Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:317

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
200.347.883_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing vorderingen levering nutsvoorzieningen vakantiepark

Appellante is eigenaar van een bungalow op een vakantiepark dat door Zwarte Bergen Invest B.V. (ZBI) wordt geëxploiteerd. Na overname van het park door ZBI ontstond een geschil over de levering en facturering van elektriciteit, gas en water, mede door plaatsing van zonnepanelen en gewijzigde tarieven. Appellante vorderde in kort geding heraansluiting en levering van elektriciteit en gas, welke vorderingen door de voorzieningenrechter werden afgewezen.

In hoger beroep betoogt appellante dat ZBI tekortschiet in de nakoming van de leverings- en prijsafspraken, met name over de periode 1 juli 2023 tot 31 december 2024. ZBI stelt dat zij bevoegd is het Reglement 2024 eenzijdig vast te stellen en dat appellante tekortschiet in haar betalingsverplichtingen, waardoor opschorting van levering gerechtvaardigd is.

Het hof overweegt dat de rechtsverhouding wordt beheerst door notariële leveringsaktes, het Reglement 2008, 2022 en 2024, waarbij ZBI bevoegd is reglementen en tarieven vast te stellen met overlegrecht van de vereniging. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat vaste prijsafspraken gelden voor de betwiste periode. De opschorting van levering door ZBI is gegrond vanwege betalingsachterstanden van appellante.

De vorderingen tot heraansluiting en levering van elektriciteit en gas worden afgewezen, evenals de vordering tot dwangsom. Het hof bekrachtigt het vonnis van 1 oktober 2024 en veroordeelt appellante in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van 1 oktober 2024 en wijst het hoger beroep af, waarbij appellante wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.347.883/01
arrest van 3 februari 2026
in de zaak van
[persoon A]en
[persoon B] ,beiden wonende te [woonplaats] , eigenaars van bungalow nummer 1,
[persoon C] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 2,
[persoon D]en
[persoon E] ,beiden wonende te [woonplaats] , eigenaars van bungalow nummer 3,
[persoon F] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 4,
[persoon G]en
[persoon H] ,beiden wonende te [woonplaats] , eigenaars van bungalow nummer 5,
[persoon I] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 6,
[persoon J] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 7,
[persoon K] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 8,
[persoon L] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 9,
[persoon M] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 10,
[persoon N] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 11,
[persoon O]en
[persoon P] ,beiden wonende te [woonplaats] , eigenaars van bungalow nummer 12,
[persoon Q] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 13,
[persoon R]en
[persoon S] ,beiden wonende te [woonplaats] , eigenaars van bungalow nummer 14,
[persoon T] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 15,
[YY] OG B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , eigenaar van bungalow nummer 18,
[persoon U]en
[persoon V] ,beiden wonende te [woonplaats] , eigenaars van bungalow nummer 21
[persoon W] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 22,
[persoon X] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 25,
[persoon Y] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 26,
[persoon Z] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 27,
[persoon AAA]en
[persoon BBB] ,beiden wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 28,
[persoon CCC] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 29,
[persoon DDD] ,wonende te [woonplaats] , en
[persoon EEE] ,wonende te [woonplaats] , eigenaars van bungalow nummer 30,
[persoon FFF] ,wonende te [woonplaats] , eigenaar van bungalow nummer 31,
appellanten,
hierna in vrouwelijk enkelvoud: [appellante] ,
advocaat: mr. C.C.C.A.M. Kuijken te Valkenswaard,
tegen
De Zwarte Bergen Invest B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: ZBI ,
advocaat: mr. I.A. Reinke te ‘s-Hertogenbosch,
op het bij dagvaardingsexploot van 29 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 1 oktober 2024, rolnummer C/01/407303 / KG ZA 24-456 gewezen tussen [appellante] en Gebr. [--] Beheer B.V. (hierna: [--] ) als eisers en ZBI als gedaagde.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen kortgedingvonnis van 1 oktober 2024.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van [appellante] met grieven en producties 50 tot en met 56 en de conclusie van eis;
  • de rolaantekening dat een door [appellante] verzocht spoedappel is afgewezen;
  • de door ZBI genomen memorie van antwoord met producties 43 tot en met 51.
