AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen opzettelijk vervoeren van ruim 120 kilogram cocaïne
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd en de verdachte veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk vervoeren van ongeveer 121 kilogram cocaïne.
De verdachte werd samen met een medeverdachte op 10 februari 2025 aangehouden bij de afrit Weert-Noord op de A2 met een zwaar beladen Audi A4 waarin zes dozen met cocaïne waren geladen. Het hof acht bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dozen cocaïne bevatten en dat hij feitelijke macht over de lading had.
De verdediging voerde aan dat de verdachte onwetend was over de inhoud van de dozen, maar het hof verwierp dit op grond van inconsistenties in zijn verklaringen en de onwaarschijnlijkheid van zijn verhaal. Gelet op de ernst van het feit en de grote hoeveelheid drugs legde het hof een gevangenisstraf van 60 maanden op, hoger dan de 54 maanden van de rechtbank.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van opzettelijk vervoeren van ruim 120 kilogram cocaïne.
Uitspraak
Parketnummer : 20-001447-25
Uitspraak : 12 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 mei 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-045879-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1997,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft hij een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Maastricht en/of Weert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 121,08 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 10 februari 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 121,08 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LBRAA24004-1409 (einddossier Akimo), gesloten d.d. 25 maart 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] (doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 149). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle bewijsmiddelen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van observatie van 11 februari 2025, dossierpagina’s 50-55, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] , [verbalisant 7] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 10] en [verbalisant 11] :
Wij hebben op 10 februari 2025 tussen 07.50 uur en 13.00 uur geobserveerd en daarbij hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan:
Wij zagen dat een grijze Audi A4, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] , de parkeerplaats van de [bedrijf] in Maastricht op gereden kwam. Wij zagen dat [medeverdachte 1] uitstapte en richting de Audi [kenteken 1] en Mercedes met het kenteken [kenteken 2]
liep. Wij zagen dat de bestuurder van de Audi [kenteken 1] het raam een beetje
opende en wij zagen dat [medeverdachte 1] contact maakte met de bestuurder van de Audi
[kenteken 1] . Wij zagen dat de Audi [kenteken 1] naast de Mercedes [kenteken 2] parkeerde. Wij zagen dat twee mannen uit de Audi [kenteken 1] stapten. Wij zagen dat een man gekleed was in een gewatteerde jas en donker haar had. Nader te noemen NN1. Wij zagen dat de andere man kort geschoren haren had. Nader te noemen NN2.
Wij zagen dat NN1 en NN2 instapten in de Audi [kenteken 1] en dat deze vertrok.
Omstreeks 11.10 uur
Controle door SIV op de A2 ter hoogte van afrit Weert-Noord. Einde observatie op de Audi [kenteken 1] .
2. Het proces-verbaal van bevindingen van 10 februari 2025, dossierpagina’s 56-57, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten 134592, 233110, 227198 en 244454:
Op 10 februari 2025 omstreeks 10.30 uur werden wij geïnformeerd door een onderzoeksteam dat er een personenauto onderweg zou zijn naar Maastricht en dat er in dit voertuig mogelijk een grote hoeveelheid verdovende middelen zouden liggen. Hierop reden wij met twee opvallende dienstvoertuigen richting Maastricht. Toen wij ter hoogte van het aldaar gelegen vliegveld reden werden wij gebeld dat de inhoud van het eerdere voertuig zou zijn overgeladen naar een andere personenauto. Dit zou een personenauto betreffen van het merk en type Audi A4 voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Dit voertuig zou inmiddels onderweg zijn over de autosnelweg A2 in de richting van Eindhoven en komende uit de richting van Maastricht. Ter hoogte van de afrit Nederweert zagen wij het eerdergenoemde voertuig rijden in noordelijke richting. Kort voordat wij de afrit Weert-Noord naderden gaven wij het betrokken voertuig een volgteken middels onze politie-stoptransparant. Aan het eind van de afrit gaven wij op de vluchtstrook de bestuurder van het voertuig een stopteken. Wij zagen dat de bestuurder zijn voertuig tot stilstand bracht.
Wij zagen dat er twee personen in het voertuig zaten. Wij zagen dat er enkele bruine dozen op de achterbank stonden. Wij zagen dat de bestuurder ons een geldig identificatiemiddel overhandigde en opgaf te zijn [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 2] 1966 te [geboorteplaats 2] . Omdat de bijrijder geen identificatiemiddel bij zich droeg, stelden wij zijn identiteit later vast en bleek hij te zijn: [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ), geboren op [geboortedag 1] 1997 te [geboorteplaats 1] .
Wij openden de kofferruimte en zagen hierin enkele bruine dozen staan die met grijze tape waren dichtgeplakt. Wij namen deze dozen in beslag. Wij openden een van deze dozen en zagen dat hier meerdere blokvormige voorwerpen in lagen die bruin van kleur waren en waarvan het leek alsof deze met bruine tape waren ingewikkeld. Wij zagen aan de stand van het voertuig, met name de doorgezakte achterophanging, dat het voertuig zwaar beladen was.
