ECLI:NL:GHSHE:2026:353

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.362.990_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265d BWArt. 390 RvArt. 384 RvArt. 32 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens onrechtmatigheid

De rechtbank Limburg verleende op 21 november 2025 een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor twee weken, gevolgd door een machtiging voor de resterende termijn tot 21 februari 2026. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissingen en vorderde vernietiging van de machtigingen en herroeping van de voorlopige ondertoezichtstelling.

Tijdens de procedure stelde het hof vast dat de raad zich had gebaseerd op onjuiste en eenzijdige informatie van de gemeente, zonder voldoende hoor en wederhoor toe te passen. De moeder toonde aan dat de situatie van de minderjarige, die ADHD heeft en mogelijk ASS, beter begeleid had moeten worden met passende hulpverlening en dat de uithuisplaatsing een ontoelaatbare inmenging in het gezinsleven vormde.

Het hof oordeelde dat de spoedmachtiging op 21 november 2025 weliswaar noodzakelijk was gezien de acute situatie, maar dat de feitelijke onderbouwing en procedurele aspecten onrechtmatig waren. De machtiging voor de resterende periode was onrechtmatig omdat objectieve informatie beschikbaar was die de noodzaak ontkende. De GI beëindigde de machtiging op 19 december 2025 en achtte de moeder capabel om de zorg te dragen.

De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot herroeping van de voorlopige ondertoezichtstelling omdat dit verzoek bij de rechtbank moet worden ingediend. Het hof vernietigde de machtigingen tot uithuisplaatsing en concludeerde dat de maatregelen in strijd waren met artikel 8 lid 2 EVRM Pro.

Uitkomst: De machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarige zijn onrechtmatig verklaard en de moeder is niet-ontvankelijk in haar verzoek tot herroeping van de voorlopige ondertoezichtstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Zaaknummer gerechtshof: 200.362.990/01
Zaaknummer rechtbank: C/03/347277 / JE RK 25-1989
beschikking van 12 februari 2026 over een machtiging uithuisplaatsing
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. D.M.J.M.G. Cuijpers,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
In deze procedure is als belanghebbende aangemerkt:
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
regio Zuid-Limburg, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de GI,
Deze procedure betreft de minderjarige:
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De zaak in het kort:
De rechtbank heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. De moeder is het daar niet mee eens en is van die beslissing in hoger beroep gekomen.

1.De procedure bij de rechtbank en de procedure bij het hof

1.1.
Bij beschikking van 21 november 2025, en op schrift gesteld op 21 november
2025, heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht:
  • [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 november 2025 tot 21 februari 2026;
  • uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 november 2025 voor de duur van twee weken, tot 5 december 2025;
  • de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
1.2.
Bij de bestreden beslissing van 1 december 2025, op schrift gesteld op 11 december 2025, heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, uitvoerbaar bij voorraad, machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de resterende termijn, dus tot 21 februari 2026.
1.3.
Voor het verloop van de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de beschikking waartegen dit hoger beroep is ingesteld.
1.4.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep.
1.5.
Het hof neemt de volgende stukken mee in zijn beslissing:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2025;
  • drie V6-formulieren met bijlagen van de advocaat van de moeder van 7 januari 2026;
  • de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder van 23 januari 2026;
  • het bericht van de raad van 26 januari 2026.
1.6.
De mondelinge behandeling bij het hof was op 27 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Cuijpers;
  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.7.
Het hof heeft [minderjarige] uitgenodigd om zijn mening te geven aan het hof.
[minderjarige] heeft aangegeven met de rechter te willen komen praten. Vóór de mondelinge behandeling van het hof kon daartoe vanwege de korte tijdspanne geen afspraak worden gemaakt. Dit is tijdens de mondelinge behandeling met de moeder en haar advocaat besproken. De moeder gaf daarbij aan dat [minderjarige] van een gesprek met de rechter wenst af te zien.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag.
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.De verzoeken in hoger beroep