  • de rolaantekening dat partijen arrest hebben gevraagd en het dossier hebben gefourneerd.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
2.3
Zowel de dagvaarding in hoger beroep als de memorie van antwoord duidt [appellante] als appellanten oplopend genummerd aan, maar die nummering verspringt door het ontbreken van de nummers 16, 17, 19,20, 23 en 24. Dat betreft evenwel een kennelijke verschrijving, waardoor partijen niet in een rechtens te respecteren belang worden geschaad.
2.4.1
Na de op 7 januari 2025 door [appellante] genomen memorie van antwoord is partijen een termijn van twee weken verleend voor beraad. Blijkens rolaantekening hebben beide partijen vervolgens op 21 januari 2025 arrest gevraagd en hebben zij later ieder ook het procesdossier daartoe gefourneerd, [appellante] bij H16 d.d. 5 februari 2025. Daarna heeft [appellante] bij H16 d.d. 10 februari 2025 onder verwijzing naar de aanvankelijke verstekverlening in de door [--] tegen ZBI aanhangig gemaakte beroepszaak 200.347.876/01 geschreven dat daardoor bij een mogelijke:
“(…) voeging van de zaak met [--] , dan zal dit tot ongewenste, alsook tot onterechte vertraging leiden in de behandeling van de zaak en in het bijzonder ten aanzien van het mogelijk bepalen van een datum voor een comparitie. (…) Hierbij verzoek ik dan ook om onderhavige zaak niet te voegen met de zaak van [--] en binnen een zo kort mogelijke termijn, althans binnen een voor het hof haalbare termijn over te gaan tot datumpbepaling voor een mondelinge behandeling.”
(hierna: het verzoek).
2.4.2
Naar het hof begrijpt, deed [appellante] het verzoek in de verwachting dat in beide beroepszaken ambtshalve een mondelinge behandeling zou worden bepaald en wilde [appellante] daarmee voorkomen dat de aanvankelijke verstekverlening in zaak 200.347.876/01 bij een eventuele voeging tot een vertraging in de behandeling van deze zaak zou leiden. Nu in geen van beide beroepszaken ambtshalve een mondelinge behandeling is bepaald, blijkt die aan het verzoek van [appellante] ten grondslag liggende verwachting niet uit te komen en kan vandaag zonder mondelinge behandeling arrest worden gewezen.
2.4.3
Voor het hoogst onwaarschijnlijke geval dat [appellante] met het verzoek toch heeft bedoeld te vragen om een afzonderlijke mondelinge behandeling in deze zaak, overweegt het hof wellicht ten overvloede nog als volgt.
Voor zover hier relevant bepaalt het toepasselijke Landelijk procesreglement in:
  • artikel 1.12 dat de termijnen ambtshalve worden gehandhaafd en dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn, het recht vervalt de proceshandeling te verrichten;
  • artikel 2.25 dat na de roldatum waarop de memorie van antwoord kon worden genomen, een termijn van twee weken wordt verleend (voor ‘beraad partijen’) om een verzoek in te dienen tot het nemen van een akte of het vragen van een mondelinge behandeling, het wijzen van arrest of doorhaling, en dat als een dergelijk verzoek achterwege blijft de zaak wordt verwezen naar een roldatum op een termijn van twee weken voor het fourneren van het procesdossier.
Door het ongebruikt laten verstrijken van de termijn voor beraad partijen was het recht van [appellante] om een verzoek in te dienen tot het vragen van een mondelinge behandeling inmiddels al vervallen en geldt niet meer de regel dat een verzoek om een mondelinge behandeling slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgewezen.

3.De beoordeling

Feiten
In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.
