In deze zaak stond de ontnemingsvordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht centraal, waarbij betrokkene werd verdacht van het als intermediair actief zijn in de hennephandel. De rechtbank Limburg had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 71.562,86 en een betalingsverplichting opgelegd.
Het hof heeft het bewijs opnieuw gewogen, waarbij het aannemelijk achtte dat slechts tweederde van de in sms-gesprekken genoemde transacties daadwerkelijk tot henneplevering heeft geleid. Op basis hiervan en de gemiddelde verdiensten per kilogram hennep en per hennepplantje, stelde het hof het voordeel vast op € 22.215, minus een telefoonkostenpost van € 28, resulterend in € 22.215.
De rechtbank en advocaat-generaal hadden een extrapolatie toegepast over een langere periode, maar het hof verwierp deze extrapolatie omdat de referentieperiode niet representatief was voor de gehele onderzoeksperiode. Hierdoor werd het voordeel niet verder verhoogd.
Verder constateerde het hof een overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep, waardoor het voordeel met 10% werd gematigd tot een betalingsverplichting van € 19.993. Tevens bepaalde het hof de maximale duur van de gijzeling op 399 dagen, conform de wettelijke voorschriften.
Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze aangepaste vaststellingen en verplichtingen.