3.1.
De moeder wil dat het hof de beschikking van 1 december 2025, op schrift gesteld op 11 december 2025, vernietigt en:
  • het aangehouden deel van de verzoeken alsnog afwijst.
  • de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] én de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , afgegeven bij beschikking van 21 november 2025, te herroepen met ingang van 1 december 2025, in die zin dat de voorlopige ondertoezichtstelling en de voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing met directe ingang beëindigen en dat [minderjarige] weer terug naar huis kan, althans een zodanige beslissing die het hof juist acht en in het belang van [minderjarige] vindt;
  • dan wel de beslissingen van de rechtbank ongedaan te maken dan wel te vernietigen, in die zin dat het hof de op 1 december 2025 gegeven beslissing voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de resterende termijn, dus tot 21 februari 2026, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, vernietigt.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de advocaat van de moeder nader toegelicht dat de moeder, zoals ook uit het lichaam van het beroepschrift blijkt, (ook) een oordeel van het hof wenst over de rechtmatigheid van de zowel bij beschikking van 21 november 2025 als bij beschikking van 1 december 2025 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] .
3.3.
De raad en de GI hebben geen verweerschrift ingediend, maar op de mondelinge behandeling laten weten wat zij vinden van het hoger beroep.

4.De standpunten

4.1.
De moeder voert het volgende aan.
De beslissingen van de rechtbank over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn onjuist; de rechtbank heeft onjuiste feiten en omstandigheden aan de beslissingen ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft de door de moeder aangedragen feiten en omstandigheden onjuist weergegeven. Het gaat dan om de verstandhouding tussen de ouders, de medicatie van [minderjarige] op de basisschool, hoe het met [minderjarige] op de basisschool en op het voorgezet onderwijs ging, de samenwerking met GGZ-organisatie [GGZ-organisatie] en de kwalijke gang van zaken op de school van [minderjarige] , [school] .
[minderjarige] heeft gedurende 18 maanden thuis gezeten als gevolg van het in strijd met de wet- en regelgeving handelen van [school] . [minderjarige] is ten onrechte van school verwijderd. Dit heeft de onderwijsgeschillencommissie beslist in de door de moeder geëntameerde procedure.
[minderjarige] is opnieuw toegelaten op [school] , op een andere locatie. [minderjarige] heeft een goede start gemaakt, maar er gingen helaas ook dingen niet goed. Tegen de afspraken in heeft [minderjarige] niet de begeleiding gekregen die hij, gezien het lange schoolverzuim en zijn kind eigen problematiek, nodig had. [minderjarige] werd in het diepe gegooid en kreeg wederom te maken met de discriminatie waar hij eerder te maken heeft gehad. De moeder had graag een buddie voor [minderjarige] gewenst, omdat hem dat in het verleden ook geholpen heeft. Om problemen te voorkomen en omdat hij bang was weer van school te worden gestuurd, is hij op enig even moment thuisgebleven. [minderjarige] reageerde zijn frustratie op de moeder af, hetgeen de moeder begrijpt omdat zij zijn veilige haven is. Het was moeilijk om [minderjarige] weer in een goed dag-/nachtritme te krijgen nadat hij lang thuis heeft gezeten. [betrokkene] verleende hierbij hulp aan de moeder. De moeder heeft een sociaal netwerk en krijgt ondersteuning vanuit WMO in het huishouden. De moeder staat open voor alle hulpverlening. Zij is altijd degene geweest die alle vrijwillige hulp voor [minderjarige] heeft ingeschakeld en uitgevoerd.
