Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:544

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
20-001936-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afpersing door leden van verboden motorclub met geweld en bad standing

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor medeplegen van afpersing binnen een verboden motorclub. De feiten betreffen een incident op 1 september 2017 waarbij het slachtoffer vanwege 'bad standing' werd geconfronteerd met geweld en gedwongen werd zijn motor, kentekenpapieren en geld af te staan.

De verdediging voerde aan dat de verdachte slechts aanwezig was om het gesprek te leiden en dat het slachtoffer vrijwillig afstand deed van zijn eigendommen. Het hof oordeelde echter dat het geweld en de afname van eigendommen één doorlopend feitencomplex vormen en dat de verdachte een sturende rol had, onder meer door toestemming te geven voor geweld.

De verklaringen van het slachtoffer in latere verhoren werden als ongeloofwaardig verworpen vanwege het niet verklaren over ernstige verwondingen. Het hof verbeterde de kwalificatie naar afpersing gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Gelet op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, legde het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 180 uur op, met een proeftijd van 2 jaar. De eerdere onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden werd daarmee vervangen.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 180 uur wegens afpersing gepleegd door leden van een verboden motorclub.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001936-22
Uitspraak : 25 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 augustus 2022, in de strafzaak met parketnummer 03-866136-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het ‘medeplegen van afpersing’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en – te dien aanzien opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. In het geval het hof mocht komen tot een bewezenverklaring, is primair verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Subsidiair is verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de bewijsoverwegingen, met verbetering van de kwalificatie van het bewezenverklaarde en met uitzondering van de strafoplegging. Gelet hierop, zal het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Naast de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals uitgewerkt opgenomen op pagina’s 2 tot en met 16 van het vonnis en welke bewijsmiddelen het hof bevestigt, komt de bewezenverklaring mede te berusten op de door de verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 februari 2026, voor zover inhoudende:
Ik werd regiosergeant (
het hof begrijpt: van [motorclub 1]) genoemd. Ik was de meest ervaren sergeant van Limburg. Omdat de andere sergeanten nog in opleiding waren, was ik vaak bij gesprekken van andere ‘chapters’ aanwezig.
Ik had van andere mensen gehoord dat [slachtoffer] op een begrafenis was geweest, waar ook motorleden van een andere club
(het hof begrijpt: leden van de [motorclub 2]) waren, en dat hij daar zijn hesje droeg. Ik vond het raar dat ik dat niet wist. (...) Daarom was ik boos.
Ik word ook wel [verdachte] genoemd.
U, voorzitter, vraagt mij of ik [slachtoffer] heb ondervraagd en heb geconfronteerd met wat er was gebeurd. Dat klopt.
Ik heb ervaring met zulke gesprekken. Ik dacht: ik ga het gesprek met [slachtoffer] beginnen. Ik wilde het snel afhandelen.
Ik wist dat er klappen zouden vallen, want iedereen was opgefokt.
We waren in gesprek en toen kwam er eentje van links en eentje van rechts en die begonnen [slachtoffer] te slaan. Ik riep ‘niet slaan’ en toen zijn ze wel gestopt.
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik tijdens het gesprek van 1 september 2017 om 22:33:28 uur zou hebben gezegd: “Als iemand jou moet slaan, dan moet hij doen” en u vraagt mij of ik daarmee doelde op [betrokkene 1] . Nee (...). Ik kan mij wel herinneren dat zij hem weer sloegen. De sergeant van Eindhoven, [betrokkene 2] , begon.
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep, net als in eerste aanleg, vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte weliswaar bij de gesprekken met [slachtoffer] omtrent diens ‘bad standing’ aanwezig was en dit in goede banen wilde leiden, maar dat hij alleen vragen kon stellen en zelf geen beslissingen kon nemen. Voorts is aangevoerd dat [slachtoffer] niet is gedwongen om zijn motor, de kentekenpapieren en geld af te staan, nu dit – in geval van een ‘bad standing’ – conform de regels van de motorclub is, [slachtoffer] dit wist bij zijn toetreding tot de motorclub en dat hij dit derhalve vrijwillig heeft gedaan. Dit volgt ook uit de latere getuigenverklaringen van [slachtoffer] d.d. 20 november 2019 en 12 december 2022 (waarvan de processen-verbaal van verhoor ter terechtzitting van het hof zijn overgelegd door de verdediging). Bovendien was het oogmerk van de verdachte niet het bevoordelen van zichzelf of een ander, maar om [slachtoffer] zoveel als mogelijk te beschermen. De verdachte was niet op de hoogte van eerder geweld dat op [slachtoffer] zou zijn toegepast voordat hij de vergaderruimte betrad. Ook over het beweerdelijke drogeren van [slachtoffer] is de verdachte niets bekend. Het op [slachtoffer] toegepaste geweld, waarin de verdachte bovendien geen aandeel heeft gehad, staat los van het moeten afgeven van de motor, de kentekenpapieren en het geld. Derhalve is geen sprake van afpersing van [slachtoffer] , laat staan dat de verdachte dit in nauwe en bewuste samenwerking met anderen zou hebben gepleegd.
