Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:545

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
20-003494-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vrijspraak wegens opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs

In hoger beroep tegen de vrijspraak van de rechtbank Limburg heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis vernietigd en de verdachte veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden heroïne en cocaïne op een woonboot in Maastricht.

De zaak draaide om een video aangetroffen op een telefoon van een medeverdachte, waarop een persoon met beschermende uitrusting te zien is die op het punt staat drugs te bewerken. De verdachte werd door twee verbalisanten herkend op de beelden, en DNA-onderzoek bevestigde zijn contact met een masker dat op de locatie werd gevonden. De verdachte ontkende de herkenning, maar het hof achtte het bewijs overtuigend.

De verdachte had een strafrechtelijk verleden in België voor soortgelijke feiten. Ondanks een positieve persoonlijke ontwikkeling en werk sinds juni 2025, achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De opgelegde straf bedraagt 24 maanden met aftrek van voorarrest. De redelijke termijn is overschreden, maar dit is niet aan het hof toe te rekenen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk aanwezig hebben van circa 17 kilo heroïne en 1 kilo cocaïne.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003494-23
Uitspraak : 28 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-081837-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Daarnaast is het beroepen vonnis niet te verenigen met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 november 2022 in de gemeente Maastricht,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ( ongeveer) 550,89 gram heroïne (netto) en/of 1375,91 gram heroïne (netto) en/of 201,58 gram heroïne (bruto) en/of 34,46 gram heroïne (netto) en/of 352,17 gram heroïne (netto) en/of 196,49 gram heroïne (netto) en/of 9174 gram heroïne (bruto) en/of 2874,22 gram heroïne (bruto) en/of 51,75 gram heroïne (netto) en/of 281,97 gram heroïne (netto) en/of 696,21 gram heroïne (netto) en/of 2011,58 gram heroïne (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of
- ( ongeveer) 460,79 gram cocaïne (netto) en/of 518,07 gram cocaïne (bruto) en/of 15,67 gram cocaïne (netto) en/of 6,32 gram cocaïne (netto) en/of 18,62 gram cocaïne (netto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde heroïne en/of cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 20 november 2022 in de gemeente Maastricht,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ( ongeveer) 550,89 gram heroïne (netto) en 1375,91 gram heroïne (netto) en 201,58 gram heroïne (bruto) en 34,46 gram heroïne (netto) en 352,17 gram heroïne (netto) en 196,49 gram heroïne (netto) en 9174 gram heroïne (bruto) en 2874,22 gram heroïne (bruto) en 51,75 gram heroïne (netto) en 281,97 gram heroïne (netto) en 696,21 gram heroïne (netto) en 2011,58 gram heroïne (bruto) en
- ( ongeveer) 460,79 gram cocaïne (netto) en 518,07 gram cocaïne (bruto) en 15,67 gram cocaïne (netto) en 6,32 gram cocaïne (netto) en 18,62 gram cocaïne (netto),
zijnde heroïne en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe is op de in de pleitnota opgenomen gronden in de kern aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte betrokken is geweest bij de verwerking of bewerking van harddrugs, dan wel dat hij harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op 22 november 2022 om 09.09 uur werd in verband met een onderzoek door de politie binnengetreden in een woonboot, gelegen aan [adres 2] . Tijdens de doorzoeking van deze woonboot werden in ruimte 2 – naar uit later onderzoek door het NFI is gebleken – 6,32 gram cocaïne en 18,62 gram cocaïne aangetroffen. Tijdens de doorzoeking in ruimtes 6 en 7 werden – naar uit later onderzoek door het NFI is gebleken – ongeveer 17 kilo heroïne en 1 kilo cocaïne aangetroffen. Naast de aangetroffen verdovende middelen werden tijdens de doorzoeking in ruimtes 6 en 7 ook diverse attributen aangetroffen die worden gebruikt voor het verwerken of bewerken van drugs, namelijk een gasmasker en heroïne drukpersen in ruimte 6 en emmers, teilen, mixers en weegschalen, allen met residu bruin poeder, in ruimte 7. Medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren in de woonboot aanwezig toen de politie daar binnentrad en zijn toen aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] zijn naderhand door de politie aangehouden.
Tijdens de doorzoeking van de woonboot op 22 november 2022 heeft de politie in ruimte 6 een iPhone 13 mini aangetroffen en inbeslaggenomen. Uit onderzoek blijkt dat deze toebehoort aan medeverdachte [medeverdachte 2] . Tijdens het onderzoek aan deze telefoon heeft de politie een video aangetroffen. Op die video is een houten werkblad te zien met daarop 17 afgesloten doorzichtige plastic zakken met daarin een blokvormige bruine substantie. Voor deze zakken staat eenzelfde soort doorzichtige plastic zak met daarin een blokvormige bruine substantie geopend op het werkblad. Ook ligt er een lege plastic zak op het werkblad. Voor het werkblad staat een persoon, gekleed in een grijs trainingspak met de capuchon daarvan over het hoofd, die blauwe latex handschoenen en een volgelaat filtermasker draagt. Voor deze persoon op het werkblad staat een grote zwarte schaal.
