II. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ten overstaan van het hof te kennen gegeven dat hij via de rechtspersoon [bedrijf 1] een personenauto in Duitsland had gekocht en dat hij de personenauto via Nederland naar België wilde vervoeren. De verdachte heeft aangevoerd dat hij van tevoren advies heeft ingewonnen bij een medewerker van de Belgische verzekeringsmaatschappij [bedrijf 2] en dat diegene de verdachte heeft toegezegd dat hij in deze situatie een Belgische kentekenplaat, die op naam stond van [bedrijf 1] , mocht bevestigen op het voertuig, waarna de verdachte heeft vertrouwd op deze toezegging en dienovereenkomstig heeft gehandeld. Voorts heeft de verdachte te kennen gegeven dat hij in België vaker op deze wijze heeft gehandeld, hij niet wist dat deze handelswijze in Nederland niet is toegestaan, maar dat hij, mede gelet op de toezegging van de medewerker van de verzekeringsmaatschappij, in de veronderstelling was en ervan uit mocht gaan dat het toegestaan was om de Belgische kentekenplaat te bevestigen op de personenauto. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat de inbeslaggenomen auto en de inbeslaggenomen kentekenplaat nadien zijn vrijgegeven en dat hij deze goederen zonder problemen heeft kunnen ophalen, waardoor de verdachte heeft aangenomen dat de situatie in orde was. Aldus heeft de verdachte – naar het hof begrijpt – bepleit dat hij integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof acht de verklaring van de verdachte, inhoudende dat de verzekeringsmaatschappij heeft toegezegd dat de Belgische kentekenplaat onder deze omstandigheden mocht worden gebruikt op het voertuig, wat daar verder van zij, ongeloofwaardig en schuift deze verklaring dan ook terzijde. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verklaring van de verdachte omtrent de door de verzekeringsmaatschappij gedane toezegging op geen enkele wijze is onderbouwd. Zo heeft hij geen voor de hand liggende concrete en verifieerbare verklaring van de verzekeringsmaatschappij kunnen tonen waaruit blijkt dat het wettelijk geoorloofd is om in de onderhavige situatie (tijdelijk) te rijden met een Belgische kentekenplaat.
Bovendien is het hof van oordeel dat ook in het geval een medewerker van de Belgische verzekeringsmaatschappij een dergelijke uitlating zou hebben gedaan, dit nog niet betekent dat dan geen sprake is van een door de verdachte gepleegd strafbaar feit op grond van de Nederlandse wetgeving. Het had op de weg van de verdachte gelegen om hierover op zijn minst bij de Nederlandse autoriteiten te informeren teneinde daarover uitsluitsel te verkrijgen en hiervan is evenmin gebleken.
Voorts stelt het hof vast dat uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2025 volgt dat een eerdere overtreding door de verdachte van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d van de Wegenverkeerswet 1994 is geseponeerd wegens onvoldoende nationaal belang. Onder voornoemde omstandigheden kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte redelijkerwijs kon vermoeden dat op het motorrijtuig een kentekenplaat was aangebracht die niet door de autoriteiten voor dat motorrijtuig was afgegeven, door kon gaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdachte in al zijn onderdelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot dezelfde straf als die de politierechter heeft opgelegd. De verdachte heeft geen verweer met betrekking tot de straf gevoerd.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het laten staan van een motorrijtuig, terwijl hij redelijkerwijs kon vermoeden dat op dat motorrijtuig een kentekenplaat was aangebracht die niet door de autoriteiten voor dat motorrijtuig was afgegeven door kon gaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken. Door aldus te handelen heeft de verdachte de identificatie en de controle van het voertuig bemoeilijkt en zodoende de effectiviteit van de handhaving van de geldende verkeerswetgeving ondermijnd.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in Nederland weliswaar eerder is vervolgd maar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het European Criminal Records Information System (ECRIS) d.d. 1 oktober 2025 volgt tenslotte dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde in België reeds eerder in 2021 en in 2022 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit tegen de verkeerswetgeving, waaronder rijden met een niet-geregistreerd voertuig (“véhicle non immatriculé”). Derhalve is sprake van recidive.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het procesdossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij eigenaar is van een vastgoedbedrijf en dat hij daarmee voldoende inkomsten genereert om een eventueel op te leggen geldboete te kunnen voldoen.
Alles afwegende acht het hof, evenals de politierechter en de advocaat-generaal, een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 700,00, subsidiair 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Volledigheidshalve overweegt het hof dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in eerste aanleg niet is geschonden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit de verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen hem een strafvervolging in te stellen. De verdachte is niet in verzekering gesteld, zodat naar het oordeel van het hof de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling moet worden aangemerkt. De inleidende dagvaarding is betekend op 9 januari 2025 en de politierechter heeft uitspraak gedaan op 24 februari 2025, waardoor de termijn, die voor deze fase doorgaans op twee jaren wordt gesteld, niet is overschreden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 41 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.