ECLI:NL:GHSHE:2026:546

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
20-000492-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 63 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep zware mishandeling met blijvend oogletsel en contactverbod

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor zware mishandeling van de aangever, waarbij deze ernstig en blijvend letsel aan het gezicht en oog heeft opgelopen. De mishandeling vond plaats in de woning van de verdachte, waarbij de verdachte de aangever met een vuist in het gezicht sloeg, wat leidde tot een verbrijzelde oogkas, een gebroken jukbeen en multifragmentair aangezichtsletsel.

De verdachte voerde verweren aan zoals noodweer en ontkende het zware letsel te hebben veroorzaakt, maar het hof verwierp deze verweren op grond van de medische stukken, getuigenverklaringen en de ernst van het letsel. Het hof oordeelde dat het letsel met opzet is toegebracht en dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof legde een gevangenisstraf van 6 maanden op en een contact- en locatieverbod van 3 jaar met vervangende hechtenis bij overtreding. Tevens werd de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelde partij van in totaal €9.902,62, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering werd deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard, waarbij het niet-toegekende deel bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, 3 jaar contact- en locatieverbod en schadevergoeding van €9.902,62.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000492-25
Uitspraak : 29 januari 2026
TEGENSPRAAK (art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-311154-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1976,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘
zware mishandeling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Voorts heeft de politierechter een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd aan de verdachte, inhoudende een contactverbod ten aanzien van aangever [slachtoffer] en een locatieverbod ten aanzien van de wijk [locatie] in de gemeente Kerkrade, met toepassing van vervangende hechtenis voor een duur van ten hoogste 3 dagen voor iedere keer dat verdachte niet aan deze maatregel voldoet, met een maximum van 4 maanden in totaal. De politierechter heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen.
De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 7.902,62, bestaande uit € 2.902,62 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in diens vordering. Ten slotte is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en is de verdachte veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van de benadeelde partij, tot datum vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, dat het hof het vonnis in zoverre zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, eenzelfde contact- en locatieverbod ten behoeve van aangever [slachtoffer] zal opleggen als de politierechter heeft gedaan, doch voor de duur van 3 jaren, en de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen.
Door de raadsman van verdachte is primair bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging. Subsidiair is door de raadsman bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en het zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende bij het subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van een bewezenverklaring van eenvoudige mishandeling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman primair bepleit dat het hof deze niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair heeft de raadsman verzocht om het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding te matigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering van de gronden waarop het vonnis berust, en met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Het hof zal de bewijsoverweging vervangen en de overweging met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte aanvullen op de wijze als hierna vermeld.
Verbetering van de bewijsoverweging
In hoger beroep is door de raadsman een verweer strekkend tot partiële vrijspraak gevoerd. Daartoe is aangevoerd dat – naar het hof begrijpt – het onzeker is hoe het bij aangever [slachtoffer] geconstateerde letsel is veroorzaakt. Op grond van de verklaring van verdachte zou dit letsel niet zijn toegebracht door de enkele klap met de vlakke hand die verdachte heeft uitgedeeld. Bovendien laten de medische stukken in het procesdossier ruimte voor twijfel over de verklaring van aangever [slachtoffer] , aangezien hij zou lijden aan het syndroom van Münchhausen, waardoor niet uit te sluiten valt dat hij zichzelf het letsel heeft toegebracht. Ten slotte is er geen bloed aangetroffen door de politie op de handen van verdachte of in diens woning, terwijl de (zware) mishandeling die daar zou hebben plaatsgevonden wel dergelijke sporen achtergelaten zou moeten hebben. Om die redenen kan slechts eenvoudige mishandeling wettig en overtuigend bewezen worden, als gevolg waarvan de verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde zware mishandeling, en hij partieel dient te worden vrijgesproken van het zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende bij de subsidiair tenlastegelegde mishandeling.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de stukken in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, komt naar voren dat aangever [slachtoffer] op 10 september 2024 op verzoek van verdachte naar diens woning aan [adres 2] is gegaan om hem te assisteren met de cv-ketel. Verdachte vermoedde dat [slachtoffer] in zijn wifi zat en confronteerde [slachtoffer] daarmee. [slachtoffer] verklaart dat hij vervolgens door een zwaaiende beweging van de arm van de verdachte aan de achterkant van zijn nek is geraakt en hij, aangekomen in de gang van de woning, toen hij in de deuropening stond, van de verdachte met diens hand een rechte stoot kreeg waardoor hij op de grond viel en hevige pijn voelde aan de hele rechterkant van zijn gezicht. Getuige [getuige] , de partner van [slachtoffer] , trof hem bloedend en kruipend aan buiten hun woning. Op een later moment is bij [slachtoffer] een verbrijzelde oogkas, een gebroken jukbeen en multifragmentair aangezichtsletsel geconstateerd.
Door de aangever en de verdachte zijn lezingen van de gebeurtenissen in de woning gegeven die tegenstrijdig met elkaar zijn. De verdachte heeft verklaard [slachtoffer] slechts een enkele maal met de vlakke hand te hebben geslagen – uit zelfverdediging en als reactie op een klap die hij van [slachtoffer] kreeg – en beweert het geconstateerde letsel niet te hebben veroorzaakt. Daartegenover staat de verklaring van aangever [slachtoffer] , die inhoudt dat hij zonder aanleiding tweemaal geslagen is door verdachte, en waarbij de laatste klap het geconstateerde letsel heeft veroorzaakt.