3.1.1
Een oorspronkelijk geëxploiteerde camping heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een vakantiepark aan [adres] . Toen de daarop staande recreatiewoningen aan vervanging toe waren, zijn door verkaveling 31 afzonderlijke kavels met bungalows ontstaan, die [--] en [appellante] middels koop in eigendom hebben verkregen. In de daarvan met de rechtsvoorganger van ZBI ondertekende notariële leveringsaktes hebben [--] en [appellante] zich ieder voor hun kavel(s) verplicht:
“BIJZONDERE BEPALINGEN
A.1. (…) om jaarlijks (…) te betalen een vergoeding voor park-/servicekosten, groot negenhonderdvijftig gulden (ƒ 950,00), inclusief omzetbelasting. Dit bedrag zal jaarlijks worden geïndexeerd. (…)
A.2. Kopers verklaren een exemplaar van het huishoudelijk reglement van Vakantiecentrum " [zz] " te hebben ontvangen, en met de inhoud daarvan bekend te zijn en accoord te gaan.
(…)”
De bungalows waren allemaal voorzien van afzonderlijke tussenmeters voor gas, water en elektriciteit.
3.1.2
[--] exploiteert een onderneming. Behoudens [YY] OG B.V. die een onderneming exploiteert, zijn [appellante] natuurlijke personen. Eind 2001 is ten behoeve van [--] en [appellante] de belangenvereniging Vereniging van Bungaloweigenaren [zz] (hierna: de vereniging) opgericht.
3.1.3
De op 6 maart 2008 door de rechtsvoorganger van ZBI en de vereniging ondertekende schriftelijke overeenkomst (hierna: Reglement 2008, elders soms ook wel aangeduid als ‘overeenkomst uit 2007’) vermeldt:
“3: De directie stelt de opbouw van de prijs van het water vast. In het tarief van het water is een bijdrage voor het rioolrecht en de verontreinigingsheffing begrepen.
4: De gasprijs volgt de door Primagaz geadviseerde prijzen, minus de door de directie gehanteerde korting (de hoogte van deze korting is historisch vastgelegd.+25%).
5: De prijs van de elektriciteit volgt de door Essent (leverancier) gehanteerde procentuele prijsstijgingen / prijsdalingen.
(…)
9: De servicekosten omvatten bijdragen voor:
- de toegang tot het zwembad voor zes personen per bungalow per jaar;
- deelname aan het recreatieprogramma;
- de (…) werkzaamheden aan wegen en infrastructuur;
- receptieservice;
- een eerstelijns beroep op de technische dienst van [zz] , waarbij storingen nagekeken kunnen worden. (…)
- afvoer van het huisafval volgens het huishoudelijke reglement, en conform de op
[zz] gehanteerde diftar regeling. (…)
(…)
11. Het huishoudelijke reglement van [zz] wordt vastgesteld door de
directie. Wijzigingen worden vooraf aan het bestuur van de vereniging doorgegeven
en het bestuur heeft recht op overleg (in de bestuursvergadering) waar het zaken
betreft die ook de bungaloweigenaren aangaan.”
3.1.4
In 2018 heeft ZBI van de toenmalige parkeigenaar de exploitatie en het beheer van het vakantiepark overgenomen. Later heeft ZBI ook nog de eigendom verkregen van het perceel dat de 31 kavels met bungalows van [--] en [appellante] omsluit. Hierdoor is de situatie ontstaan dat [--] en [appellante] gas, water en elektriciteit betrekken via het leidingnetwerk (hierna: recreatienet) dat in de grond van ZBI ligt en in eigendom aan ZBI toebehoort.
ZBI onttrekt via haar grootverbruikaansluiting elektriciteit aan het openbare net en heeft daartoe overeenkomsten gesloten met Enexis Netbeheer B.V. (hierna: Enexis) en een energieleverancier. ZBI leverde de elektriciteit via haar recreatienet (door) aan zowel de bungalows als de overige opstallen, waterpompen en straatverlichting op het vakantiepark.
