetreerd werd. Aangeefster werd daarop heel boos en draaide zich om, waardoor medeverdachte [medeverdachte] uit haar vagina ging. Aangeefster zag dat de verdachte naast het bed stond. De verdachte ging voor haar op het bed zitten met zijn benen wijd en zei:
“Laat hem nou, hij wil heel even, laat hem maar even”, of woorden van gelijke strekking.
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster
Het hof ziet, anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal, geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze verklaring van aangeefster [slachtoffer] . Bij het doen van aangifte op 5 oktober 2020 heeft aangeefster [slachtoffer] voor het eerst volledig en gedetailleerd verklaard over wat er is gebeurd. Bovendien heeft zij in haar eerdere verklaring bij gelegenheid van het informatief gesprek zeden, alsook in haar volgende verklaringen in de kern op wezenlijke onderdelen steeds consistent en consequent verklaard. Zowel tijdens het informatief gesprek zeden voorafgaand aan de aangifte, als in haar latere verklaring ten overstaan van de politie heeft aangeefster [slachtoffer] telkens verklaard dat zij plotseling van achteren werd gepenetreerd door medeverdachte [medeverdachte] , terwijl zij dat niet wilde en zij ook al meermaals had aangegeven dat zij niets met medeverdachte [medeverdachte] wilde doen en dat zij wilde dat hij wegging.
Dat aangeefster [slachtoffer] in haar latere verklaringen ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris op punten mogelijk anders heeft verklaard dan bij gelegenheid van haar aangifte d.d. 5 oktober 2020, maakt haar verklaringen bij aangifte niet onbetrouwbaar. Zo kunnen tegenstrijdigheden of ongerijmdheden het gevolg zijn van de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties of door tijdsverloop, of door het feit dat aangeefster in de tussentijd therapie heeft ondergaan. De door de verdediging aangevoerde inconsistenties, merkwaardigheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangeefster maken naar het oordeel van het hof aldus niet dat het geheel van haar verklaringen als onbetrouwbaar terzijde dient te worden geschoven. Het hof acht de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
De aangifte van [slachtoffer] vindt naar het oordeel van het hof bovendien voldoende steun in ander objectief bewijsmateriaal, te weten Whatsappberichten die voor, na, en naar aanleiding van het tenlastegelegde zijn verstuurd door of naar de verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte] .
In dit verband wijst het hof eerst op het Whatsappbericht dat de verdachte tijdens het feestje op 13 september 2020 om 01.46 uur naar medeverdachte [medeverdachte] heeft gestuurd, inhoudende
“Kom naar de kamer”. Eenzelfde Whatsappbericht heeft de verdachte, eveneens om 01.46 uur, verstuurd naar [naam 1] , de broer van medeverdachte [medeverdachte] .
Aangeefster [slachtoffer] heeft tijdens haar aangifte verklaard dat zij terugkijkend in haar Whatsapp zag dat haar vriendin [naam 2] – met wie zij aanvankelijk op het feestje was – haar om 00.55 uur een bericht heeft gestuurd dat ze thuis was. Aangeefster las dat Whatsappbericht pas toen zij in de slaapkamer was. Het was toen 01.30 uur. Dat weet ze, omdat ze toen een berichtje heeft teruggestuurd naar [naam 2] .
Het hof ziet hierin steun dat het Whatsappsbericht
“Kom naar de kamer”door de verdachte naar medeverdachte [medeverdachte] en diens broer is gestuurd op het moment dat de verdachte zich met aangeefster [slachtoffer] in de slaapkamer bevond, alsook dat met
“de kamer”de slaapkamer werd bedoeld. Het feit dat medeverdachte [medeverdachte] en bovendien ook diens broer [naam 1] op een later moment die nacht/ochtend daadwerkelijk naar de slaapkamer zijn gekomen, is een aanwijzing dat zij het berichtje van de verdachte ook zo hebben begrepen dat hij de slaapkamer bedoelde. Het hof acht niet aannemelijk dat sprake is geweest van een verschrijving en dat de verdachte heeft willen sturen
“Komnietnaar de kamer”, zoals door de raadsman is gesteld.
In de tweede plaats vindt de verklaring van aangeefster [slachtoffer] naar het oordeel van het hof steun in het Whatsappgesprek van 18 september 2020 tussen de verdachte en zijn vriend [naam 3] . In dit Whatsappgesprek stuurt de verdachte naar [naam 3] dat hij niet strest, want hij heeft zwart op wit dat ze vrijwillig wilde “prikken” (
het hof begrijpt: seks hebben) met hem. Ook stuurt de verdachte:
“Gaat meer om [medeverdachte](
het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte])
daar is het gewoon miss gegaan die boy is te gretig maar goed ik vertel je wel over de phone een keer”. Vervolgens stuurt de verdachte een screenshot van een Whatsappgesprek tussen aangeefster en [naam 4] , de ex-vriendin van de verdachte, waarin aangeefster zegt dat ze zich niet verkracht voelt door de verdachte, maar dat [medeverdachte] ook naar binnen is gegaan zonder dat zij dat wilde.