Het hof acht de verklaring van verdachte, inhoudende dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel is toegebracht op andere wijze dan door zijn toedoen – derhalve nádat [slachtoffer] geslagen was door verdachte en vóórdat [slachtoffer] vervolgens kruipend naar zijn naastgelegen woning, door zijn echtgenote, met een dik oog en een bebloede mond bij de voordeur werd aangetroffen – ongeloofwaardig. Het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel is dermate ernstig dat het hof van oordeel is dat dit letsel – mede gelet op de bekentenis van het slaan met de vlakke hand en de, zo begrijpt het hof, daarmee verband houdende ontkenning van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – niet is veroorzaakt door het slaan met de vlakke hand. Het hof gaat uit van de lezing van het gebeurde van [slachtoffer] , die heeft verklaard dat hij niet alleen in de woonkamer met een gebalde hand achter in zijn nek is geraakt, maar ook dat hij in de deuropening, bij het verlaten van de woning van de verdachte, met een vuist op zijn gezicht is geslagen. Ten gevolge hiervan is aangever op de grond gevallen en voelde deze hevige pijn aan de rechterkant van het gezicht en is zijn neus gaan bloeden. De stoot met de vuist in het gezicht, het letsel dat in de medische stukken staat beschreven en het bloed dat daarbij is vrijgekomen, laten zich goed verklaren door dit door de aangever beschreven geweld in de deuropening. Een klap in de nek, daarentegen, kan het bewezenverklaarde letsel (een gebroken oogkas, een gebroken junkbeen en oogletsel) niet verklaren.
Het feit dat er geen bloedsporen zijn aangetroffen op de handen of in de woning van de verdachte maakt de verklaring van aangever niet minder geloofwaardig. De bloedneus en het bloed uit de mond van aangever behoeven naar het oordeel van het hof niet noodzakelijkerwijs sporen op de handen van de verdachte of in de woning van de verdachte te hebben achtergelaten. Indien over sporen van bloed niet in een proces-verbaal wordt gerelateerd, betekent dit nog niet dat er dus geen sprake was van (een of meer) bloed(sporen). Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat eventuele bloedsporen voor de komst van de politie zijn verwijderd. Kortom, het niet aantreffen van bloedsporen of het daarover niet relateren dwingt nog niet tot de conclusie dat er bij het door verdachte uitgeoefende geweld geen bloed is vrijgekomen.
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat het bij aangever geconstateerde letsel door verdachte is veroorzaakt. Voorts ziet het hof zich gesteld voor de vraag of dit letsel gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel.
Blijkens de medische informatie in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting was er bij aangever sprake van een verbrijzelde oogkas, een gebroken jukbeen en multifragmentair aangezichtsletsel. Aangever heeft, als gevolg van het opzwellen van zijn netvlies, schedel en oogkas, permanent zichtverlies in het rechteroog en kan slechts 1 á 2 meter voor zich uitzien. Zijn traanbuis werkt niet goed meer en dit veroorzaakt een branderig gevoel in het oog. Middels een chirurgische ingreep zijn er platen aangebracht in het hoofd van aangever om de botbreuken te laten herstellen. Deze zullen niet meer worden verwijderd.
Met inachtneming van het voren overwogene is het hof van oordeel dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, gelet op het feit dat er bij aangever sprake was van ernstig letsel aan meerdere gezichtsdelen, zowel aan het oog, het jukbeen en het gezicht, en in het bijzonder gelet op de aard, de blijvende duur van het oogletsel en de daarmee samenhangende langdurige klachten die aangever dagelijks zal blijven ondervinden, alsmede de noodzaak tot operatief ingrijpen ter herstel van de botbreuken in het hoofd.
Naar het oordeel van het hof heeft verdachte ook het voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Door met (zeer) veel kracht, in ieder geval met de voor dit letsel benodigde kracht, in het gezicht van aangever te slaan – een bij uitstek kwetsbaar onderdeel van het lichaam – heeft verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden wordt het (partiële) vrijspraakverweer van de verdediging in al zijn onderdelen verworpen en acht het hof – evenals de politierechter en met de advocaat-generaal – de primair tenlastegelegde zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Verweren ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte
In hoger beroep is door de raadsman van verdachte een noodweerverweer gevoerd en is bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij door [slachtoffer] werd aangevallen in zijn eigen woning. Verdachte mocht zich verdedigen tegen deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, die in zijn eigen woning plaatsvond, en dat heeft hij gedaan middels het geven van een enkele klap met de vlakke hand.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de door de politierechter gebezigde en de door het hof overgenomen bewijsmiddelen in samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de lezing van de verdachte dat hij zich in een noodweersituatie bevond niet aannemelijk is geworden. Het handelen van de verdachte kan in de kern als aanvallend worden aangemerkt. Het bewezenverklaarde vond bovendien plaats op het moment dat de aangever de woning van de verdachte wilde verlaten. Het hof verwerpt dan ook het verweer.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van aangever. Verdachte heeft aangever, naar het hof aanneemt met een smoes, naar zijn woning gevraagd en hem vervolgens ervan beticht dat de aangever in zijn wifi zat. Toen hierover een discussie ontstond, heeft verdachte aangever met een vuist in het gezicht geslagen. Als gevolg hiervan heeft aangever zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een verbrijzelde oogkas, een gebroken jukbeen en multifragmentair aangezichtsletsel. Hierdoor was operatief ingrijpen nodig, heeft aangever permanent zichtverlies in het rechteroog opgelopen en ondervindt hij daarvan nog dagelijks klachten. Door aldus te handelen heeft de verdachte laten blijken geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van aangever. Het hof rekent de verdachte zeer aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 oktober 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte.
