ECLI:NL:GHSHE:2026:373

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
20-001115-25 (OWV)
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 408 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens termijnoverschrijding bij ontnemingsuitspraak

Betrokkene was door de politierechter veroordeeld tot betaling van €33.419,94 als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Tegen dit vonnis stelde betrokkene hoger beroep in, maar dit gebeurde na het verstrijken van de wettelijke termijn.

Betrokkene stelde dat hij pas in april 2025 via zijn casemanager kennis had genomen van de uitspraak en dat zijn handtekening op de akte van uitreiking niet authentiek was. Het hof onderzocht de betekening en concludeerde dat de mededeling van de uitspraak op twee adressen persoonlijk was betekend en dat de handtekeningen sterk overeenkwamen met die van betrokkene.

Omdat het hoger beroep pas op 23 april 2025 werd ingesteld, ruim na de veertiendaagse termijn na de betekening van 10 december 2019, en geen verontschuldigbare reden voor de termijnoverschrijding was gebleken, verklaarde het hof betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het te laat instellen van het beroep zonder verontschuldigbare reden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001115-25 (OWV)
Uitspraak : 12 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 juni 2018 op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-260241-17 (ontneming) tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
thans uit anderen hoofde verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 33.419,94, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De politierechter heeft de vordering voor het overige afgewezen.
Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, nu dit beroep niet tijdig is ingesteld.
De raadsman van de betrokkene heeft bepleit dat de betrokkene ontvankelijk is in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De raadsman heeft bepleit dat de betrokkene pas op 18 april 2025 via zijn casemanager in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] kennis heeft genomen van de ontnemingsuitspraak van de politierechter van 26 juni 2018 en hij derhalve tijdig op 23 april 2025 daartegen hoger beroep heeft ingesteld. De betrokkene heeft verklaard dat de handtekening onder de akte van uitreiking van de mededeling uitspraak ontneming d.d. 10 december 2019 niet zijn handtekening is en dat hij derhalve niet vanaf die datum al op de hoogte was van de uitspraak van de politierechter in de ontnemingszaak. De handtekening die is gezet onder de akte van uitreiking van de mededeling uitspraak ontneming d.d. 10 december 2019 komt volgens de raadsman ook niet overeen met de handtekeningen van de betrokkene zoals blijkt uit het proces-verbaal van verhoor verdachte in de strafzaak met parketnummer 02-260241-17 (doorgenummerde dossierpagina’s 10-15) en het rijbewijs van de betrokkene (doorgenummerde dossierpagina 17).
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De dagvaarding voor de zitting van de politierechter van 26 juni 2018 is niet in persoon aan de betrokkene betekend. De betrokkene is ook niet ter terechtzitting van de politierechter verschenen. De politierechter heeft op 26 juni 2018 verstek verleend aan de betrokkene en vervolgens vonnis gewezen.
Aan de betrokkene is op 23 januari 2019 de mededeling uitspraak met parketnummer 02-260241-17 op de tijdstippen 11.10 uur, 11.12 uur en op 11.15 uur in persoon betekend op het adres [adres 1] . De mededeling uitspraak ontneming met parketnummer 02-260241-17 is vervolgens op 10 december 2019 in persoon betekend op het adres [adres 2] . Volgens de informatiestaat SKDB-persoon van 21 november 2025 heeft de betrokkene op beide adressen gedurende de betreffende uitreikingen ingeschreven gestaan. De handtekeningen die op voornoemde aktes gezet zijn komen naar het oordeel van het hof sterk overeen. Op alle voornoemde aktes is ook de naam van de ontvanger ( [betrokkene] ) ingevuld in blokletters. Het handschrift daarvan wijkt op alle aktes sterk af van dat van het handschrift van de bezorger maar lijkt wel sterk op elkaar. Ook dat is een aanwijzing dat de betrokkene (zoals gebruikelijk) naast zijn handtekening ook steeds zelf zijn naam heeft ingevuld. Daarnaast is het hof niet gebleken dat op beide adressen tijdens het uitreiken van de mededeling uitspraak eenzelfde medebewoner aanwezig was.
Uit voornoemde omstandigheden leidt het hof af dat het wel degelijk de betrokkene is geweest die de handtekening heeft gezet onder de akte van uitreiking van de mededeling uitspraak ontneming op 10 december 2019. Ingevolge het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering had de betrokkene binnen veertien dagen na de op de hiervoor genoemde datum gewezen betekening van het verstekvonnis hoger beroep moeten instellen.
Het hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep echter eerst op 23 april 2025 – en derhalve lang na het verstrijken van de appeltermijn – ingesteld. Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld en niet is gebleken dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, zal het hof de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen en mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffiers,
en op 12 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.