Naar het oordeel van het hof kan het gelet op het voorgaande niet anders zijn dan dat het bericht van de verdachte, inhoudende
“Gaat meer om [medeverdachte] daar is het gewoon miss gegaan die boy is te gretig”, slaat op hetgeen zich op 13 september 2020 tijdens het feest met betrekking tot aangeefster heeft voorgedaan.
Voorts vindt de aangifte van [slachtoffer] naar het oordeel van het hof steun in het Whatsappbericht dat medeverdachte [medeverdachte] op 17 september 2020 heeft verstuurd naar [naam 3] , inhoudende:
“ [verdachte] heeft problemen met zijn meid en zaterdag gaven wij ploegdienst aan en meid zonder te forceren en nu zegt ze dat ze verkracht is”. [naam 3] vraagt daarop:
“Dus jullie hebben die [slachtoffer] geploegd??”, waarop medeverdachte [medeverdachte] antwoordt:
“Tips ja”. Met ploegen wordt, blijkens het via de openbaar toegankelijke bron www.ensie.nl te raadplegen “Woordenboek van Populair Taalgebruik” bedoeld het met meerdere jongens tegelijk seks hebben, hetgeen aansluit bij de verklaring van aangeefster [slachtoffer] dat zij gelijktijdig seks had met de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , terwijl zij dat met medeverdachte [medeverdachte] niet wilde.
Tot slot wordt de aangifte van [slachtoffer] naar het oordeel van het hof ondersteund door de Whatsappconversatie in de groepsapp “ [groepsapp] ”, waarvan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] onderdeel uitmaken. Op 17 september 2020 stuurt de verdachte in deze groepsapp dat er een probleem is, waarna hij een aantal screenshots stuurt van een Facebook Messengergesprek waarin aangeefster [slachtoffer] vertelt wat er tijdens het feest is gebeurd. Door een ander lid van de groepsapp wordt voorgesteld een meeting te plannen om de problemen face-to-face te bespreken, welke meeting op 18 september 2020 in de avond plaatsvindt via Zoom. Vervolgens wordt op 19 september 2020 kort na middernacht door [naam 5] in de groepsapp gestuurd:
“Regels vanaf nu:
nee is nee
geen ploege
geen vriendinnen van elkaar
geen competitie
zijn we het hiermee eens?”.
Het hof leidt uit deze Whatsappconversatie af dat de seks met aangeefster [slachtoffer] “een probleem” heeft opgeleverd, dat naar aanleiding daarvan voornoemde regels zijn opgesteld en dat deze regels voorafgaand aan het tenlastegelegde derhalve niet golden, althans in ieder geval niet duidelijk waren gesteld binnen de groep waarvan de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] onderdeel uitmaken. Bovendien sluit ook dit Whatsappgesprek, in het bijzonder de gestelde regel
“geen ploege”– gelet op de hiervoor genoemde definitie van het begrip “ploegen” – aan bij de verklaring van aangeefster [slachtoffer] dat zij gelijktijdig seks heeft gehad met de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , terwijl zij dat niet wilde.
Tussenconclusie
Het hof acht op grond van al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat aangeefster [slachtoffer] seks had met de verdachte en dat op enig moment medeverdachte [medeverdachte] haar onverhoeds van achteren heeft gepenetreerd, terwijl zij dit laatste niet wilde.
Dwang?
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat aangeefster [slachtoffer] door geweld of een andere feitelijkheid, dan wel bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, is gedwongen tot de hierboven beschreven seksuele handelingen. Van dwang – in de zin van het in artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht bedoelde dwingen – kan sprake zijn als een slachtoffer zich redelijkerwijs niet tegen een onverhoeds (onverwacht) handelen van een verdachte heeft kunnen verzetten.
Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat aangeefster [slachtoffer] is gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen. Aangeefster [slachtoffer] had vrijwillig seks met de verdachte en kwam er – toen zij op enig moment omkeek – achter dat niet de verdachte, maar medeverdachte [medeverdachte] haar penetreerde. Er heeft dus onverhoeds, en aanvankelijk ongezien, een wisseling plaatsgevonden tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Dit terwijl aangeefster [slachtoffer] al meerdere keren duidelijk had aangegeven dat zij geen seks wilde met medeverdachte [medeverdachte] . Door de onverhoedse wisseling is aangeefster [slachtoffer] in de situatie gebracht dat zij tegen de penetratie door medeverdachte [medeverdachte] geen weerstand kon bieden, omdat zij niet wist dat zij door hem werd gepenetreerd. Aangeefster [slachtoffer] heeft hierdoor tegen haar wil de seksuele handeling van medeverdachte [medeverdachte] moeten dulden.
