ECLI:NL:GHSHE:2026:414

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
20-000044-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van aannemen valse hoedanigheid bij niet-betalen consumpties

De verdachte werd in eerste aanleg bij verstek veroordeeld voor oplichting wegens het niet betalen van consumpties in een restaurant. De politierechter legde een gevangenisstraf van vier weken op en kende de benadeelde partij een schadevergoeding toe.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd vanwege onvoldoende motivering en onderzocht of sprake was van het aannemen van een valse hoedanigheid. De advocaat-generaal vorderde een voorwaardelijke straf en een lagere schadevergoeding, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.

Het hof oordeelde dat het enkel bestellen en niet betalen van consumpties volgens maatschappelijke normen onvoldoende is om oplichting aan te nemen. Er ontbraken specifieke gedragingen die een onjuiste voorstelling van zaken creëren over de bereidheid tot betaling. Daarom sprak het hof de verdachte vrij.

De vordering tot schadevergoeding van het restaurant werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd die de schade zou rechtvaardigen. De benadeelde partij werd veroordeeld in de proceskosten.

Het arrest werd uitgesproken door het hof ’s-Hertogenbosch op 6 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van oplichting wegens ontbreken van aannemen valse hoedanigheid.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000044-25
Uitspraak : 6 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-388847-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te Tilburg op [geboortedatum] ,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres] .
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte ter zake van ‘oplichting’ bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij integraal toegewezen voor een bedrag ter hoogte van € 97,24 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente alsook met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot een bedrag ter hoogte van € 50,90 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente alsook met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 7 december 2024 te Tilburg, althans in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, medewerker(s) van restaurant [restaurant] heeft bewogen tot de afgifte van enig(e) goed(eren), te weten eten en/of drinken, door zich valselijk en/of listiglijk en/of bedriegelijk en/of in strijd met de waarheid voor te doen als bonafide klant, die tot betalen in staat was, waardoor die medewerker(s) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat er sprake is van een patroon van dat de verdachte zich voordoet als een normale gast, maar vervolgens de deur uitloopt zonder te betalen. De verdachte maakt gebruik van wat normaal is in de maatschappij, namelijk eerst consumpties bestellen en daarna de rekening betalen. Door gebruik te maken van wat normaal is in de maatschappij, maar door vervolgens de rekening niet te betalen, maakt dat sprake is van oplichting.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte wel voornemens was om te betalen, maar dat hij – toen hij wilde gaan betalen – zijn pas niet meer bij zich had; zijn pinpas moet daarvóór zijn ‘gerold’. Doordat de verdachte wel voornemens was om te betalen ontbreekt het oogmerk op de wederrechtelijke toe-eigening.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Bij het oplichtingsmiddel ‘het aannemen van een valse hoedanigheid’ gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken (vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, rov. 2.3.4).
Het hof overweegt daarbij dat het enkel bestellen van een consumpties volgens de maatschappelijke geijkte, algemeen aanvaarde patronen en deze vervolgens niet betalen, onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van oplichting. Zoals in de vorige alinea omschreven, zijn voldoende specifieke gedragingen vereist die bij in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen, waardoor het beoogde slachtoffer wordt bewogen tot afgifte.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit de bewijsmiddelen in het onderhavige procesdossier onvoldoende van specifieke gedragingen die in de desbetreffende context (kennelijk) erop zijn gericht om bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen ten aanzien van verdachtes bereidheid om de rekening van de door hem genuttigde consumpties te betalen.
Het hof heeft dan ook uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Vordering van de benadeelde partij [restaurant]
De benadeelde partij [restaurant] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 97,24 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, zodat de vordering tot schadevergoeding van rechtswege voor hetzelfde bedrag in hoger beroep aan de orde is.
Nu aan verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [restaurant] in haar vordering niet worden ontvangen.
De benadeelde partij zal daarbij als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest bepaald.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

vordering van de benadeelde partij [restaurant] :

verklaart de benadeelde partij [restaurant] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. P. van Etteger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap en mr. B.P.M. van de Luijtgaarden, griffier,
en op 6 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. P. van Etteger en mr. D.S. Yap zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.