Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte] ,
- de kwalificatie van het bewezenverklaarde en
- de opgelegde straf.
- De verdachte is in zijn verklaringen niet consistent. Hij heeft wisselend verklaard over hoe zijn DNA op het clownsmasker zou kunnen zijn gekomen. Zo heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in 2023 bij een Halloweenfeestje op een terras in Den Haag een dergelijk masker van iemand kreeg, het enige tijd op heeft gehad en weer terug heeft gegeven. Bij de politie was hij echter veel minder stellig over de gelegenheid: “Halloween of zo, Ik weet het niet. Van de [bedrijf] (het hof begrijpt de [bedrijf] ) denk ik. Die verkoopt die.” Bij de rechter-commissaris heeft hij dan weer verklaard dat hij zich tijdens Halloween een keer als clown heeft verkleed (en dus niet dat hij het enkel even heeft opgehad) en dat zijn DNA er wellicht in de winkel op kan zijn gekomen, hetgeen suggereert dat hij een dergelijk masker zelf zou hebben gekocht. Het hof acht de verklaring van de verdachte daarom weinig geloofwaardig.
- De verdachte is in zijn verklaringen niet gedetailleerd. Zijn verklaringen zijn weinig concreet, missen elke mogelijke verankering en vinden geen steun in ander bewijsmateriaal.
- De verdachte geeft geen uitsluitsel over de vraag of het desbetreffende clownsmasker überhaupt hetzelfde masker betreft als het masker dat hij met Halloween zou hebben gedragen. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij niet weet of het om hetzelfde masker gaat, enkel dat het erop lijkt.
- Tussen Halloween 2023 en het tenlastegelegde zijn ongeveer drie en een halve maand verstreken. Het hof acht het minstgenomen twijfelachtig dat zo lang na dato nog een DNA-hoofdprofiel behouden zal zijn gebleven op het masker.
- Van andere omstandigheden waardoor het DNA van de verdachte, anders dan tijdens de inbraak, op het clownsmasker kan zijn terechtgekomen, is voorts niet gebleken.
Alles afwegend, acht de rechtbank voor het bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden.”) en vult deze aan met het navolgende.
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
16 (zestien) maanden.
4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
gevangenisstrafvoor de duur van
35 (vijfendertig) dagen.