In vereniging
Tot slot is het hof van oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangeefster [slachtoffer] tezamen en in vereniging hebben gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen. Op enig moment, terwijl de verdachte in de slaapkamer was met aangeefster [slachtoffer] om seks met haar te hebben, heeft de verdachte via Whatsapp naar de medeverdachte [medeverdachte] gestuurd:
“Kom naar de kamer”. Medeverdachte [medeverdachte] heeft aan dit bericht gehoor gegeven en is naar de slaapkamer gekomen. Terwijl de verdachte
doggy styleseks had met aangeefster [slachtoffer] , is hij voor de medeverdachte [medeverdachte] aan de kant gegaan, zodat medeverdachte [medeverdachte] aangeefster [slachtoffer] van achteren kon penetreren. De verdachte is vervolgens met zijn benen wijd voor aangeefster [slachtoffer] gaan zitten en heeft tegen haar gezegd:
“Laat hem nou, hij wil heel even, laat hem maar even”, of woorden van gelijke strekking.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend
Resumerend acht het hof, op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde verkrachting in vereniging heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijke verzoeken
Door de raadsman is bij wijze van voorwaardelijk verzoek, indien het hof de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] betrouwbaar acht, verzocht om alsnog een deskundige te benoemen teneinde de betrouwbaarheid van haar verklaringen te beoordelen.
Het hof stelt voorop dat de selectie en waardering van het bewijs, daaronder mede begrepen de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen, is voorbehouden aan de feitenrechter. Het hof ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] , geen noodzaak tot het benoemen van een deskundige teneinde de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] te beoordelen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
De raadsman van de verdachte heeft voorts het voorwaardelijke verzoek gedaan om, indien het hof de foto op pagina 17 van de fotobijlage van de forensisch arts tot het bewijs zou bezigen, de forensisch arts omtrent deze foto te horen, teneinde hem – kort gezegd – te kunnen bevragen over het doel van deze foto.
Nu het hof deze foto, alsook de andere foto’s van de blauwe plekken van aangeefster [slachtoffer] , niet tot het bewijs bezigt, behoeft dit voorwaardelijke verzoek geen bespreking.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

verkrachting, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting in vereniging. De verdachte heeft op 13 september 2020 op een huisfeestje seks gehad met het slachtoffer. Op enig moment tijdens de seks heeft de verdachte met de medeverdachte gewisseld van plek, waarna de medeverdachte het slachtoffer onverhoeds, en zonder dat het slachtoffer dit wilde, van achteren heeft gepenetreerd.
De verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige en onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten door slachtoffers als zeer ingrijpend wordt ervaren en langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Ook in de onderhavige strafzaak is daarvan sprake, zoals blijkt uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding, de in eerste aanleg overgelegde schriftelijke slachtofferverklaring van de aangeefster, alsook uit het namens haar ter terechtzitting in hoger beroep uitgeoefende spreekrecht. Het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] heeft, tot op de dag van vandaag, veel impact op haar leven en haar psychische en lichamelijke welzijn. Ter verwerking van het bewezenverklaarde heeft zij verschillende behandelingen ondergaan, waaronder
EMDR-therapie.
De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben zich van dit alles geen rekenschap gegeven en hebben hun eigen seksuele behoeften vooropgesteld. Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dit verband verklaard dat hij ten tijde van het onderhavige feit werkzaam was als [beroep verdachte] , maar hij door de uitspraak van de rechtbank in deze zaak geen verklaring omtrent gedrag meer kon krijgen, waardoor hij tijdelijk werkzaam is in de bouw. De verdachte hoopt op enig moment zijn werkzaamheden als [beroep verdachte] weer te kunnen hervatten.
Bij de beslissing over de aard en de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gaan bij verkrachting, als bedoeld in artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, met een beperkte mate van dwang, uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Daar komt bij dat de onderhavige verkrachting in vereniging is begaan, hetgeen strafverzwarend is.
Naar het oordeel van het hof kan, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn evenwel nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.
Het hof stelt vast dat de verdachte in deze zaak op 29 juni 2021 in verzekering is gesteld. Het hof neemt dit als aanvangsmoment van de
“criminal charge”. Nadat de verdachte was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak in eerste aanleg was behandeld, heeft de rechtbank op 5 april 2024 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 17 april 2024 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 11 maart 2026 – einduitspraak.
Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de
“criminal charge”als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt derhalve twee jaren en negen maanden. Er is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met negen maanden. In hoger beroep is de redelijke termijn niet overschreden.
Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met drie maanden.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.500,00, bestaande uit immateriële schade.
De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad, of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon “op andere wijze” is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Indien het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW, bedoelde aantasting in de persoon “op andere wijze” sprake is.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn mededader rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij is door de verdachte en de medeverdachte verkracht. Uit het schrijven van gezondheidszorgpsycholoog [psycholoog] d.d. 18 januari 2021 volgt dat bij de benadeelde partij sprake is van een posttraumatische stressstoornis. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval bovendien mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat reeds daarom een aantasting in persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW kan worden aangenomen.
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,00. De verdachte en zijn mededader zijn hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige zal de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2020, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest nog te maken kosten. Beide kostenposten worden aan de zijde van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de mededader rechtstreeks immateriële schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 5.000,00. De verdachte en de mededader zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Daarnaast zal het hof bepalen dat voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 242 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
27 (zevenentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro)ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2020 tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij [slachtoffer] begroot op nihil;
legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro)als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2020 tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 50 (vijftig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven en mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffiers,
en op 11 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.