ECLI:NL:GHSHE:2026:534

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
20-001041-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 300 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep poging tot zware mishandeling met kapot glas

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en mishandeling. De feiten betreffen het maken van stekende en zwaaiende bewegingen met een kapot stuk glas richting de nek van het slachtoffer, waarbij ook sprake was van een fysieke confrontatie.

Het hof heeft aanvullend bewijs onderzocht, waaronder getuigenverklaringen en camerabeelden, die overtuigend aantonen dat de verdachte met opzet handelde en een reëel gevaar voor ernstig letsel heeft veroorzaakt. De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van een poging tot zware mishandeling, maar dit is door het hof verworpen.

De straf is verhoogd ten opzichte van de politierechter: het hof legt een gevangenisstraf van 4 maanden op, gelet op de ernst van het feit, eerdere veroordelingen van de verdachte en de impact op het slachtoffer en diens omgeving. Een taakstraf is niet passend geacht.

Het arrest is gewezen door het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11 februari 2026 en bevestigt het vonnis van de politierechter, met uitzondering van de strafoplegging die is aangepast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling met kapot glas.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001041-25
Uitspraak : 11 februari 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-312040-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis, waarvan beroep, is verdachte door de politierechter ter zake van het plegen van:
  • poging tot zware mishandeling (feit 1 primair);
  • mishandeling (feit 2);
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de straf. Daartoe heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 primair tenlastegelegde en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het aan de verdachte onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om geen gevangenisstraf maar een geldboete dan wel een taakstraf op te leggen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 en van de strafoplegging. Gelet hierop, zal het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen
A.
In aanvulling op de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring van het onder 1 bewezenverklaarde feit mede te berusten op het navolgende bewijsmiddel:
Het proces-verbaal van verhoor d.d.
12 februari 2025 (pg. 2 - 3), voor zover inhoudende als
weergave van het verhoor van getuige ( [getuige 1] ):
U vraagt mij of ik heb gezien wat er uit de auto werd gehaald. Hij had zijn sleutel en liep naar de passagierskant. Hij kon niet vinden wat hij wilde hebben, toen liep hij naar de bestuurderskant. Er kwam toen een stuk geslepen glas uit de auto.
U vraagt mij of ik het glas kan omschrijven. Het leek een stuk parfumfles wat afgetikt was. Het was geslepen. Het was niet intact op het moment dat hij het pakte. Het is niet kapotgegaan ter plaatse.
U vraagt mij naar het glas. Het had de afmeting van een fles parfum.
U vraagt mij wat de afmeting was. Het was rond de 13 of 14 cm lang en 5 cm diep.
B.
Het hof vult het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel
‘Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 12 van voornoemd eindproces­verbaal’(opgenomen op pagina 3 van het vonnis) aan met de navolgende verklaring van de getuige:
Ik zag dat de bestuurder van de auto face tot face met mijn vriend (
het hof begrijpt: de aangever) ging staan en zag dat er maar enkele centimeters tussen de hoofden zat. Ik hoorde dat de bestuurder agressief bleef schreeuwen en ik zag dat de bestuurder mijn vriend begon te slaan.
Ik zag dat er een gevecht ontstond, omdat mijn vriend zich verdedigde. Er vielen over en weer klappen. Omdat de bestuurder van de auto van mijn vriend een aantal klappen terugkreeg, liep hij boos weg en liep hij naar zijn auto. Ik zag dat hij toen in zijn auto iets begon te zoeken. Ik zag dat hij met iets uit de auto kwam, ik zag later een glazen fles.
C.
Het hof vult het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel
‘Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , pagina 9 e.v. van voornoemd eindproces­verbaal’(opgenomen op pagina 3 van het vonnis) aan en verbetert het in die zin dat de kop als volgt komt te luiden:
Het proces-verbaal van verhoor d.d.
30 september 2024 (pg. 9 e.v.), voor zover inhoudende als
weergave van het verhoor van getuige ( [getuige 1] )”:
D.
Daarnaast vult het hof het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel
‘Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , pagina 9 e.v. van voornoemd eindproces­verbaal’(opgenomen op pagina 3 van het vonnis) aan en verbetert het in die zin dat het woord