Op 21 november 2025 ging het mis. [minderjarige] kreeg niet de juiste hulp en begeleiding en liep daardoor vast. In plaats van hem te helpen werd er gedreigd met het afnemen van het enige dat hem plezier, structuur en regelmaat bood: voetbal. De moeder werd verweten dat het aan haar (opvoeding) lag en daarom wilde de gemeente MST inzetten. Zou de moeder daarmee niet instemmen, dan zou de gemeente naar de beschermtafel gaan en dan zou de moeder [minderjarige] pas op zijn achttiende weer zien. De moeder en [minderjarige] werden onder druk gezet om te tekenen voor MST, terwijl de moeder wist dat het geen opvoedprobleem was waardoor [minderjarige] vastliep; niet iedere worsteling is een opvoedprobleem. De moeder en [minderjarige] zaten bovendien net midden in de trajecten waarvoor de moeder zich al jaren had ingezet. De moeder en [minderjarige] hebben onder druk op 18 november 2025 het aanmeldformulier voor MST getekend. De toenemende druk en dreigementen vanuit de gemeente, de opgelopen frustratie bij [minderjarige] omdat zijn school de afspraken niet nakwam en het uitblijven van de juiste hulp hebben op 21 november 2025 tot een autistische ‘melt down’ bij [minderjarige] geleid. De moeder werd onder druk gezet om de crisisdienst te bellen. Uit angst voor de politie heeft [minderjarige] zich vervolgens in het toilet opgesloten. In het verslag staat dat de moeder bang was voor [minderjarige] , maar dat was niet zo.
[minderjarige] is continu bang dat hij weer uit huis wordt geplaatst. Hij is ernstig getraumatiseerd door de gebeurtenissen. Ook heeft het vertrouwen van [minderjarige] in de moeder een deuk opgelopen, aangezien zij er (onder druk) mee heeft ingestemd dat [minderjarige] werd meegenomen. De moeder was toegezegd dat hij geen handboeien om zou krijgen en dat hij niet in een cel zou worden geplaatst, hetgeen echter wel is gebeurd.
[instantie 1] heeft in oktober 2025 een diagnose gesteld. [minderjarige] heeft ADHD. Er zal nog nader onderzoek gedaan worden naar het bestaan van een autisme spectrum stoornis (ASS). De moeder heeft nog steeds niet de schriftelijke diagnostiek in handen. Ook heeft de moeder nog steeds geen behandelplan van [instantie 1] vernomen. De moeder belt echter wekelijk voor een update. Inmiddels krijgt [minderjarige] 36 mg Medikinet (medicatie voor ADHD).
De rechtbank heeft op 1 december 2025 ten onrechte het advies van [instantie 2] van 26 november 2025 om de machtiging uithuisplaatsing voor de resterende duur niet te verlenen, niet opgevolgd. De moeder heeft voldoende duidelijk gemaakt hoe zij in de toekomst herhaling wil voorkomen, namelijk door middel van behandeling of therapie voor [minderjarige] voor zijn ADHD en voor zijn autisme spectrum stoornis, medicatie, één-op-één begeleiding, inzet van MST en ambulante hulpverlening binnen het gezin. Uit het advies van [instantie 2] bleek ook dat het niet te vroeg was voor [minderjarige] om naar huis te gaan. Hij was veelal al thuis en dat ging goed. Vanaf 25 november mocht [minderjarige] de voetbaltrainingen hervatten. Het weekend van 29 en 30 november was [minderjarige] overdag thuis en overnachtte hij alleen nog bij [instantie 2] . De moeder en [instantie 2] hebben een goed contact onderhouden. [instantie 2] was dan ook verbaasd dat de kinderrechter een machtiging had verleend voor de resterende duur. [minderjarige] hoort niet thuis op een groep, vond [instantie 2] , mede gelet op zijn positieve houding, het gedrag dat hij bij [instantie 2] heeft laten zien en het goede contact dat [minderjarige] met de moeder heeft.
