ECLI:NL:GHSHE:2026:536

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
20-001280-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 279 SvArt. 408 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn bij valsheid in geschrift

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand wegens opzettelijk gebruik van een vals geschrift, zoals bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar dit vond plaats ruim tien maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de dagvaarding aan de verdachte persoonlijk was betekend op 13 maart 2024, inclusief een Duitse vertaling van de dagvaarding via een tolkentelefoon. De strafzaak werd op 28 juni 2024 bij verstek behandeld en vonnis gewezen. De beroepstermijn van veertien dagen liep tot en met 12 juli 2024, maar het hoger beroep werd pas op 13 mei 2025 ingesteld.

De verdediging voerde aan dat de verdachte pas later door Duitse autoriteiten op de hoogte was gesteld van het vonnis en dat de vertaalde dagvaarding met de zittingsdatum niet was ontvangen. Het hof oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de overschrijding van de beroepstermijn te verontschuldigen. Daarom werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001280-25
Uitspraak : 23 februari 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer
03-086726-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst’,veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Namens de verdachte is bepleit dat de verdachte in het hoger beroep dient te worden ontvangen.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen rechterlijke uitspraken een rechtsmiddel kan worden aangewend en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Dit is slechts anders, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de inleidende dagvaarding aan de verdachte op 13 maart 2024 in persoon is betekend en dat de voorzijde van de dagvaarding, met daarop vermeld de datum, het tijdstip van de terechtzitting van de politierechter te Maastricht, via de tolkentelefoon in de Duitse taal is vertaald door middel van een tolk, en de achterzijde van de dagvaarding, inhoudende de tenlastelegging, in de Duitse taal aan de verdachte is uitgereikt en dat de strafzaak tegen de verdachte vervolgens op 28 juni 2024 bij verstek is behandeld en de politierechter direct daarna vonnis heeft gewezen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, kon de verdachte gedurende veertien dagen na deze uitspraak, te weten tot en met 12 juli 2024, tegen het vonnis hoger beroep instellen.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 13 mei 2025 hoger beroep heeft ingesteld. Het instellen van het hoger beroep heeft aldus plaatsgevonden 10 maanden na het onherroepelijk worden van de uitspraak.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte pas op de hoogte is gebracht van de uitspraak van de politierechter door de Duitse autoriteiten. Direct na dit bericht heeft de raadsman namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Ondanks dat in het dossier is opgenomen dat de dagvaarding aan de verdachte is vertaald door middel van een tolk via de tolkentelefoon stelt de verdachte dat voor hem wel is vertaald waar hij van verdacht werd, maar dat hem niet is bekend gemaakt wanneer de inhoudelijke zitting zou plaatsvinden. Voorts heeft de verdachte, ondanks tekening voor ontvangst, de akte met daarop de datum en tijd van de terechtzitting, niet meegekregen. De vertaalde dagvaarding zou hem nog worden nagezonden, hetgeen volgens de verdachte niet is gebeurd.
Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor door het hof omtrent de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg is vastgesteld, geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de overschrijding van de beroepstermijn als bedoeld in artikel 408 van Pro het Wetboek van Strafvordering verontschuldigbaar doen zijn. Dat de verdachte de vertaalde dagvaarding met toelichting niet heeft ontvangen, maakt dit niet anders.
Het voorgaande leidt ertoe dat de verdachte in zijn hoger beroep niet ontvangen kan worden. de verdachte zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans en mr. N. van der Meer, griffiers,
en op 23 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.