De uitrusting van de persoon in de video, bestaande uit latex handschoenen en een volgelaat filtermasker, duiden erop dat gewerkt wordt met stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en/of ter voorkoming van het verspreiden van humane sporen. De locatie waar de video is opgenomen, fungeerde, gelet op vorenomschreven omstandigheden, kennelijk als opslag- en productieruimte van drugs. Een en ander naar objectieve maatstaven beoordeeld op de uiterlijke verschijningsvorm, leidt het hof tot het oordeel dat de persoon in de video op het punt staat een aanvang te nemen met het bewerken of verwerken van drugs. Aangezien het videobestand wordt aangetroffen op een in ruimte 6 van de woonboot op 22 november 2022 aangetroffen iPhone 13 mini ziet het hof geen reden er aan te twijfelen dat de video op 20 november 2022 om 19:07:16 uur op de woonboot is gemaakt, derhalve minder dan 48 uur voordat de politie op de woonboot is binnengetreden en de doorzoeking is gestart waarbij grote hoeveelheden heroïne en cocaïne en diverse attributen die worden gebruikt voor het verwerken of bewerken van drugs zijn aangetroffen. Onder de aangetroffen verdovende middelen bevindt zich bijna 17 kilo heroïne, terwijl op het werkblad in de video 17 doorzichtige plastic zakken met daarin een blokvormige bruine substantie te zien zijn. Tijdens de doorzoeking van de woonboot is ook een volgelaat filtermasker aangetroffen dat een grote gelijkenis vertoont met het masker dat de persoon in de video draagt (zie de foto van het aangetroffen masker en de still waarop de persoon uit de video te zien is, die zijn gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , proces-verbaalnummer PL2300-2022153629-173). Het masker dat op de woonboot is aangetroffen lag in ruimte 6 op een heroïne drukpers (dossierpag. 281). Ruimte 6 staat in een open verbinding met ruimte 7 waarin tijdens de doorzoeking het gros van de verdovende middelen en het gros van de attributen voor en residu van het bewerken en verwerken van drugs zijn aangetroffen en die derhalve kennelijk fungeerde als opslag- en productieruimte van drugs.
Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof tot het oordeel dat de persoon op de beelden betrokken is bij de verdovende middelen die tijdens de doorzoeking van de woonboot op 22 november 2022 zijn aangetroffen, in die zin dat deze persoon wetenschap had van de aanwezigheid van deze drugs en dat hij daarover de beschikkingsmacht had.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte de persoon is die in de video te zien is. De verdachte heeft dat ter terechtzitting in hoger beroep ontkend.
Twee verbalisanten, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , hebben, afzonderlijk van elkaar, de verdachte op de videobeelden herkend. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte direct van de beelden herkend aan zijn oogopslag en blik. Verbalisant [verbalisant 3] herkende de verdachte op de videobeelden aan zijn ogen, wenkbrauwen en blik. De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hetgeen van de persoon in de video te zien is, veel te weinig is om een betrouwbare herkenning op te baseren, mede gelet op hetgeen waaraan de verbalisanten stellen de verdachte te herkennen. De raadsman vindt het verder opvallend dat de herkenningen door de verbalisanten tot stand zijn gekomen nadat uit onderzoek door het TMFI was gebleken dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op een soortgelijk masker als de persoon op de beelden draagt, dat in ruimte 6 van de woonboot is aangetroffen. Ook dat doet in de visie van de raadsman af aan de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verbalisanten.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.
Herkenning van een persoon op beeld vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Dat moeilijk te rationaliseren holistische karakter maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daar maar ten delen op valt te zien, niet hoeft te betekenen dat de herkenning onbetrouwbaar is. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen.
Het hof is van oordeel dat van de persoon op de videobeelden voldoende te zien is om daarin de verdachte te kunnen herkennen door iemand die de verdachte kent en hem eerder intensief heeft meegemaakt. Verbalisant [verbalisant 2] was trainer van een voetbalelftal waar de verdachte deel van uitmaakte en kent de verdachte nog van die tijd. Ook had hij de verdachte enkele maanden voor de herkenning nog gezien en gesproken.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij verbalisant [verbalisant 2] al zeker 10 jaar kent en dat hij hem in de afgelopen jaren vaak is tegengekomen.
Verbalisant [verbalisant 3] heeft contact met de verdachte gehad in de meerdere jaren dat de verdachte gebruik maakte van de jeugdzorg waar deze verbalisant groepsbegeleider was.