Sinds 1 december 2025 zijn er weer nieuwe feiten en omstandigheden bijgekomen en is de situatie voor [minderjarige] gewijzigd. Vanaf 3 december 2025 ging [minderjarige] weer naar school, na school ging hij rechtstreeks naar de moeder en daarna naar zijn voetbaltrainingen, om bij [instantie 2] te slapen. De raad heeft in contact met de GI op 4 december het volgende besloten: van vrijdag 5 december tot en met maandag 8 december 2925 mocht [minderjarige] op weekendverlof; van donderdag 11 december 2025 tot maandagochtend schooltijd mocht [minderjarige] bij de moeder overnachten (weekendverlof). Sinds donderdag 19 december 2025 verblijft [minderjarige] weer volledig bij de moeder. [instantie 2] leverde in de periode daarvoor nog slechts bed, bad en brood. De moeder heeft [minderjarige] in deze weken (dagelijks) van en naar [instantie 2] , voetbal en school gereden.
4.2.
De raad voert het volgende aan.
De raad is nog bezig met het onderzoek naar de noodzaak van een (definitieve) ondertoezichtstelling. Op 22 januari 2026 is echter reeds een eindbesluit genomen door de raad. De raad verwijst de moeder terug naar de reeds lopende vrijwillige hulpverlening en acht regievoering door de gemeente niet strikt noodzakelijk, deze moeder kan dit ook prima zelf.
De gang van zaken in dit dossier verdient geen schoonheidsprijs. Achteraf gezien is op basis van onvolledige en onjuiste informatie vanuit de gemeente verzocht om de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] . De raad heeft geen hoor- en wederhoor toegepast en is slechts afgegaan op eenzijdige informatie vanuit de gemeente, terwijl de feiten en omstandigheden – naar later bleek – veel genuanceerder bleken te liggen. Hoewel te begrijpen is dat de raad destijds op basis van de informatie die op 21 november 2025 bij de raad bekend was om de VOTS en spoedmachtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verzocht, is achteraf gezien die informatie niet correct gebleken en de raad betreurt dat de gegeven informatie niet goed is gecontroleerd.
Wat de moeder aangeeft klopt en de raad kan zich voorstellen dat de moeder een oordeel wenst over de rechtmatigheid van de uitgesproken maatregelen, ook ten aanzien van de spoedmaatregel op 21 november 2025. De moeder is erg onder druk gezet. Inmiddels is het de raad duidelijk geworden dat de moeder de hulp rondom [minderjarige] prima zelf kan inzetten.
4.3.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende verklaard.
De GI kan zich voorstellen dat het op 21 november 2025 nodig was om [minderjarige] uit de situatie te halen. De verlening van de machtiging uithuisplaatsing voor de resterende duur was echter niet nodig. Vanaf 3 december 2025 was de GI betrokken. Vanaf de eerste kennismaking heeft de GI een meewerkende moeder gezien die haar kinderen enorm goed kent. De moeder heeft zelf gezorgd voor de inzet van hulpverlening. De gemeente had blijkbaar een ander idee over de opstelling van de moeder.
Al snel werd duidelijk dat [minderjarige] het beste thuis kon zijn. De GI moest de schriftelijke vastlegging van de beslissing van 1 december 2025 afwachten om tot een goed veiligheidsplan te komen. [minderjarige] was op dat moment echter al veel thuis – de moeder bracht hem overal naar toe – en de GI zag zelf de noodzaak van een machtiging voor de resterende termijn niet.
De moeder regelt ook binnen de voorlopige ondertoezichtstelling alles zelf. Zij heeft de GI niet nodig.
De GI begrijpt dat de moeder een oordeel wenst over de rechtmatigheid van de uitgesproken maatregelen. De moeder heeft het gevoel een ‘stempel’ te dragen terwijl ze dat niet verdient.