[persoon]meermaals ter verduidelijking wordt opgenomen in het bewijsmiddel, als volgt:
Ik zag toen dat
[persoon]2 een stuk glas in zijn handen vasthad en naar
[persoon]1 toe liep. Ik zag dat
[persoon]2 in de nek van
[persoon]1 wilde steken. Ik zag dat dit bijna raak was en dat
[persoon]1 dit net op tijd kon afweren.
Bewijsoverwegingen
Gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, zal het hof de bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde, zoals weergegeven op pagina 3 van het beroepen vonnis (onder het kopje ‘4. De bewijsoverwegingen’) geheel vervangen.
In hoger beroep is door de verdediging primair aangevoerd dat de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Ondanks dat er volgens de verdediging voldoende wettig bewijs is, strookt de manier van het gooien van het glas naar de aangever niet met een poging tot zware mishandeling. Getuige [getuige 2] heeft het incident optisch goed kunnen waarnemen en heeft bij de politie verklaard dat er met het glas is gegooid en geen stekende beweging is gemaakt. Daarnaast is er niet bekend of het glas scherp was of stomp en nu er is gegooid is niet vast te stellen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof is van oordeel dat het hetgeen door de verdediging is aangevoerd, zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Daarnaast volgt uit de beschrijving van de camerabeelden dat aangever wegloopt, waardoor er niet langer een confrontatie bestaat. De verdachte rent daarop in snelle pas achter aangever aan en maakt met kracht met een kapot stuk glas een stekende beweging in de richting van de nek van aangever. Hierop draait aangever zich om en probeert zich te verdedigen, waarna de verdachte nog tweemaal met een zwaaiende beweging richting de nek uithaalt van aangever, door zijn arm omhoog en naar voren te brengen. Uit de verklaring van [getuige 2] bij de politie volgt dat ze de verdachte een stekende beweging in de richting van de nek van de aangever zag maken. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van de verdachte, mede gebaseerd op de kennisname van de duidelijke camerabeelden, maakt dat het hof bewezen acht dat de verdachte willens en wetens/opzettelijk, met kracht meerdere zwaaiende dan wel stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de nek van aangever met een kapot glas. Nu het een feit van algemene bekendheid is dat de nek een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat het met een scherp stuk glas raken van de nek ernstige gevolgen kan hebben, is het hof van oordeel dat daarmee sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen en te volstaan met het opleggen van een taakstraf.
De advocaat-generaal heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 weken gevorderd, gelet op de aard en ernst van het feit.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met krachtige zwaaiende dan wel steekbewegingen met een kapot glas te richten op de nek van de aangever. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door aangever te slaan tegen het hoofd. De verdachte heeft door zijn handelingen een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever en een reëel gevaar in het leven geroepen dat de aangever ernstig lichamelijk letsel zou oplopen. Tevens heeft het incident ertoe geleid dat de partner van aangever, die aanwezig was tijdens de gebeurtenis, terug is verhuisd naar Bulgarije, omdat zij door het incident niet langer in Nederland durft te verblijven. Het gewelddadig handelen van de verdachte heeft aldus grote gevolgen teweeggebracht voor het leven van aangever.
Gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte en het Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 november 2025 waaruit blijkt dat de verdachte driemaal eerder onherroepelijk veroordeeld is voor geweldsdelicten, is het hof met de politierechter, anders dan de verdediging heeft verzocht, van oordeel dat de modaliteit van een taakstraf niet meer aan de orde is. Het hof heeft verder gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS. In die oriëntatiepunten wordt voor zware mishandeling met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden als uitgangspunt genoemd. In beginsel geldt dat de straf in geval van een poging met een derde wordt verminderd. Alles afwegende, is het hof van oordeel dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking komen in de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, passend en geboden is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. M.M. Koevoets en mr. T. Farber, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort en mr. M.C.E. Joosen, griffiers,
en op 11 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Farber is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.