De gasleidingen van de bungalows zijn aangesloten op een door ZBI gehuurde gastank met een capaciteit van 40.000 liter, die ZBI steeds periodiek liet vullen.
De bungalows ontvangen water via het recreatienet van ZBI , welk water ZBI via haar eigen aansluiting aan het openbare net onttrekt.
3.1.5
Na verwerving van het vakantiepark heeft ZBI het plan ontwikkeld om het verouderde vakantiepark te herontwikkelen.
3.1.6
Het op 20 januari 2022 door ZBI na overleg met de vereniging vastgestelde reglement (hierna: Reglement 2022, waarin ZBI is aangeduid als DZB) vermeldt:
“(…) DZB heeft de activiteiten van de camping beëindigd en wil een nieuw vakantiepark
gaan realiseren. De 31 bestaande bungalows gaan middels een separaat deelgebied
onderdeel uit maken van het nieuwe park. De eigenaren van de 31 bestaande bungalows
willen garanties voor de bereikbaarheid, levering van nuts- en overige voorzieningen
tijdens de transitieperiode en in de nieuwe situatie. Afspraken hierover zijn in
onderstaande artikelen vastgelegd.
(…)
Artikel 1. Omschrijving van diensten
1.1.
Dit reglement omvat de diensten die DZB verleent aan de Afnemer.
1.2.
Wijzigingen m.b.t dienstverlening zullen door DZB voor aanvang schriftelijke aan
Afnemer worden medegedeeld.
Artikel 2. Diensten
Water
2.1.
DZB draagt zorg voor waterlevering. DZB stelt de opbouw van de prijs van het water vast conform de overeenkomst uit 2007 (zie bijlage) en conform de in 2021 gehanteerde berekening.
Elektriciteit
2.2.
DZB draagt zorg voor de levering van elektriciteit in de bungalows. DZB stelt de opbouw van de prijs van elektra vast conform de overeenkomst uit 2007 (zie bijlage).
Gas
2.3.
DZB draagt zorg voor de levering van gas in de bungalows. DZB stelt de opbouw van de prijs van gas vast conform de overeenkomst uit 2007 (zie bijlage).
(…)
Artikel 3. Financiële vergoeding
3.1.
De Financiële vergoeding, ook wel te noemen servicekosten, omvatten bijdragen voor de hierboven beschreven diensten. De vergoeding is notarieel vastgelegd in de leveringsakte (geïndexeerd bedrag 2021 is € 638,19).
In 2022 zal nog geen gebruik gemaakt kunnen worden van zwembad en recreatieactiviteiten. In verband met het beëindigen van recreatie activiteiten t.b.v. de herontwikkeling is de dienstverlening in de afgelopen periode ook reeds afgeschaald (geen fysieke receptie, geen postvoorziening, geen oud papier/glasbak, minimaal onderhoud etc). Ter compensatie van bovenstaande zal hiervoor in 2022 een korting worden gegeven van € 300,=”
3.1.7
Uit satellietfoto’s blijkt dat er in 2023 in ieder geval op bungalows van [--] en [persoon J] zonnepanelen waren geplaatst die er in augustus 2020 nog niet waren. Na door ZBI opgenomen contact met Enexis over teruglevering via de grootverbruikaansluiting heeft Enexis bij e-mail van 20 januari 2023 aan ZBI geschreven:
“(…) Op dit moment is er schaarste in uw postcodegebied en worden aanvragen voor teruglevering niet goedgekeurd. (…)”
3.1.8
Enexis heeft bij e-mail van 14 april 2023 nogmaals aan ZBI geschreven dat voor teruglevering via de grootverbruikaansluiting geen capaciteit beschikbaar is, maar ook:
“(…) Het is mogelijk dat elke bungalow-eigenaar een eigen aansluiting aanvraagt wanneer de bungalow een eigen WOZ-object heeft. (…)”
Onder verwijzing naar die e-mail van Enexis heeft ZBI bij e-mail van 14 april 2023 aan de vereniging en [--] en [appellante] bericht:
“(…) verheugt het ons u het volgende te kunnen berichten.