Het hof heeft eveneens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Alles overwegende is het hof – met de advocaat-generaal en de politierechter – van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor een aanzienlijke duur met zich brengt. Het hof zal de verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Voorts zal het hof – evenals de politierechter – een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr opleggen aan de verdachte, inhoudende dat verdachte zich onthoudt van contact met aangever [slachtoffer] en dat verdachte zich niet zal begeven in de wijk [locatie] van de gemeente Kerkrade, zijnde de woonplaats van verdachte. Het hof ziet aanleiding om – anders dan de politierechter, doch conform de vordering van de advocaat-generaal – deze maatregel op te leggen voor een duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde maatregel ex artikel 38v Sr. Het hof zal tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van de opgelegde maatregel ex artikel 38v Sr bevelen. Naar het oordeel van het hof dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens de aangever.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.402,62, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 2.902,62 aan materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade.
De materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten.
Reiskosten t.b.v. medische of andere behandelingen € 218,00
Parkeerkosten bij ziekenhuis € 15,39
Daggeldvergoeding ziekenhuis € 35,00
Eigen risico zorgverzekering € 770,00
Abonnement beveiligingscamera’s á € 10,- per maand € 120,00
Aanschaf camera’s en SD-kaart € 165,96
Kosten verhogen schutting € 277,90
Niet vergoede kosten apotheek € 8,85
Kosten opvragen medische verklaringen € 35,92
Vlucht naar Duitsland € 200,00
Hulp in de huishouding € 1.055,60
Totaal € 2.902,62
De politierechter heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.902,62, met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De raadsman van verdachte heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding in verband met de door hem bepleite ontslag van alle rechtsvervolging dan wel partiële vrijspraak van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het hof het toe te kennen bedrag ten aanzien van de immateriële schade zal matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes primair bewezenverklaarde handelen rechtstreekse materiële en immateriële schade heeft geleden.
De materiële schade
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen acht het hof genoegzaam komen vast te staan dat het slachtoffer schade heeft geleden als gevolg van voormelde zware mishandeling door verdachte. De benadeelde partij heeft € 2.902,62 aan kosten gemaakt ten aanzien van de voormelde posten. Ter zake daarvan zijn facturen dan wel bewijsstukken in het dossier gevoegd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
De immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van de bewezenverklaarde zware mishandeling pijn en lichamelijk letsel heeft bekomen en daarmee in zijn persoon is aangetast. Het hof is van oordeel dat het gestelde letsel dat door het bewezenverklaarde handelen is opgetreden, de benadeelde partij recht geeft op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot een deel van de hierdoor ontstane immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 7.000,00. Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking het ingrijpende zwaar lichamelijk letsel aan meerdere gezichtsdelen, zowel aan het oog, het jukbeen en het aangezicht, alsmede de aard, de blijvende duur van het oogletsel, de daarmee samenhangende langdurige klachten die aangever op dagelijkse basis zal blijven ondervinden en ten slotte de noodzaak tot operatief ingrijpen. Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in het niet toegewezen deel van de vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024, ten aanzien van de immateriële schade, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, en ten aanzien van de materiële schade, die op verschillende momenten is ontstaan, bij wijze van moderatie daarom vanaf het moment van indiening van de vordering, te weten vanaf 28 januari 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de kosten van het geding aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 9.902,62. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 74 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij, en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
legt op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidinhoudende dat de veroordeelde voor de duur van
3 jaren: (i) zich onthoudt van – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1970; en (ii) zich niet zal ophouden in het navolgende gebied: de wijk [locatie] van de gemeente Kerkrade;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
beveelt dat de voornoemde opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van het door de rechtbank opgelegde contact- en gebiedsverbod;
beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht;
beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 9.902,62 (negenduizend negenhonderdtwee euro en tweeënzestig cent) bestaande uit € 2.902,62 (tweeduizend negenhonderdtwee euro en tweeënzestig cent) materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening;
verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.902,62 (negenduizend negenhonderdtwee euro en tweeënzestig cent) bestaande uit € 2.902,62 (tweeduizend negenhonderdtwee euro en tweeënzestig cent) materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 74 (vierenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 september 2024 en voor de materiële schade op 28 januari 2025;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het voren overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. A.C. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.F. Jansen en mr. A.D. van Zaalen, griffiers,
en op 29 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.