ECLI:NL:GHSHE:2026:644

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
20-001792-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 54 Wet wapens en munitieArt. 63 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens openlijk geweld en verboden wapenbezit door minderjarige

De verdachte, minderjarig, werd in eerste aanleg deels vrijgesproken en deels veroordeeld voor openlijk in vereniging gepleegd geweld en het bezit van een Zwitsers zakmes, een verboden wapen voor minderjarigen. Het hoger beroep richtte zich uitsluitend op de veroordelingen, waarbij het hof de vrijspraak bevestigde voor het eerste feit maar het geweld en wapenbezit bewezen verklaarde.

Uit camerabeelden bleek dat de verdachte samen met medeverdachten een dakloos persoon intimideerde en het geweld filmde, waarbij hij een wezenlijke bijdrage leverde door het gedrag en de opname. Daarnaast had hij een jaar eerder het verboden zakmes bij zich. De verdediging voerde aan dat de verdachte slechts op afstand filmde en geen medeplichtigheid had, maar dit werd door het hof verworpen.

Het hof legde een taakstraf op van 40 uur leerstraf So-Cool Regulier, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, en een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf van 40 uur, met bijzondere voorwaarden waaronder medewerking aan hulpverlening. De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, de leeftijd, het ontbreken van eerdere veroordelingen en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur leerstraf So-Cool Regulier en een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf van 40 uur met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001792-25
Uitspraak : 6 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 juni 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-071299-25, 03-115498-25 en 03-248521-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de kinderrechter de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-071299-25 tenlastegelegde feit (te weten: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen) en de benadeelde partij [benadeelde] in de in die zaak ingediende vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is de verdachte ter zake van:
 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen (zoals tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 03-115498-25);
 handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie (zoals tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 03-248521-24),
veroordeeld tot een taakstraf, in de vorm van de leerstraf So-Cool Regulier, voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, en een geheel voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Ten slotte heeft de kinderrechter het tegen de verdachte verleende (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden, 25 juni 2025, opgeheven.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Voeging parketnummers
De kinderrechter heeft in het (uitgewerkte) vonnis waarvan beroep medegedeeld dat het om technische redenen in de systemen niet mogelijk bleek om één aantekening van het mondelinge vonnis op te maken in de ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde zaken met parketnummers 03-071299-25, 03-115498-25 en 03-248521-24. Derhalve zijn twee aantekeningen van het mondelinge vonnis opgemaakt.
In de aantekening van het mondelinge vonnis inzake parketnummer 03-248521-24 staat vermeld dat in die zaak toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van strafrecht (hierna: Sr). Dit bewezenverklaarde feit is echter ook meegenomen in de strafoplegging in de zaak met parketnummer 03-115498-25. Deze wijze van administratieve verwerking is na afloop van de terechtzitting in eerste aanleg afgestemd met de verdediging en de officier van justitie.
Het hof heeft geconstateerd dat, hoewel het uitgewerkte vonnis wel overeenkomt met de daadwerkelijke gang van zaken, in hoger beroep toch twee aparte parketnummers zijn aangemaakt. Het hoger beroep tegen het in de zaak met parketnummer 03-115498-25 gewezen vonnis (waarbij de verdachte tevens is vrijgesproken van het onder parketnummer 03-071299-25 tenlastegelegde feit) is bij het hof geregistreerd onder parketnummer
20-001792-25. Het hoger beroep tegen het in de zaak met parketnummer 03-248521-24 gewezen vonnis is bij het hof geregistreerd onder parketnummer 20-001793-25.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2026 de voeging van de zaken met parketnummers 20-001792-25 en 20-001793-25 bevolen, zodat het hof in hoger beroep één arrest wijst.
Beperkt appel
Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummers 03-115498-25 en 03-248521-24 is tenlastegelegd en derhalve niet gericht tegen de door de kinderrechter gegeven beslissing tot vrijspraak inzake parketnummer 03-071299-25 (en de daaraan verbonden niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding).