3. Het geschrift ‘Vervolgbeslissing over inbeslaggenomen voorwerp’, dossierpagina’s 140-141, voor zover inhoudende:
Op 10 februari 2025 te 11.19 uur is bij de afrit Weert-Noord op de A2 inbeslaggenomen een personenauto van het merk/type Audi A4 met kenteken [kenteken 1] .
4. Het geschrift ‘Kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing’ van 11 februari 2025, dossierpagina 142, voor zover inhoudende:
Op 10 februari 2025 te 11.15 uur zijn aangetroffen in het voertuig Audi met kenteken [kenteken 1] en inbeslaggenomen: zes dozen met daarin 121 blokken van ongeveer een kilo per stuk (SIN AAQD8532NL).
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2025, dossierpagina 58, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Aan de partij, bestaande uit 121 blokken, verdeeld over zes dozen, werd het SIN AAQD8532NL toegekend.
Tijdens het verdovende middelen onderzoek van de Forensische Opsporing Eenheid Limburg werd deze partij opgesplitst in twee groepen die beide werden voorzien van een nieuwe SIN.
De eerste groep betrof 71 witgekleurde blokken met daaromheen meerdere lagen verschillende soorten kunststof. Deze groep is tijdens het verdovende middelen onderzoek voorzien van het SIN AASK5749NL.
De tweede groep betrof 50 witgekleurde blokken met daaromheen meerdere lagen verschillende soorten kunststof. Deze groep is tijdens het verdovende middelen onderzoek voorzien van het SIN AASK5750NL.
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport opgemaakt door ing. N. van Doorn, als deskundige verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), d.d. 11 februari 2025, dossierpagina 59, voor zover inhoudende:
Het onderzoeksmateriaal met de omschrijving ‘blok(ken), wit, uit 71048 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: 23’ en met kenmerk AASK5749NL.
Conclusie: bevat cocaïne.
7. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport opgemaakt door ing. N. van Doorn, als deskundige verbonden aan het NFI, d.d. 11 februari 2025, dossierpagina 60, voor zover inhoudende:
Het onderzoeksmateriaal met de omschrijving ‘blok(ken), wit, uit 50029 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: twintig’ en met kenmerk AASK5750NL.
Conclusie: bevat cocaïne.
8. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 januari 2026, voor zover inhoudende:
Op 10 februari 2025 zat ik met een man genaamd [medeverdachte 2] in een auto van het merk Audi. Op de parkeerplaats bij de [bedrijf] in Maastricht zijn dozen in de auto gezet; een aantal op de achterbank en een aantal in de kofferbak. Ik heb dozen in de auto gezet.
Die dag ben ik met [medeverdachte 2] van Roosendaal naar Maastricht gereden en vervolgens richting Weert.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.
Op 10 februari 2025 is de verdachte samen met [medeverdachte 2] naar de parkeerplaats bij de [bedrijf] in Maastricht is gereden; [medeverdachte 2] als bestuurder, de verdachte als bijrijder. Op deze parkeerplaats vond omstreeks 10.25 uur een korte ontmoeting plaats met andere personen en zijn door de verdachte en deze [medeverdachte 2] zes dozen met een totaalgewicht van ruim 120 kilogram overgeladen in de personenauto waarin zij waren aangekomen. Vervolgens zijn [medeverdachte 2] en de verdachte met diezelfde auto vertrokken in de richting van Weert. Bij de afrit Weert-Noord op de A2 zijn de verdachte en [medeverdachte 2] aangehouden. In de dozen die zij vervoerden zaten pakketten met een gewicht van ruim 120 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne.
Bewijs voor het opzettelijk vervoeren
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het opzettelijk vervoeren van cocaïne, omdat de verdachte geen wetenschap zou hebben gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de dozen en omdat de omstandigheden van het vervoeren van de dozen ook niet zodanig ‘suspect’ waren dat de verdachte onderzoek had moeten doen naar de inhoud van de dozen.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.
Voor een bewezenverklaring van opzettelijk aanwezig hebben – en daarmee ook van het opzettelijk vervoeren – van verdovende middelen is allereerst nodig dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de dozen met cocaïne in de machtssfeer van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn geweest. Zij hebben de dozen immers eigenhandig in de auto geplaatst en zijn gezamenlijk met de dozen vertrokken.
Daarnaast is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van het middel, althans de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard dat dit middel in zijn machtssfeer aanwezig was.
Het hof neemt ten aanzien van de vereiste wetenschap het volgende in aanmerking.
In de auto, waarin de verdachte als bijrijder zat, is een grote hoeveelheid van ruim 120 kilogram cocaïne aangetroffen die even daarvoor gedeeltelijk door de verdachte zelf – tijdens een korte ontmoeting met andere personen op een parkeerplaats – is overgeladen in de auto. Deze hoeveelheid cocaïne vertegenwoordigt een zeer grote waarde.
De verdachte is gevraagd of hij een verklaring heeft voor deze belastende omstandigheden.
