Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.De procedure bij de rechtbank en de procedure bij het hof
- [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 november 2025 tot 21 februari 2026;
- uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 november 2025 voor de duur van twee weken, tot 5 december 2025;
- de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
- het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2025;
- drie V6-formulieren met bijlagen van de advocaat van de moeder van 7 januari 2026;
- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder van 23 januari 2026;
- het bericht van de raad van 26 januari 2026.
- de moeder, bijgestaan door mr. Cuijpers;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.De feiten
3.De verzoeken in hoger beroep
- het aangehouden deel van de verzoeken alsnog afwijst.
- de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] én de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , afgegeven bij beschikking van 21 november 2025, te herroepen met ingang van 1 december 2025, in die zin dat de voorlopige ondertoezichtstelling en de voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing met directe ingang beëindigen en dat [minderjarige] weer terug naar huis kan, althans een zodanige beslissing die het hof juist acht en in het belang van [minderjarige] vindt;
- dan wel de beslissingen van de rechtbank ongedaan te maken dan wel te vernietigen, in die zin dat het hof de op 1 december 2025 gegeven beslissing voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de resterende termijn, dus tot 21 februari 2026, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, vernietigt.
4.De standpunten
5.De motivering van de beslissing
spoedmachtiging genoemd, maar dat is vanuit wettelijke oogpunt een ‘gewone’ machtiging op grond van 1:265b BW, die zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden en de minderjarige op grond van 800/809 lid 3 Rv kan worden verleend indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
- op 21 november 2025, waarbij een machtiging is verleend voor de duur van twee weken, namelijk van 21 november 2025 tot 5 december 2025, welke periode reeds is verstreken;
- op 1 december 2025, waarbij een machtiging is verleend voor het resterende deel van het verzoek, namelijk van 5 december 2025 tot 21 februari 2026 (derhalve gedurende het resterende deel van de voorlopige ondertoezichtstelling). Deze periode is nog niet verstreken, maar de machtiging is door de GI op 19 december 2025 reeds beëindigd op grond van 1:265d BW, nu de GI de machtiging niet langer noodzakelijk achtte in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en het belang van [minderjarige] zich niet tegen beëindiging van de uithuisplaatsing verzette.