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft derhalve uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en – te dien aanzien opnieuw rechtdoende – bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd onder parketnummers 03-115498-25 en 03-248521-24 en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf, in de vorm van de leerstraf So-Cool Regulier, voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, en een geheel voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde zoals door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd in het rapport van 26 januari 2026.
De verdediging heeft primair:
 vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-115498-25 tenlastegelegde bepleit;
 zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot een bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 03-248521-24 tenlastegelegde en verzocht dit feit af te doen met een rechterlijk pardon ex artikel 9a Sr dan wel met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, met aftrek van voorarrest.
Subsidiair, in het geval van een veroordeling ter zake van beide parketnummers, is door de verdediging verzocht de strafoplegging te beperken tot de leerstraf So-Cool voor de duur van 40 uren en af te zien van oplegging (daarnaast) van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd om redenen van efficiëntie.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover thans nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
onder parketnummer 03-115498-25:hij op of omstreeks 3 april 2025 te Maastricht, althans in Nederland, openlijk, te weten in de parkeergarage [locatie] gelegen aan [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door
- meermalen een winkelkar tegen [slachtoffer] aan te duwen en/of te schoppen en/of,
- een pylon tegen [slachtoffer] te gooien en/of,
- meermalen met een bezemsteel en/of een blik met steel, althans harde lange voorwerpen, op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of,
- het geweld te filmen;
onder parketnummer 03-248521-24 (gevoegd):hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Maastricht, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie, te weten een Zwitsers zakmes, voorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-115498-25 en het in de zaak met parketnummer 03-248521-24 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
onder parketnummer 03-115498-25:hij op 3 april 2025 te Maastricht openlijk, te weten in de parkeergarage [locatie] gelegen aan [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door
- meermalen een winkelkar tegen [slachtoffer] aan te duwen en/of te schoppen en
- een pylon tegen [slachtoffer] te gooien en
- meermalen met een bezemsteel en/of een blik met steel, althans harde lange voorwerpen, op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te slaan en
- het geweld te filmen;
onder parketnummer 03-248521-24 (gevoegd):hij op 1 mei 2024 te Maastricht, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie, te weten een Zwitsers zakmes, voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van parketnummer 03-115498-25De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-115498-25 tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte naar de parkeergarage is gegaan om te filmen hoe een dakloos persoon zou worden gepest door de medeverdachten. De verdachte had niet verwacht dat het “uithalen van een grapje” zou uitmonden in geweld. De verdachte heeft op een afstand staan filmen, hij heeft stappen achteruit gezet en liet zijn telefoon zakken toen hij zag dat er geweld werd gebruikt. Hij heeft daar niet om gelachen en is enkele seconden later weggelopen. Door het enkele op afstand filmen van een gedeelte van het door de medeverdachten op de aangever toegepaste geweld heeft de verdachte niet een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan dat geweld geleverd en hij dient dan ook van het medeplegen daarvan te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de camerabeelden van het incident volgt dat de medeverdachten [medeverdachte 1] en
[medeverdachte 2] op 3 april 2025, omstreeks 01.00 uur, in de richting lopen van aangever [slachtoffer] , die in een hoek van de parkeergarage, tegen twee glazen wanden, op de grond ligt te slapen. [medeverdachte 2] heeft daarbij een verkeerspylon in zijn handen en [medeverdachte 1] haalt bij aankomst een bezemsteel uit de winkelwagen van [slachtoffer] en brengt deze boven zijn hoofd omhoog, daarbij kijkend in de richting van [slachtoffer] . Kort daarna is op de beelden te zien dat de verdachte naar de aangever en de medeverdachten toeloopt. Hij heeft een mobiele telefoon in zijn handen, gaat naast de medeverdachten staan nabij de voeten van [slachtoffer] en houdt zijn telefoon dan omhoog alsof hij aan het filmen is.
