Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:584

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
20-001124-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf voor ontuchtige handelingen met minderjarige kleindochter

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin verdachte werd veroordeeld voor ontuchtige handelingen met een minderjarige kleindochter. De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf maanden op, waarvan twee voorwaardelijk, met een contactverbod en een schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep heeft het hof de bewijsmiddelen van de rechtbank grotendeels overgenomen en aangevuld met verklaringen van verdachte en getuigen, alsmede whatsapp-berichten die de spijtbetuigingen van verdachte tonen. Het hof acht het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn kleindochter seksueel heeft betast, waarbij het ontuchtige karakter van de handelingen onomstreden is.

De verdediging voerde aan dat de aanrakingen onbedoeld waren en dat het ontuchtige karakter ontbrak, maar het hof verwierp deze verweren op grond van de verklaringen van het slachtoffer en ondersteunend bewijs. Het hof bevestigde de strafmaat van de rechtbank, mede vanwege het gebrek aan verantwoordelijkheid en het grote impact op het slachtoffer.

Het arrest werd uitgesproken op 3 maart 2026 door mr. M.M. Koevoets, mr. J.J. Peters en mr. J.C. Gillesse, waarbij mr. Koevoets niet medeondertekende wegens afwezigheid.

Uitkomst: Het hof bevestigt de gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan twee voorwaardelijk, wegens ontuchtige handelingen met een minderjarige kleindochter.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001124-25
Uitspraak : 3 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-169560-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarde een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer] . Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen [1]
Het hof neemt de eerste vijf bewijsmiddelen van de rechtbank over en bezigt deze tot het bewijs.
Het hof vervangt het zesde en laatste bewijsmiddel, zijnde de verklaring van de verdachte van 20 juni 2023 (doorgenummerde dossierpagina’s 86 e.v.), door het volgende:
In de periode 12 tot en met 19 augustus 2022 verbleef mijn dochter [getuige 1] met haar partner en dochter, mijn kleinkind [slachtoffer] , in een huisje op een [vakantiepark] in Schaijk, Brabant. Ik sliep daar een nacht. Ik sliep toen alleen met [slachtoffer] op de slaapkamer. Ik heb mijn matras naast die van [slachtoffer] gelegd.
In de nacht van maandag 15 augustus 2022 op dinsdag 16 augustus 2022 heb ik een gesprek gehad met mijn dochter. Ze zei dat ik haar dochter had aangeraakt en ik zei dat het zo was. Begin september 2022 heeft er een gesprek plaatsgevonden in de woning waar ik toen verbleef. Daar waren [betrokkene] en zijn vriendin en [getuige 2] aanwezig. Ik heb toen gezegd dat ik mijn kleindochter had aangeraakt. Ik heb toen het woord seksueel misbruik laten vallen. De vrouw van [betrokkene] vroeg toen aan mij wie ik misbruikt had. Toen zei ik dat ik mijn kleindochter heb aangeraakt.
Voorts voegt het hof de volgende twee bewijsmiddelen aan bovengenoemde bewijsmiddelen toe:
a.
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2023 met als bijlagen screenshots van whatsapp-berichten tussen aangever [slachtoffer] en de verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 18 tot en met 21, voor zover inhoudende:
11:56 (het hof begrijpt: aangever) Zie je echt in wat je haar (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) en ons hiermee hebt aangedaan?
13:07 (het hof begrijpt: verdachte) Ja en dit wil ik niet elke dag intense pijn en verdriet... Daarom hulp gezocht
[…]
(het hof begrijpt: verdachte) Heb heel veel spijt en verdriet naar [slachtoffer] en de familie. Heb nu ook professionele hulp in de hand genomen bij een trauma arts. […]
b.
Het geschrift, zijnde bijlage 1 bij het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 15 mei 2023, doorgenummerde dossierpagina 72, zijnde een geprint whatsapp-gesprek tussen de getuige en de verdachte, voor zover inhoudende:
[1-9-2022 09:05] [getuige 2] : hi [verdachte] , […] Gisteren geen enkele empathie met betrekking tot je kleinkind. Wat heb je haar aangedaan! Zij zal de rest van haar leven hiermee moeten dealen zowel psychisch als lichamelijk. Ik ben gisteren heel erg geschrokken. […]
[1-9-2022 12:37] [verdachte] : [getuige 2] je weet niet hoeveel spijt en verdriet en pijn en ik dit zeker ook aan [getuige 1] heb verteld en de verantwoordelijkheid ervoor neem.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Aanvulling en verbetering van de bewijsoverwegingen
Het hof schaart zich achter de bewijsoverwegingen van de rechtbank in het kopje “
Juridisch kader”. De daarop volgende door de rechtbank gebezigde bewijsoverwegingen (vanaf het kopje “
De betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer”) vervangt het hof door het hierna volgende.
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte het slachtoffer slechts een knuffel heeft gegeven waarbij hij wellicht de billen heeft aangeraakt, maar niet met een bedoeling die in strijd zou zijn met de sociaal-ethische norm. Dat het slachtoffer dit heeft opgevat zoals ze heeft gedaan, kan zo zijn, maar er is onvoldoende ondersteunend bewijs dat er iets anders is gebeurd dan hetgeen de verdachte heeft verklaard. De verdachte ontkent zijn ‘bekentenis’ tegenover de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] en de ondersteunende verklaring van de moeder is onvoldoende om tot wettig en overtuigend bewijs te komen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het slachtoffer heeft tijdens het studioverhoor – kort samengevat – verklaard dat verdachte met zijn vingers haar vagina heeft aangeraakt en over haar vagina heeft gewreven, haar kusjes op haar rug heeft gegeven en haar daarbij “mijn schatje” heeft genoemd. De verdediging heeft de betrouwbaarheid van deze verklaring in hoger beroep niet betwist.