Aanvankelijk heeft hij zich tegenover de politie en de raadkamer van de rechtbank beroepen op zijn zwijgrecht. Vervolgens heeft de verdachte op de zitting van de rechtbank Limburg verklaard dat hij niet wist wat de inhoud van de dozen was. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij (voor het eerst) verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] hem had verteld dat ze kaarsen gingen ophalen. Ook over de omstandigheden rondom de rit naar Maastricht heeft de verdachte wisselend verklaard. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij eigenlijk in Spanje woont, maar sinds een week in Roosendaal verbleef bij een vriend in huis, dat hij de naam van die vriend niet wil noemen en dat hij zich de straatnaam niet kan herinneren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij voor het eerst in Nederland was en dat hij verbleef bij een vrouw die [betrokkene] heet en van wie hij het hondje trimde. Hij noemt een concreet woonadres van deze vrouw en verklaart dat er niemand anders in de woning woonde. Over de medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart hij dat hij deze op 10 februari 2025 voor het eerst zag en dat hij met [medeverdachte 2] zou zijn meegereisd omdat deze hem Nederland zou laten zien. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft daarentegen verklaard dat hij verdachte een week daarvoor ook al had gezien toen [medeverdachte 2] in Roosendaal verhuisdozen zou hebben opgehaald bij mensen die daar net woonden. Als de verdachte wordt gevraagd naar de steden die hij tijdens zijn verblijf in Nederland heeft bezocht, verklaart hij dat hij voor het eerst in Nederland was en dat hij alleen in Roosendaal en Rotterdam was geweest. Nadat hij is geconfronteerd met de resultaten van het onderzoek naar zijn telefoon, verklaarde hij ook even – 1 tot 2 uur – in Amsterdam te zijn geweest om het stadion van Ajax te bezichtigen. Toen hem door het hof werd voorgehouden dat met zijn telefoon contact is gemaakt met meer dan 10 Wifi-netwerken in Amsterdam (dossierpagina 94-95), verklaarde hij dat hij op verschillende plekken in Amsterdam was geweest.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte alleen al gelet op deze inconsistenties niet aannemelijk.
Bovendien is de door verdachte geschetste gang van zaken die erop neerkomt dat hij als nietsvermoedende toerist met iemand die hij verder niet kent meerijdt om Nederland te zien en met wie hij vervolgens naar een parkeerplaats rijdt en dozen met cocaïne van onbekende derden overlaadt, alleen al gelet op de straatwaarde van de aangetroffen hoeveelheid cocaïne volstrekt ongeloofwaardig. Het ligt immers geenszins voor de hand dat zo’n waardevolle lading harddrugs wordt toevertrouwd aan iemand die men niet kent.
Tegen de achtergrond van het voorgaande, in samenhang met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat de verdachte bij de overdracht en het vervoer van de zes dozen ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij cocaïne bevatten en dat de verdachte daarover met zijn mededader ook feitelijke macht heeft kunnen uitoefenen in de zin dat zij daarover gezamenlijk hebben kunnen beschikken.
Gelet op al het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk cocaïne heeft vervoerd zoals tenlastegelegd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het feit dat de verdachte vader is van een jong kindje en geen strafblad heeft, zou het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van het tot heden ondergane voorarrest rechtvaardigen, aldus de raadsman.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander opzettelijk vervoeren van ruim 120 kilogram cocaïne. Het gebruik van harddrugs werkt verslavend en is zeer schadelijk voor de gezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat drugsgebruik leidt tot (vermogens)criminaliteit en dat het zorgt voor veel schade en onrust in de samenleving. De grootschalige handel in verdovende middelen en de grote geldstromen die daarmee gepaard gaan, werken bovendien ondermijnend voor de legale economie. Aan dat alles heeft de verdachte zich niets gelegen laten liggen.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten gaan bij het opzettelijk vervoeren van meer dan 20.000 gram (20 kilogram) harddrugs als vertrekpunt uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 50 maanden.
Het hof heeft zich er bij de beslissing over de straftoemeting rekenschap van gegeven dat de bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne de in de oriëntatiepunten genoemde hoeveelheid van omgerekend 20 kilogram ruimschoots overschrijdt. Voorts is sprake van medeplegen, wat in voornoemd oriëntatiepunt als strafverzwarende omstandigheid wordt aangemerkt.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op zijn blanco strafblad, zoals blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 november 2025 en het Uittreksel ECRIS Spanje van 8 december 2025, alsmede op het feit dat de verdachte vader is van een jong kind en zijn partner en kind in Spanje wonen.
Alles in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat, in het bijzonder uit het oogpunt van vergelding en algemene preventie, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 60 maanden passend en geboden is. Naar het oordeel van het hof kan aldus niet worden volstaan met de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 54 maanden. Hierin komt de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte leiden niet tot een ander oordeel. Het hof gaat dan ook voorbij aan het strafmaatverweer van de verdediging.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 vanPro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 vanPro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 47 vanPro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaarthet bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 60 (zestig) maanden.
Beveeltdat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier,
en op 12 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Bosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.