[medeverdachte 1] wijst vervolgens met de bezem in de richting van [slachtoffer] , waarbij hij de borstelkant dicht bij het hoofd van [slachtoffer] brengt, en [medeverdachte 2] houdt de pylon boven zijn schouder vast alsof hij deze naar [slachtoffer] gaat gooien. De verdachte zet dan, al filmend en (anders dan de verdediging heeft gesteld) met een lach op zijn gezicht, een aantal stappen naar achteren. Te zien is dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vervolgens meerdere intimiderende bewegingen maken naar [slachtoffer] met de bezem c.q. pylon, terwijl de verdachte dit lijkt te filmen met zijn telefoon.
Ongeveer een halve minuut later loopt de verdachte weer naar voren, ter hoogte van medeverdachte [medeverdachte 2] , kijkt in de richting van [slachtoffer] en maakt dan een opmerking en een handgebaar naar haar, terwijl hij zijn telefoon nog steeds in de andere hand vasthoudt. Daarna zet hij weer enkele stappen terug naar achteren.
Op de beelden is vervolgens te zien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] doorgaan met het maken van intimiderende bewegingen in de richting van [slachtoffer] . Op enig moment is te zien dat [medeverdachte 2] de pylon hoog boven zijn hoofd vasthoudt en vervolgens tegen [slachtoffer] aangooit, om daarna de winkelkar vast te pakken en deze met kracht tegen [slachtoffer] aan te duwen. Daarna schopt hij ook nog tweemaal tegen de winkelkar, waardoor deze uiteindelijk op [slachtoffer] valt. [medeverdachte 2] maakt vervolgens ook nog tweemaal een tuffende beweging in de richting van [slachtoffer] – hoewel niet in de tenlastelegging opgenomen, is dit naar het oordeel van het hof zeer vernederend en vies gedrag – en [medeverdachte 1] slaat vervolgens meermalen met de bezem op het hoofd van [slachtoffer] . Hierna lijkt de verdachte te stoppen met filmen, draait zich om en loopt weg (althans uit beeld).
[slachtoffer] wordt vervolgens nog een flink aantal keer door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op haar hoofd en tegen haar lichaam geslagen: [medeverdachte 1] gebruikt daarbij nog steeds dezelfde bezem, terwijl [medeverdachte 2] dat doet met een door hem van de grond opgeraapt opveegblik met steel. Daarna rennen zij weg en laten [slachtoffer] bloedend en schreeuwend achter.
Het hof overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte voornoemd geweld ook daadwerkelijk heeft gefilmd en vervolgens ook nog aan anderen heeft laten zien. [medeverdachte 2] heeft immers verklaard dat de verdachte het geweld heeft gefilmd omdat hij het “grappig” vond en dat de verdachte het filmpje volgens hem “gewoon [heeft] doorgestuurd” en [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het filmpje via de telefoon van de verdachte heeft gezien. De verklaring van de verdachte dat hij het filmpje direct van zijn telefoon heeft verwijderd, schuift het hof derhalve als ongeloofwaardig ter zijde.
Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verdachte met zijn handelen – te weten: het samen met de medeverdachten voor [slachtoffer] staan en in te sluiten zodat zij niet zomaar weg kon gaan, het filmen van een aanzienlijk deel van het door de medeverdachten gepleegde geweld, het lachend naar achteren lopen en het korte contact dat hij zelf met [slachtoffer] heeft gemaakt – een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de tenlastegelegde geweldshandelingen en dat zijn opzet daarop ook was gericht.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht het onder parketnummer 03-115498-25 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 03-115498-25 bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het in de zaak met parketnummer 03-248521-24 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld in vereniging tegen een (dakloos en weerloos) persoon. Hoewel de verdachte zelf geen fysiek geweld heeft gepleegd, heeft hij met zijn handelen significant bijgedragen aan het plegen van zinloos, intimiderend en ernstig geweld en daarmee aangetoond geen respect te hebben voor zijn medemens. Daarnaast heeft de verdachte – ongeveer een jaar eerder – een Zwitsers zakmes voorhanden gehad, terwijl het bezit daarvan (voor hem als minderjarige) verboden is. Het hof rekent de verdachte deze beide feiten aan.
