Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:535

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
20-002135-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 SvArt. 509hh Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding termijn bij belaging en belediging

De verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld voor meermalen gepleegde belaging, eenvoudige belediging en het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar dit gebeurde ruim meer dan een jaar na de uitspraak, terwijl de wettelijke termijn veertien dagen bedroeg.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 23 april 2024 werd veroordeeld en dat het hoger beroep pas op 5 augustus 2025 werd ingesteld. De advocaat-generaal vorderde niet-ontvankelijkheid, hetgeen het hof volgde omdat geen bijzondere omstandigheden waren gebleken die de termijnoverschrijding rechtvaardigen.

Het hof verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep. In eerste aanleg was de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar, een contactverbod van twee jaar en schadevergoedingen aan de benadeelden. Dit vonnis blijft daarmee onherroepelijk.

Uitkomst: Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens overschrijding van de wettelijke termijn, waardoor het vonnis van de politierechter onherroepelijk blijft.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002135-25
Uitspraak : 9 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 23 april 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-300636-23 en 01-089451-24, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres]
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:
veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. Daarnaast is aan de verdachte een contactverbod opgelegd voor de duur van 2 jaren met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en alle medewerker(st)ers van [instelling] , welk contact verbod dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Tot slot is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 1.949,57 toegewezen en de vordering van [benadeelde 2] tot een bedrag van € 2.042,- toegewezen, beiden te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Door de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De verdachte heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hij direct na de uitspraak in hoger beroep wilde, maar dat zijn advocaat hem dit had afgeraden. Na contact met de reclassering heeft de verdachte spijt gehad en heeft hij direct na het inzien van de stukken van het dossier hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen rechterlijke uitspraken een rechtsmiddel kan worden aangewend en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Dit is slechts anders, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de inleidende dagvaarding aan [naam] is betekend, dat de strafzaak in eerste aanleg tegen de verdachte vervolgens op 23 april 2024 in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman inhoudelijk is behandeld en dat de politierechter aansluitend, te weten op 23 april 2024, vonnis heeft gewezen waarbij de verdachte is veroordeeld.
Ingevolge het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, kan de verdachte die op de terechtzitting is verschenen binnen veertien dagen na de uitspraak, dit was voor deze zaak tot en met 7 mei 2024, tegen het vonnis hoger beroep instellen.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 5 augustus 2025 hoger beroep heeft ingesteld. Het instellen van het hoger beroep heeft aldus plaatsgevonden meer dan een jaar na het onherroepelijk worden van de uitspraak.
Omdat het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld ,zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard. Van het bestaan van uitzonderlijke, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de appeltermijn verontschuldigbaar doen zijn, is het hof niet gebleken.
Het voorgaande leidt ertoe dat de verdachte in zijn hoger beroep niet ontvangen kan worden. de verdachte zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans en mr. N. van der Meer, griffiers,
en op 9 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Dekkers is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.