Bij navraag aan Gemeente [xx] is aan ons bevestigd dat elke bungalow een WOZ object is (…)”
3.1.9
Tot 1 juli 2023 baseerde ZBI de doorbelasting van de elektriciteit op de door [--] en [appellante] maandelijks doorgegeven (tussen)meterstanden. Zoals eind 2022 meegedeeld, wilde ZBI die werkwijze vanwege het afsluiten van een variabel contract vervolgens wijzigen door maandelijkse voorschotten te gaan factureren op basis van het laatste jaarverbruik, maar niet alle bungaloweigenaren hebben toen de gefactureerde voorschotbedragen volledig voldaan en/of de meterstanden doorgegeven. De daarop met de vereniging gemaakte afspraak dat ZBI geen maandelijkse voorschotten meer zou factureren maar kwartaalfacturen zou sturen, is nadien weer teruggedraaid.
3.1.10
ZBI heeft op 1 juli 2023 een vast energiecontract afgesloten met als einddatum 31 december 2024 en heeft voor [--] en [appellante] een vast tarief berekend van € 0,38 per kWh, te vermeerderen met € 20,24 per maand aan vaste kosten.
3.1.11
In de Nieuwsbrief van 14 augustus 2023 heeft de vereniging aan [--] en [appellante] geschreven:
“Na langdurige en moeizame onderhandelingen hebben we eindelijk een overeenkomst
bereikt met ZBI over de energietarieven van het 1e en 2e kwartaal 2023.
(…) Onderstaande tarieven (alle bedragen zijn incl. BTW) gaan in rekening worden
gebracht.
Gas:
Per aansluiting, lx per jaar € 57 voor huur gastank (wordt gefactureerd aan begin van
het jaar)
Tarief m3 gas: € 3,13
Voor gas zal het tarief opnieuw berekend worden als de tank gevuld moet worden.
Berekening wordt dan gemaakt op basis van dan geldende dagprijs.
Elektra:
Per aansluiting, 1x per maand € 20,78 vaste kosten.
Tarief per kWh 1e kwartaal 2023: € 0,74
Tarief per kWh 2e kwartaal 2023: € 0,45
Voor elektra heeft ZBI bij hun leverancier de prijzen vastgezet van 1 juli 2023 t/m 31
december 2024. Voorstel van ZBI voor deze periode is € 0,38 per kWh. Wij hebben
inzicht gekregen in het contract en op basis daarvan vinden wij het voorgestelde tarief te
hoog, dit hebben we ZBI gemeld.
Water:
Geen vaste aansluitkosten
Tarief per m3: € 2,26”
3.1.12
Bij e-mail van 25 september 2023 heeft ZBI aan de vereniging geschreven:
“Er is besloten dat er geen overleg meer plaats gaat vinden aangezien we er ondanks
alle openheid van zaken en maximale informatie die we hebben gegeven er toch niet
uitkomen samen. Zelfs niet na het inschakelen van een expert.
Woningen zijn kleinverbruikers (…). Het tarief elektra is dan ook 0,38 p/kWh vanaf 1-7-
2023.
M.b.t. de vaste kosten (…) wordt het transportvermogen aangepast (…). Hierdoor
worden de vaste kosten per 1 juli verlaagd naar 20,24 euro per maand.”
Met het door ZBI vastgestelde tarief is de vereniging vervolgens niet akkoord gegaan. De vereniging heeft haar leden geïnformeerd dat zij een tarief hebben berekend van € 0,31 per kWh. Op advies van de vereniging hebben [--] en [appellante] vanaf juli 2023 het door de vereniging berekende tarief van € 0,31 per kWh zonder facturen te hebben ontvangen betaald. In 2024 zijn [--] en [appellante] € 0,32 per kWh gaan betalen.