Bij de straftoemeting heeft het hof acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het ‘Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht’ (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Volgens deze oriëntatiepunten geldt voor het plegen van openlijk geweld tegen personen door jeugdigen als uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 40 uren (dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie) en voor het voorhanden hebben van een steekwapen wordt een taakstraf voor de duur van 30 uren (dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie) als uitgangspunt genomen.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf ook acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 december 2025, niet eerder is veroordeeld en derhalve als ‘first offender’ dient te worden aangemerkt. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is wegens de op 25 september 2025 en 27 oktober 2025 aan de verdachte uitgevaardigde strafbeschikkingen (in het kader van verkeersovertredingen).
Ten slotte heeft het hof rekening gehouden op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader is door de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte afstand heeft genomen van zijn voormalige vrienden, dat hij graag weer naar school zou gaan en dat de tijd die de verdachte op het politiebureau heeft moeten verblijven veel indruk op hem heeft gemaakt.
Uit het meest recente adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 26 januari 2026, alsmede de daarop gegeven toelichting en aanvulling ter terechtzitting in hoger beroep door medewerkers van de jeugdreclassering en Bureau Jeugdzorg, volgt dat de verdachte en zijn familie in het kader van een Ondertoezichtstelling (OTS) veel hulpverlening ontvangt en dat binnenkort wordt gestart met Multi Systeem Therapie (MST) voor het hele gezin, teneinde te bewerkstelligen dat de kinderen het gezag van ouders weer gaan accepteren. De grootste zorg die men momenteel nog om de verdachte heeft is dat hij niet naar school gaat en dat de verdachte contact hieromtrent en hulp daarbij uit te weg gaat, waardoor het tot op heden niet is gelukt een passende school voor de verdachte te vinden. Daarnaast waren en zijn er zorgen over de sociale en cognitieve ontwikkeling van de verdachte. Om die reden wordt door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd om aan de verdachte een taakstraf, in de vorm van de leerstraf So-Cool voor de duur van 40 uren op te leggen. Deze gedragsinterventie is erop gericht de verdachte vaardigheden aan te leren waardoor zijn probleemoplossend vermogen en zijn eigenwaarde kunnen groeien. Daarnaast wordt door de Raad een voorwaardelijke werkstraf geadviseerd, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zal meewerken aan de hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht, ook als dit betekent medewerking verlenen aan diagnostiek.
Alles afwegende, acht het hof oplegging van de leerstaf So-Cool (Regulier) voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, en een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof zal aan het voorwaardelijke gedeelte van de werkstraf de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarde verbinden, te weten dat de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken met de noodzaak geachte hulpverlening, ook als dit betekent medewerking verlenen aan diagnostiek. Het hof zal Bureau Jeugdzorg Limburg (Maastricht) opdracht geven om hierop toezicht te houden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde straf(hoogte), laat staan met de door de verdediging verzochte strafoplegging, nu daarin de ernst van de bewezenverklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking komen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 54 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-115498-25 en in de zaak met parketnummer 03-248521-24 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 03-115498-25 en in de zaak met parketnummer 03-248521-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, te weten
So-Cool Regulier,voor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, voor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot
20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als
bijzondere voorwaardedat de verdachte meewerkt met de hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk vindt, ook als dit betekent meewerken met diagnostiek.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
 meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
 meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de Bureau Jeugdzorg Limburg (Maastricht) toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. M. van der Horst, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort en mr. K. Holleman, griffiers,
en op 6 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Van Duijn is buiten staat dit arrest mede te onderteken.