5.De motivering van de beslissing

Omvang van de rechtsstrijd / ontvankelijkheid
Voorlopige ondertoezichtstelling - herroeping
5.1.
De moeder vraagt herroeping van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] bij beschikking van 21 november 2025. Ze voert daartoe aan dat ze dat reeds in eerste aanleg bij wijze van zelfstandig verzoek heeft verzocht, maar dat de rechtbank heeft verzuimd daarover in de beschikking van 1 december 2026 te beslissen.
5.2.
Voor zover de moeder heeft verzocht de beslissing tot voorlopige ondertoezicht-stelling van [minderjarige] te herroepen, zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren. Een verzoek tot herroeping kan op grond van artikel 390 en Pro 390 jo. 384 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld, te weten de rechtbank.
Voor zover de rechtbank verzuimd heeft op dat reeds gedane verzoek te beslissen, kan de moeder op grond van artikel 32 Rv Pro de rechtbank verzoeken om de beslissing aan te vullen. Een dergelijk verzoek kan te allen tijde worden gedaan. Het verzoeken van aanvulling is ook mogelijk nadat reeds een rechtsmiddel is ingesteld en zelfs als geen rechtsmiddelen meer openstaan.
5.3.
Voor zover de moeder bedoeld heeft in hoger beroep te komen van de voorlopige ondertoezichtstelling is zij ook in zoverre niet-ontvankelijk. Tegen een beschikking waarbij een voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken staat op grond van artikel 807 aanhef Pro en sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet, zodat het hof zich daarover niet meer kan buigen.
5.4.
Gelet op al het voorgaande liggen in deze procedure in hoger beroep ter beoordeling aan het hof voor de beslissingen van de rechtbank in de beschikkingen van 21 november 2025 (op schrift gesteld op 21 november 2025) en 1 december 2025 (op schrift gesteld op 11 december 2025) op het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen.
Het juridisch kader
Uithuisplaatsing
5.5.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.6.
Een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die (in crisis) met het uitspreken van een voorlopige ondertoezichtstelling wordt verleend, wordt ook wel een
spoedmachtiging genoemd, maar dat is vanuit wettelijke oogpunt een ‘gewone’ machtiging op grond van 1:265b BW, die zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden en de minderjarige op grond van 800/809 lid 3 Rv kan worden verleend indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
Tegen een beschikking houdende een ‘spoedmachtiging’ staat gewoon hoger beroep open.
5.7.
Een uithuisplaatsing betekent een inmenging in het familie- en gezinsleven van de ouder. Dit is toelaatbaar indien de inmenging aan de vereisten in art. 8 lid 2 EVRM Pro voldoet. De inmenging moet ‘voorzien bij wet’ zijn, en ‘nodig zijn in een democratische samenleving’. Het hof moet in dat kader ten eerste onderzoeken of, gelet op de zaak als geheel, de aangevoerde redenen ter rechtvaardiging van de maatregelen ‘relevant en voldoende’ waren; ten tweede moet worden onderzocht of het besluitvormingsproces eerlijk was en of de rechten van de moeder en [minderjarige] op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag naar behoren in acht zijn genomen (EHRM 13 maart 2012, nr. 4547/10 (Y.C./V.K.), § 133).
Feitelijke stand van zaken
5.8.
Het hof stelt vast dat er thans geen lopende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] meer is.
De rechtbank heeft op twee verschillende momenten beslist op het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden, te weten:
  • op 21 november 2025, waarbij een machtiging is verleend voor de duur van twee weken, namelijk van 21 november 2025 tot 5 december 2025, welke periode reeds is verstreken;
  • op 1 december 2025, waarbij een machtiging is verleend voor het resterende deel van het verzoek, namelijk van 5 december 2025 tot 21 februari 2026 (derhalve gedurende het resterende deel van de voorlopige ondertoezichtstelling). Deze periode is nog niet verstreken, maar de machtiging is door de GI op 19 december 2025 reeds beëindigd op grond van 1:265d BW, nu de GI de machtiging niet langer noodzakelijk achtte in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en het belang van [minderjarige] zich niet tegen beëindiging van de uithuisplaatsing verzette.