3.1.13
Tot de bij facturen van 14 mei 2024 aan [--] in rekening gebrachte (her)berekening voor de periode vanaf 1 januari 2023 baseerde ZBI voor de doorbelasting van de elektriciteit haar facturen op de tussenmeterstanden die door [--] en [appellante] maandelijks werden doorgegeven.
3.1.14
Bij brief van 8 april 2024 heeft ZBI aan [--] geschreven:
“Helaas hebben we van u wederom doorgekregen dat het verbruik 0 kWH zou zijn. Dit kan onmogelijk correct zijn. Het correct vaststellen van de meterstanden is van essentieel belang voor een nauwkeurige facturering en een eerlijke verdeling van de energiekosten.
(…)
Bij donkere perioden, in de avond en ’s-nachts verbruikt u ook stroom. Die stroom loopt via onze hoofdmeter en die wordt dus betaald door (…) ZBI (…). Omdat (…) ZBI een grootverbruik aansluiting heeft kan er NIET aan het net worden teruggeleverd. U rekent echter wel telkens teruglevering,die er feitelijk dus niet is. (…)ZBI betaalt dus al geruime tijd uw verbruik gedurende donkere uren.
U zult begrijpen dat wij dit niet kunnen accepteren.
Om dit op te lossen zou u een meter kunnen installeren die niet terug telt en ons hiervan maandelijks de standen door te geven. (…)”
[--] heeft daarop bij brief van 11 april 2024 gereageerd:
“U twijfelt aan onze overzichten die wij u toesturen maar dat hoeft u niet. De maandelijkse meterstanden worden volgens het u bekende schema bijgehouden en volgens de in het verleden gemaakte afspraken verwerkt. Wij houden ons keurig aan de toen gemaakte afspraken. (…)”
3.1.15
Het op 30 april 2024 door ZBI nieuw vastgestelde Huishoudelijk Reglement (hierna: Reglement 2024, waarin ZBI is aangeduid als DZB) vermeldt:
“Dit reglement komt in de plaats van het reglement van 20 januari 2022 (…)
5. Omschrijving van diensten
(…)
5.3.
Uitgangspunt is dat de werkelijke kosten van de Dienstverlening tegen kostprijs wordt doorbelast, waarbij voor beheerkosten (management, administratiekosten, vergaderkosten en kantoorkosten) een opslag van 20%, (de beheeropslag) gerekend wordt over alle kosten inzake levering van de diensten zoals hieronder verder wordt beschreven. De beheerkosten worden doorberekend aan de Afnemer. Eventuele kosten van rechtsbijstand inzake de dienstverlening worden afzonderlijk in rekening gebracht.
5.4.
De administratie- en beheerkosten worden jaarlijks door DZB opgenomen in de jaarlijkse eindafrekening.
5.5.
Daar waar de kosten aan individuele woningeigenaren kunnen worden doorbelast zoals bijvoorbeeld in geval van water, stroomverbruik en gasverbruik, zal dit op basis van door Afnemer jaarlijks door te geven meterstanden geschieden en zal jaarlijks een afrekening plaatsvinden.
5.6.
Daar waar de kosten niet individueel te meten zijn cq gemeten worden, worden deze omgeslagen naar de 31 woningen elk voor een gelijk deel zijnde 3,215%.
5.7.
Daar waar het totaal van de doorgegeven tussenmeterstanden niet het totaal van de hoofdmeter (inkoop) overeenkomt, zal het verschil omgeslagen worden naar de Afnemers, elk een gelijk deel zijnde 3,225%.
(…)
8. Elektriciteit
8.1.
Het is voor DZB niet mogelijk om energie opgewekt met PV zonnecollectoren terug te leveren aan het net. Saldering is dus niet mogelijk. Dit betekent dat verbruik ’s-nachts en in de winter aan DZB in rekening wordt gebracht en derhalve ook door Afnemer betaald moet worden aangezien dit van het net wordt afgenomen.
8.2.
