ECLI:NL:GHSHE:2026:635

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
20-001242-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor gebruik niet-toegestaan buitenlands kenteken op voertuig

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het laten rijden met een voertuig waarop een niet-toegestaan buitenlands kenteken was aangebracht. Hij stelde in hoger beroep dat hij handelde op advies van zijn verzekeringsmaatschappij en daarom vrijgesproken moest worden. Het hof verwierp dit verweer vanwege het ontbreken van bewijs en het feit dat de verdachte geen navraag had gedaan bij Nederlandse autoriteiten.

Het hof achtte bewezen dat de verdachte redelijkerwijs kon vermoeden dat het kenteken niet door de Nederlandse autoriteiten was afgegeven en dat het gebruik daarvan de handhaving van de verkeerswetgeving ondermijnde. Er was sprake van recidive, aangezien de verdachte eerder in België was veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De straf werd vastgesteld op een voorwaardelijke geldboete van €700, met een proeftijd van twee jaar, subsidiair 7 dagen hechtenis. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht, waarbij het onderzoek ter terechtzitting als volledig werd beoordeeld en de redelijke termijn niet was overschreden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €700, subsidiair 7 dagen hechtenis, wegens het gebruik van een niet-toegestaan buitenlands kenteken.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001242-25
Uitspraak : 4 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 24 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-277369-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 700,00, subsidiair 14 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
Door de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdachte heeft zich in de kern op het standpunt gesteld dat hij heeft vertrouwd op het advies dat hij heeft ingewonnen bij zijn verzekeringsmaatschappij en dat hij dienovereenkomstig heeft gehandeld. Aldus heeft de verdachte – naar het hof begrijpt – bepleit dat hij integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.
Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, is op 20 februari 2026 op de strafgriffie van het hof een brief van de verdachte d.d. 19 februari 2026, met bijlagen, binnengekomen. In reactie daarop heeft de advocaat-generaal op verzoek van het hof bij e-mailbericht d.d. 24 februari 2026 aan het hof laten weten dat het openbaar ministerie geen noodzaak ziet om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen.
Onder de beraadslaging is het hof niet gebleken dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 februari 2022 te Venlo, op de weg, Leutherweg, als eigenaar of houder een motorrijtuig, personenauto, heeft laten staan of daarmee over die weg heeft laten rijden, terwijl hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat op dat motorrijtuig een teken, te weten een kentekenplaat met kenteken [kenteken] was aangebracht dat, niet zijnde het/een ingevolge artikel 36 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig opgegeven kenteken, door kon gaan voor een zodanig kenteken, of dat teken te doen doorgaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken, of voor een met toepassing van artikel 37, derde lid, opgegeven (handelaars)kenteken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 februari 2022 te Venlo, op de weg, Leutherweg, als houder een motorrijtuig, personenauto, heeft laten staan terwijl hij redelijkerwijs kon vermoeden dat op dat motorrijtuig een teken, te weten een kentekenplaat met kenteken [kenteken] was aangebracht dat, niet zijnde een ingevolge artikel 36 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig opgegeven kenteken, door kon gaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ten overstaan van het hof te kennen gegeven dat hij via de rechtspersoon [bedrijf 1] een personenauto in Duitsland had gekocht en dat hij de personenauto via Nederland naar België wilde vervoeren. De verdachte heeft aangevoerd dat hij van tevoren advies heeft ingewonnen bij een medewerker van de Belgische verzekeringsmaatschappij [bedrijf 2] en dat diegene de verdachte heeft toegezegd dat hij in deze situatie een Belgische kentekenplaat, die op naam stond van [bedrijf 1] , mocht bevestigen op het voertuig, waarna de verdachte heeft vertrouwd op deze toezegging en dienovereenkomstig heeft gehandeld. Voorts heeft de verdachte te kennen gegeven dat hij in België vaker op deze wijze heeft gehandeld, hij niet wist dat deze handelswijze in Nederland niet is toegestaan, maar dat hij, mede gelet op de toezegging van de medewerker van de verzekeringsmaatschappij, in de veronderstelling was en ervan uit mocht gaan dat het toegestaan was om de Belgische kentekenplaat te bevestigen op de personenauto. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat de inbeslaggenomen auto en de inbeslaggenomen kentekenplaat nadien zijn vrijgegeven en dat hij deze goederen zonder problemen heeft kunnen ophalen, waardoor de verdachte heeft aangenomen dat de situatie in orde was. Aldus heeft de verdachte – naar het hof begrijpt – bepleit dat hij integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof acht de verklaring van de verdachte, inhoudende dat de verzekeringsmaatschappij heeft toegezegd dat de Belgische kentekenplaat onder deze omstandigheden mocht worden gebruikt op het voertuig, wat daar verder van zij, ongeloofwaardig en schuift deze verklaring dan ook terzijde. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verklaring van de verdachte omtrent de door de verzekeringsmaatschappij gedane toezegging op geen enkele wijze is onderbouwd. Zo heeft hij geen voor de hand liggende concrete en verifieerbare verklaring van de verzekeringsmaatschappij kunnen tonen waaruit blijkt dat het wettelijk geoorloofd is om in de onderhavige situatie (tijdelijk) te rijden met een Belgische kentekenplaat.
Bovendien is het hof van oordeel dat ook in het geval een medewerker van de Belgische verzekeringsmaatschappij een dergelijke uitlating zou hebben gedaan, dit nog niet betekent dat dan geen sprake is van een door de verdachte gepleegd strafbaar feit op grond van de Nederlandse wetgeving. Het had op de weg van de verdachte gelegen om hierover op zijn minst bij de Nederlandse autoriteiten te informeren teneinde daarover uitsluitsel te verkrijgen en hiervan is evenmin gebleken.
Voorts stelt het hof vast dat uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2025 volgt dat een eerdere overtreding door de verdachte van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d van de Wegenverkeerswet 1994 is geseponeerd wegens onvoldoende nationaal belang. Onder voornoemde omstandigheden kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte redelijkerwijs kon vermoeden dat op het motorrijtuig een kentekenplaat was aangebracht die niet door de autoriteiten voor dat motorrijtuig was afgegeven, door kon gaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdachte in al zijn onderdelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot dezelfde straf als die de politierechter heeft opgelegd. De verdachte heeft geen verweer met betrekking tot de straf gevoerd.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het laten staan van een motorrijtuig, terwijl hij redelijkerwijs kon vermoeden dat op dat motorrijtuig een kentekenplaat was aangebracht die niet door de autoriteiten voor dat motorrijtuig was afgegeven door kon gaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken. Door aldus te handelen heeft de verdachte de identificatie en de controle van het voertuig bemoeilijkt en zodoende de effectiviteit van de handhaving van de geldende verkeerswetgeving ondermijnd.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in Nederland weliswaar eerder is vervolgd maar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het European Criminal Records Information System (ECRIS) d.d. 1 oktober 2025 volgt tenslotte dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde in België reeds eerder in 2021 en in 2022 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit tegen de verkeerswetgeving, waaronder rijden met een niet-geregistreerd voertuig (“véhicle non immatriculé”). Derhalve is sprake van recidive.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het procesdossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij eigenaar is van een vastgoedbedrijf en dat hij daarmee voldoende inkomsten genereert om een eventueel op te leggen geldboete te kunnen voldoen.
Alles afwegende acht het hof, evenals de politierechter en de advocaat-generaal, een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 700,00, subsidiair 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Volledigheidshalve overweegt het hof dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in eerste aanleg niet is geschonden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit de verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen hem een strafvervolging in te stellen. De verdachte is niet in verzekering gesteld, zodat naar het oordeel van het hof de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling moet worden aangemerkt. De inleidende dagvaarding is betekend op 9 januari 2025 en de politierechter heeft uitspraak gedaan op 24 februari 2025, waardoor de termijn, die voor deze fase doorgaans op twee jaren wordt gesteld, niet is overschreden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 41 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 4 november 2022 onder
CJIB-nummer [CJIB-nummer] ;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 700,00 (zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis;
bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. M.J.A.E. Rijssenbeek, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers,
en op 4 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.J.A.E. Rijssenbeek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.