Nu beide machtigingen zijn verlopen c.q. beëindigd kan [minderjarige] op grond van die machtigingen niet meer uit huis worden geplaatst.
Rechtmatigheidsoordeel
5.9.
Uit de toelichting van de advocaat van de moeder tijdens de mondelinge behandeling op het verzoek in het beroepschrift, in samenhang bezien met de inhoud van de grieven en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, blijkt dat de moeder een rechtmatigheidsoordeel wenst ten aanzien van de spoedmachtiging, verleend bij beschikking van 21 november 2025, en ten aanzien van de machtiging voor het resterende deel, verleend bij beschikking van 1 december 2025.
5.10.
Op grond van artikel 3:303 BW Pro komt zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe. Aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, dient zijn procesbelang niet te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold, inmiddels is verstreken (HR 24 juni 2011, NJ 2011, 390). In het verlengde hiervan wordt ook in zaken waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind aangenomen dat deze ouder, gelet op het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, ook als de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken (HR 14 oktober 2011, NJ 2011, 596).
Het hof zal de moeder ontvangen in haar verzoek om een rechtmatigheidstoets.
5.11.
Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de raad het standpunt ingenomen dat, achteraf gezien, de gehele gang van zaken vanaf 21 november 2025 onjuist is geweest. Het hof laat in dezen zwaar wegen dat de raad zelf tot deze conclusie komt. De raad heeft zich laten leiden door achteraf onjuist gebleken informatie van de gemeente en heeft daarbij zelf onvoldoende hoor- en wederhoor toegepast. De GI en de raad hebben op de mondelinge behandeling van het hof de lezing van de moeder bevestigd dat de gemeente de moeder en [minderjarige] onnodig en volstrekt onterecht onder druk heeft gezet door te dreigen met een uithuisplaatsing van [minderjarige] en door te zeggen dat [minderjarige] , als hij niet zou gaan meewerken, niet meer zou mogen voetballen en dat hij voor zijn achttiende niet meer thuis zou komen wonen.
5.12.
Het hof acht de verklaring van de moeder over wat er op 21 november 2025 bij [minderjarige] gebeurde aannemelijk, gezien de bij hem in oktober 2025 gestelde diagnose (ADHD en nader te onderzoeken ASS problematiek) en de in de periode daarvoor bij hem opgelopen gevoelens van spanning, druk, frustratie en machteloosheid over de gehele situatie. Dat betekent niet dat het gedrag van [minderjarige] op dat moment niet heel zorgelijk was. [minderjarige] had op dat moment echter een andere en de-escalerende benadering nodig en de forse en onterechte druk die door de gemeente werd uitgeoefend had bij de moeder en [minderjarige] moeten worden weggenomen.
In een eerder stadium had, zoals eerder was afgesproken, goede begeleiding bij de terugkeer van [minderjarige] op school moeten worden ingezet. Met de moeder had voorts moeten worden samengewerkt bij haar inzet van hulpverlening passend bij de recent gediagnosticeerde kind-problematiek van [minderjarige] in plaats van de benadering van de problemen van [minderjarige] als een opvoedprobleem en systeemproblematiek.
5.13.
Het hof is van oordeel dat de piketrechter in de nacht van 20 op 21 november 2025 op basis van de door de raad mondeling verstrekte (eenzijdige) informatie, in combinatie met de ernst van het gedrag van [minderjarige] – de situatie thuis was geëscaleerd, hij had zich op het toilet verschanst en had een schaar bij zich – terecht heeft geoordeeld dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] op dat moment noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding, te meer omdat er geen andere oplossing voorhanden leek.
5.14.
Het hof acht de uithuisplaatsing van [minderjarige] van 21 november 2025 tot 5 december 2025 niettemin onrechtmatig. Kijkend naar de zaak als geheel, waarbij de feitelijke onderbouwing die de raad aan het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ten grondslag heeft gelegd ondeugdelijk tot stand is gekomen en de rechten van de moeder en [minderjarige] in de procedure onvoldoende in acht zijn genomen, kan het hof niet anders concluderen dan dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] een ontoelaatbare inmenging in het gezinsleven van [minderjarige] en de moeder hebben teweeggebracht. De onrechtmatigheid zit naar het oordeel van het hof in de (procedure)beslissingen die in de aanloop naar die beslissing zijn genomen en de wijze waarop de feitelijke onderbouwing van het verzoek tot stand is gekomen.