Het is Afnemer niet toegestaan om zogenaamde PV (zonne) panelen te plaatsen zonder schriftelijke toestemming van het energieleverende nutsbedrijf. De Afnemer is zelf verantwoordelijk voor het regelen van deze toestemming. Indien en voorzover er toch zonnepanelen zijn of worden geplaatst, zullen de kosten van elektra die door DZB t.b.v. de Afnemer worden gemaakt en welke niet doorbelast kunnen worden op basis van meterstanden, aan de 31 woningen worden doorbelast elke woning voor een gelijk deel zijnde 3,225%.
8.3.
DZB draagt zorg voor de levering van elektriciteit in de bungalows, tenzij er wanbetaling is in welk geval DZB het recht heeft de levering stop te zetten.
8.4.
DZB stelt de opbouw van de prijs van elektra vast. Het tarief is gebaseerd op de door DZB betaalde vastrecht, verbruikstarieven, transportkosten, meetdiensten, onderhoud en eventuele vervanging en/of verbetering van kabels en installaties ten behoeve van de levering alsmede de beheeropslag hierover.
8.5.
Om gebruik van PV zonne energie mogelijk te maken, zal DZB indien en voorzover dit redelijkerwijs mogelijk is zorg dragen voor een individuele aansluiting per woning. Na realisatie hiervan zal de Afnemer rechtstreeks afrekenen aan het leverend nutsbedrijf. De Afnemer is dan in de gelegenheid dan ook zelf met het nutsbedrijf eventuele teruglevering van zonnepaneel energie regelen. De kosten van de individuele aansluiting zal aan Afnemer tegen kostprijs zonder opslag worden doorbelast.
9. Gas
9.1.
Ten behoeve van Afnemer is c.q. zal een gasinstallatie uitsluitend voor gebruik door Afnemer worden geplaatst. De kosten van inkoop van gas, vervanging van de aanwezige installatie en afschrijving van een eventuele nieuwe installatie, eventuele huur van installatie, en onderhoud en/of verbeteringen aan de installatie alsmede de beheeropslag zullen worden doorbelast pro rata aan de leden van Afnemer die in een kalenderjaar gas gebruiken. DZB streeft er naar zoveel mogelijk gasloze installaties te stimuleren en zal de installatie dus niet gebruiken ten behoeve van te realiseren nieuwe woningen.
(…)
20. Financiële vergoeding
20.1.
De Financiële vergoeding, bestaat uit doorbelaste energiekosten enerzijds en de
servicekosten anderzijds. De vergoeding wordt met uitsluiting van eventuele huurders altijd aan de eigenaar van de woning in rekening gebracht.
20.2.
De energiekosten omvatten de door DZB te maken kosten inzake levering van water, electriciteit en gas zoals beschreven in de punten 7, 8, en 9 hierboven.
(…)
20.5.
De betaling van de voorschotten van de servicekosten, gas water en electriciteit, dienen telkens aan het eind van elke kalendermaand te worden voldaan middels automatische overschrijving.
(…)
20.8.
Facturen dienen voldaan te zijn 14 dagen na facturering
20.9. (…)
Bij verzuim van enige betalingstermijn door Afnemer of een van de eigenaren, met meer dan 14 dagen heeft DZB het recht de dienstverlening met onmiddelijke ingang op te schorten. Indien betaling langer dan 1 maand uitblijft is DZB gerechtigd de dienstverlening zonder dat ingebrekestelling nodig is en zonder gerechtelijke tussenkomst te beëindigen.
20.10.
Alle termijnen genoemd in dit Artikel om te betalen, zijn fatale termijnen. Verzuim terzake van de betaling van de servicekosten heeft tot gevolg dat de uitstaande de door Afnemer verschuldigde bedragen ineens en geheel opeisbaar zijn.
20.11.
De servicekosten en de kosten van gas, water en electriciteit, worden jaarlijks door DZB begroot op basis van de werkelijke kosten van het voorgaande jaar en het eventuele onderhoudsplan. De werkelijke kosten van het voorafgaande jaar zullen elk jaar omstreeks mei door de DZB worden afgerekend met de Afnemer.