Het hof heeft gelet op het voorgaande geen redenen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] die door beiden in een ambtsedig proces-verbaal zijn vastgelegd.
Uit het deskundigenrapport van het TMFI d.d. 2 december 2022 blijkt bovendien dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op het contactvlak met het gezicht van het masker dat tijdens de doorzoeking in ruimte 6 van de woonboot is aangetroffen en dat grote gelijkenissen vertoont met het masker dat door de persoon op de beelden wordt gedragen. Het hof acht het alternatieve scenario dat de verdachte pas ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht voor het aantreffen van zijn DNA op het masker, niet aannemelijk geworden en schuift dit terzijde. De processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] waarin zij hun herkenning van de verdachte hebben vastgelegd, dateren weliswaar van na de datum van het TMFI-rapport maar in het dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de suggestie van de raadsman dat het resultaat van het DNA-onderzoek aan het masker bij verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] bekend was toen zij de verdachte op de videobeelden herkenden noch dat dit heeft bijgedragen aan hun herkenning van de verdachte op de beelden.
De video waarop de verbalisanten de verdachte hebben herkend, is aangetroffen op een telefoon die aan medeverdachte [medeverdachte 2] toebehoort. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij en [medeverdachte 2] vrienden zijn en dat ze elkaar zo nu en dan zien. De verdachte is samen met [medeverdachte 2] in 2020 in België veroordeeld voor aldaar gepleegde handel in en productie van verdovende middelen. In de onderhavige zaak is
[medeverdachte 2] veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de op 22 november 2022 aangetroffen verdovende middelen.
Gelet op dit alles hecht het hof geen geloof aan de niet nader onderbouwde verklaring van de verdachte dat hij niet degene is die op de beelden is te zien. De vraag of de verdachte de persoon op de beelden is beantwoordt het hof dan ook bevestigend.
Op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op of omstreeks 20 november 2022 de hoeveelheden heroïne en cocaïne die op 22 november 2022 zijn aangetroffen aanwezig heeft gehad. Op het filmpje dat is gemaakt op 20 november 2022 is niet te zien dat op dat moment drugs werden bewerkt of verwerkt en ook overigens kan uit het dossier niet worden afgeleid dat daarvan sprake was op of omstreeks 20 november 2022, zodat het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren. Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit om als uitgangspunt te nemen de gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren die na het maken van procesafspraken aan medeverdachte [medeverdachte 2] is opgelegd en daar voor de verdachte enigszins onder te gaan zitten gelet op de ouderdom van de onderhavige zaak en de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 17 kilo heroïne en 1 kilo cocaïne op een woonboot in Maastricht. Harddrugs zoals heroïne en cocaïne vormen een gevaar voor de volksgezondheid. De handel in, het vervoer van en het gebruik van harddrugs brengen daarnaast vele vormen van (zware) criminaliteit en overlast met zich mee. De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het drugscircuit.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 januari 2026 en de inhoud van het uittreksel uit Ecris België d.d. 1 november 2023, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte in België voorafgaand aan het bewezenverklaarde meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor de handel in harddrugs alsook voor de productie daarvan, waarbij aan hem een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, een voorwaardelijke geldboete en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden zijn opgelegd. Deze omstandigheden hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan een soortgelijk strafbaar feit. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging mee.
Het hof heeft voorts gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht. Het hof leidt hieruit af dat het leven van de verdachte zich sinds de terechtzitting in eerste aanleg in positieve zin lijkt te ontwikkelen. De verdachte heeft een bestendige relatie met zijn partner met wie hij in september 2025 een zoon heeft gekregen. Voorts heeft de verdachte met ingang van 1 juni 2025 een fulltime baan bij [bedrijf] te Maastricht.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor langere duur met zich brengt.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs tussen de 10 en 20 kilo: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Het hof ziet in de positieve ontwikkeling die zich lijkt te hebben afgetekend in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en in de ouderdom van het bewezenverklaarde feit aanleiding om hiervan in strafmatigende zin af te wijken.
Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Het hof stelt vast dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. Door de officier van justitie is op 22 december 2023 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 28 januari 2026 arrest wijst. Derhalve is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 1 maand. Het hof stelt vast dat deze overschrijding aan de verdediging is te wijten nu de zaak op de terechtzitting van 2 september 2025 op verzoek van de verdediging is aangehouden in verband met de zwangerschap van de partner van de verdachte. Gelet op de invloed van de verdediging op het procesverloop in hoger beroep en nu namens de verdachte geen beroep is gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, is naar het oordeel van het hof geen sprake van een schending van de redelijke termijn in hoger beroep. In de fase van de eerste aanleg is daarvan evenmin sprake.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. M.J.M.A. van der Put en mr. C.P.J. Scheele, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 28 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.