Het hof acht de uithuisplaatsing van [minderjarige] daarmee in strijd met artikel 8 lid 2 EVRM Pro, met name omdat de maatregel in het licht van de omstandigheden van de gehele situatie, niet relevant en adequaat was voor de doelen die in art. 8 lid 2 EVRM Pro worden genoemd.
5.15.
Het hof acht de uithuisplaatsing van [minderjarige] na 5 december 2025, op grond van de daartoe op 1 december 2025 verleende machtiging, eveneens onrechtmatig.
Op dat moment was er namelijk objectieve informatie beschikbaar op basis waarvan geoordeeld had moeten worden dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Op de dag van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 1 december 2025 heeft de moeder immers het gezinsveiligheidsplan crisishulp Jeugd voor [minderjarige] van [instantie 2] d.d. 26 november 2025 overgelegd. Uit de bestreden beschikking van 1 december 2025 blijkt dat de rechtbank kennis heeft genomen van dit stuk. [instantie 2] is in de bevindingen in het gezinsveiligheidsplan uiterst positief over [minderjarige] , over zijn gedrag en houding op de groep en over het contact met zijn familie. In het stuk ligt een goed onderbouwd advies van [instantie 2] om de machtiging uithuisplaatsing niet te verlenen voor de resterende periode. [minderjarige] verbleef op dat moment immers ook al bijna dagelijks weer bij de moeder; [instantie 2] leverde al vrij snel alleen nog maar ‘bad bed en brood’ aan [minderjarige] .
De GI is pas na de beschikking van 1 december 2025 betrokken geraakt. De GI had echter reeds in het dictum van de beschikking van 21 november 2025 als belanghebbende in de nog lopende procedure moeten worden aangemerkt, zijnde de met de uitvoering van de VOTS belaste GI, en de GI had voor de mondelinge behandeling van 1 december 2025 moeten worden opgeroepen. De GI heeft direct vanaf de kennismaking met de moeder een meewerkende en adequaat handelende moeder gezien. De GI acht de moeder, evenals de raad thans, prima in staat om de zorg voor [minderjarige] ter hand te nemen en de regie te voeren over de voor hem in te zetten hulpverlening. Zou de GI correct en tijdig in de procedure zijn betrokken, dan hadden de bevindingen van de GI bij de oordeelsvorming van de rechter op 1 december 2025 betrokken kunnen worden.
5.16.
Samenvattend stelt het hof vast dat de bij [minderjarige] na de uithuisplaatsing betrokken professionals, de GI, de raad en [instantie 2] , al snel hebben geconcludeerd dat er geen noodzaak (meer) was voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] . De raad heeft in contact met de GI het verblijf van [minderjarige] bij [instantie 2] direct na de beslissing van 1 december 2025 in korte tijd verder afgebouwd. Er was op 1 december 2025 dus geen sprake (meer) van een ernstig bedreigende situatie voor de gezondheid of ontwikkeling van [minderjarige] die maakte dat een (gesloten) uithuisplaatsing noodzakelijk was. Duidelijk was of had moeten zijn dat de omstandigheden het toelieten dat gezinshereniging plaats zou vinden, zodat het resterende deel van het verzoek van de raad had moeten worden afgewezen.
5.17.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot herroeping van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] en in haar hoger beroep ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling;
bepaalt dat de uithuisplaatsingen ingevolge de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 november 2025 en van 1 december 2025, voor zover de rechtbank machtiging heeft verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van 21 november 2025 tot 5 december 2025 respectievelijk voor de duur van 5 december 2025 tot 21 februari 2026 onrechtmatig zijn geweest.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.M.C. Dumoulin en C.L.M. Smeets en is op 12 februari 2026 uitgesproken door mr. A.J.F. Manders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.