Het hof overweegt dienaangaande, in aanvulling op hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen op pagina’s 17 en 18 van het vonnis, nog het volgende.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat hetgeen heeft plaatsgevonden tijdens de zogenoemde ‘bad standing’ van [slachtoffer] op 1 september 2017 één doorlopend feitencomplex betreft en dat het op [slachtoffer] toegepaste geweld niet los kan worden gezien van het moeten afgeven van zijn motor, de kentekenpapieren en het geld (waaronder de betaling van de reparatiekosten van de motor). Immers, [slachtoffer] werd die dag door leden van motorclub [motorclub 1] ter verantwoording geroepen. De verdachte was van tevoren geïnformeerd dat [slachtoffer] met een ‘bad standing’ uit de club gezet zou worden, de verdachte was bij die bijeenkomst aanwezig vanwege zijn ervaring en hij wist (en benoemde zelf ook) dat [slachtoffer] zijn motor en geld zou moeten afstaan. Op [slachtoffer] is tijdens die bijeenkomst aanzienlijk geweld uitgeoefend, waarbij de verdachte – zoals ook door de rechtbank is overwogen – een prominente en sturende rol had. Zo roept de verdachte op enig moment dat er niet geslagen moet worden, waarna het geweld even stopt. Daarna geeft de verdachte als het ware toestemming tot meer geweld door te zeggen “Als iemand jou moet slaan, dan moet hij doen”, waarna wederom klappen aan [slachtoffer] worden gegeven. Dit geweld was naar het oordeel van het hof de opmaat naar de feitelijke ‘bad standing’ en [slachtoffer] moet dan “alles inleveren”. De verdachte heeft de ‘bad standing’ vervolgens meteen willen afwikkelen en hij heeft zelfs instructies aan [slachtoffer] gegeven over hoe hij dit aan zijn vrouw diende te vertellen. Dat niet is gebleken dat de verdachte zelf profijt heeft gehad van het door [slachtoffer] moeten inleveren van zijn motor, de papieren daarvan en geld, maakt niet dat hij niet in nauwe en bewuste samenwerking met de andere aanwezigen heeft gehandeld en minst genomen met het oogmerk anderen wederrechtelijk te bevoordelen heeft gehandeld.
Ten aanzien van de door de verdediging overgelegde processen-verbaal van verhoor van [slachtoffer] (van 20 november 2019 en 12 december 2022), waarin [slachtoffer] als getuige in een andere strafzaak heeft verklaard dat hij zijn motor en het geld vrijwillig heeft afgestaan, is het hof van oordeel dat deze verklaringen als ongeloofwaardig ter zijde dienen te worden geschoven, te meer nu [slachtoffer] in die verhoren niet over zijn op 1 september 2017 opgelopen verwondingen heeft willen verklaren, terwijl door het ziekenhuis gebroken ribben, een gebroken oogkas en een kapotte zenuw zijn geconstateerd.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en volgt de rechtbank in het oordeel dat de verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft afgeperst.
Verbetering van de kwalificatie
De rechtbank heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘medeplegen van afpersing’. Echter, nu uit het derde lid van artikel 317 Sr Pro volgt dat de bepalingen van het tweede en derde lid van artikel 312 Sr Pro op het misdrijf van afpersing van toepassing zijn, dient de kwalificatie als volgt te luiden:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het hof leest de kwalificatie verbeterd op voornoemde wijze.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich in groepsverband schuldig gemaakt aan een gewelddadige afpersing die zich afspeelde binnen de motorclub [motorclub 1] . Deze motorclub is inmiddels verboden, mede vanwege de afpersingen die door leden van deze organisatie en in groepsverband werden gepleegd.
Uit het dossier volgt dat een geringe aanleiding – het passeren van meerderen en contacten met andere motorclubs tijdens een begrafenis – genoeg was voor de verdachte om dit ernstige feit te plegen en dit voor zichzelf te rechtvaardigen. De verdachte heeft zijn eigen rol kleiner en ondergeschikter willen afschilderen dan die in werkelijkheid was. De verdachte heeft juist een sturende inbreng gehad en heeft daar enkele dagen later, in een gesprek op 4 september 2017, nog stoer over verteld. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Bij de straftoemeting heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 november 2025. Daaruit volgt dat de verdachte kort voorafgaand aan het onderhavige feit (immers bij arrest van 6 juli 2017) onherroepelijk is veroordeeld ter zake van geweld (te weten: mishandeling, meermalen gepleegd), doch niet eerder ter zake van afpersing.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In dat kader is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte momenteel in Spanje woont en werkt en dat hij, sinds het einde van zijn lidmaatschap van [motorclub 1] , een rustig leven leidt en niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, zoals de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.
Het hof ziet echter in de positieve wending die de verdachte inmiddels aan zijn leven heeft gegeven, de ouderdom van het feit en de forse overschrijding van de redelijke termijn voor berechting – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – aanleiding tot oplegging van een andere straf dan door de rechtbank is opgelegd en ook anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Alles afwegende, acht het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, thans passend en geboden. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
De door de verdediging primair verzochte schuldigverklaring zonder oplegging van straf en de subsidiair verzochte geheel voorwaardelijke strafoplegging doen naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, zodat het hof die afdoeningsmogelijkheden ter zijde schuift.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. M.J.M.A. van der Put en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort en mr. M.C.E. Joosen, griffiers,
en op 25 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.