In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor meervoudige overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank Oost-Brabant veroordeelde hem tot 4 weken gevangenisstraf, een rijontzegging van 3 jaar en verbeurdverklaring van zijn vrachtwagen. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie stelden hoger beroep in, maar het OM trok haar beroep later in.
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank in hoger beroep onderzocht. Het hof bevestigde de bewezenverklaring en de bijkomende straffen, maar matigde de gevangenisstraf tot 3 weken vanwege een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, die ruim anderhalf jaar bedroeg. De bijkomende straffen van rijontzegging en verbeurdverklaring werden gehandhaafd omdat deze niet geschikt zijn voor matiging wegens termijnoverschrijding.
Het hof baseerde zich op de strafmotiveringen van de rechtbank en hield rekening met de draagkracht van de verdachte. De uitspraak werd gedaan op 19 februari 2026 door een meervoudige kamer van het gerechtshof in aanwezigheid van griffiers.