De verklaring van het slachtoffer wordt ondersteund door de volgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien:
  • De verklaring van de getuige [getuige 1] , zijnde de moeder van het slachtoffer, over de door haar kort na het gebeurde waargenomen emoties bij het slachtoffer en haar reactie toen zij op dat moment met de verdachte werd geconfronteerd. De verdediging heeft de betrouwbaarheid van deze verklaring in hoger beroep evenmin betwist.
  • De whatsapp-berichten tussen aangever [slachtoffer] en de verdachte, zoals hierboven onder bewijsmiddel a. weergegeven.
  • De verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] , alsmede de whatsapp-berichten tussen de getuige [getuige 2] en de verdachte, zoals hierboven onder bewijsmiddel b. weergegeven.
Naar het oordeel van het hof passen de door de verdachte gegeven reacties dat hij begrijpt hoeveel verdriet hij heeft veroorzaakt, dat hij daar spijt van heeft, verantwoordelijkheid zal nemen en hulp zal zoeken, niet bij zijn verklaring dat er enkel sprake is geweest van een terloopse aanraking die per ongeluk is geweest en door zijn negenjarige kleindochter verkeerd zouden zijn opgevat.
Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] onbetrouwbaar zouden zijn. Daartoe is aangevoerd:
  • De verklaring van de getuige [getuige 3] bevat een inconsistentie met betrekking tot de aan- of afwezigheid van haar partner [betrokkene] .
  • De verklaring van de getuige [getuige 2] zou zijn ingegeven door sensatiezucht.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt:
  • Daargelaten of het in casu daadwerkelijk om een inconsistentie in de verklaring van de getuige [getuige 3] gaat, acht het hof deze van ondergeschikte aard. In de kern is haar verklaring consistent en gedetailleerd en vindt deze steun in de andere bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden deze verklaring onbetrouwbaar te achten.
  • Wat er ook zij van de vraag of aan de zijde van de getuige [getuige 2] sprake was van sensatiezucht, zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen en met name in het tussen hem en de verdachte gevoerde whatsappgesprek. Het hof acht de verklaring voor zover tot het bewijs gebezigd daarom betrouwbaar.
Het verweer wordt mitsdien verworpen.
Gelet op de hierboven opgesomde bewijsmiddelen, bezien in onderling verband met elkaar en hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde zoals bewezenverklaard door de rechtbank.
De verklaring van de verdachte dat hij enkel per ongeluk de billen van het slachtoffer heeft aangeraakt, acht het hof gelet op het vorenstaande ongeloofwaardig.
Het ontuchtige karakter van de feiten.
De raadsman heeft betoogd dat het ontuchtige karakter van een deel van de tenlastegelegde handelingen ontbreekt.
Evenals de rechtbank overweegt het hof dat met ontuchtige handelingen in de zin van het Wetboek van Strafrecht handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm worden bedoeld. De beoordeling of een handeling als zodanig kan worden gekwalificeerd, hangt af van de aard van de gedraging en de omstandigheden van het geval.
Het hof is van oordeel dat het betasten van en wrijven over de vagina, althans de schaamstreek zonder meer als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. Verder is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde handelingen in hun onderlinge samenhang moeten worden beschouwd en dat daarbij eveneens van belang is dat het slachtoffer ten tijde
van het gebeurde negen jaar oud was en dat de verdachte haar grootvader is. Gelet op het vorenstaande acht het hof alle bewezenverklaarde handelingen in strijd met de sociaal-ethische norm en kunnen deze als ontuchtig worden gekwalificeerd. Het verweer slaagt dus niet.
Aanvullende strafmaatoverwegingen
Het hof schaart zich achter de overwegingen van de rechtbank in het hoofdstuk “Oplegging van straf” in het vonnis en vult deze aan met het navolgende.
Ook in hoger beroep heeft de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen door openheid van zaken te geven. Hij heeft enkel volstaan met het ontkennen van de gepleegde feiten, zonder daar verder op in te willen gaan. Voorts is in hoger beroep eens te meer duidelijk geworden dat de impact op het slachtoffer groot is geweest. Niet is gebleken dat de verdachte stappen heeft ondernomen om een deel van die impact weg te nemen. Het hof neemt dat de verdachte kwalijk. Om die reden ziet het hof geen reden de verdachte tot een andere of lichtere straf te veroordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
Het hof herstelt een kennelijke verschrijving op pagina 5 van het vonnis, in de derde alinea, waar de rechtbank ten onrechte de datum 6 april 2023 heeft opgenomen in de zinsnede “
De rechtbank is van oordeel dat de tijd die is verstreken tussen het verhoor van verdachte op 6 april 2023[…]”. Deze datum dient te worden vervangen door de datum
20 juni 2023.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigthet vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. M.M. Koevoets, voorzitter,
mr. J.J. Peters en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,
en op 3 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. M.M. Koevoets is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Afkomstig uit het dossier van politie, eenheid Oost-Brabant, Team zeden, proces-verbaalnummer PL0900-2022250605/PL2100-2022239572, afgesloten op 5 juli 2023.