20.12.
DZB is gerechtigd bij structurele wanbetaling rechtsmaatregelen te treffen waaronder uitdrukkelijk begrepen conservatoir beslag en of executoriaal beslag.
(…)”
3.1.16
Op 13 mei 2024 heeft ZBI op grond van Reglement 2024 aan ieder van [--] en [appellante] een afrekening gestuurd over het jaar 2023 met een schriftelijke toelichting daarop en aangegeven daarop een korting van 20% te verlenen, mits het bedrag van die afrekening binnen 14 dagen is ontvangen en het daarbij tevens voor de periode juni 2024 tot en met mei 2025 vastgestelde maandelijks voorschotbedrag automatisch zal worden overgemaakt.
3.1.17
Bij brief van 18 mei 2024 heeft de vereniging, kort samengevat, geschreven vast te houden aan de in 2023 afgesproken tarieven en het eenzijdig vastgestelde Reglement 2024 en de op grond daarvan gehanteerde tarieven, niet te accepteren:
“Op 19 juli 2023 hebben ondergetekenden in het receptiegebouw een bespreking gehad over de energietarieven. (…) In de weken die volgden hebben we over en weer onze standpunten duidelijk gemaakt. Er bleef nog discussie over het variabele tarief van elektra (we komen hier later op terug, bij het bespreken van het elektra tarief). Voor de overige tarieven hadden we overeenstemming. Op basis van deze overeenstemming heeft ZBI de reeds verzonden facturen over 2023 gecrediteerd en nieuwe facturen verzonden met hierin de afgesproken tarieven. Op 25 september 2023 heeft ZBI per mail laten weten geen overleg meer te willen over het variabele elektra tarief.
Nu heeft ZBI per 30 april eenzijdig een HHR vastgesteld waarin staat dat alle kosten worden doorbelast met een opslag van 20%. Bij de tarief afspraken van vorig jaar is een opslag van 5% afgesproken. Wij hebben aan ZBI gemeld dat we het concept HHR d.d. 5 maart 2024 besproken hebben met onze leden en dat onze leden het concept onacceptabel vinden. In de periode dat het vakantiepark in de transitie fase zit, willen onze de leden vasthouden aan de bestaande afspraken. (…) Wij hebben ook al eerder aangegeven dat het reglement onaanvaardbaar is. (…)
Uitganspunt daarbij moet zijn dat de notariële leveringsakte van de bungalows wordt gerespecteerd. (…) Ook de eerder overeengekomen overeenkomsten met [zz] en met ZBI worden ineens niet meer gerespecteerd maar eenzijdig door ZBI gewijzigd. Eerdere afspraken over tarieven en servicekosten gaan met terugwerkende kracht van tafel. Dit is voor onze leden onaanvaardbaar.
De berekeningswijze van de tarieven wijkt volledig af van het voor ons nog steeds geldende HHR getekend d.d. 20 januari 2022 en de afspraken die we in zomer van 2023 hebben gemaakt. We hebben toen ook afgesproken dat de tarieven/berekeningswijze zou gelden tot 31-12-2024. (…)”
3.1.18
Bij e-mails van 11 en 23 juni 2024 heeft de vereniging aan ZBI geschreven:
“(…) De verhoging van kosten en voorschotten komt niet overeen met wat is afgesproken en/of wat heeft te gelden. (…)”
en
“Ons standpunt is ongewijzigd. Het voorstel, betreffende de afrekening energie- en
servicekosten 2023 en de te betalen voorschotten voor 2024, is onacceptabel. Dit komt niet overeen met hetgeen is afgesproken met de directie van (…) ZBI . Deze bedragen zullen de bungaloweigenaren dan ook niet betalen. Men wil de verbruikskosten voor energie (op basis eigen meter) betalen conform de afspraken zoals die vorig jaar zijn gemaakt. Daarnaast wil men het afgesproken bedrag voor servicekosten (€ 350 per jaar) betalen. (…)”
3.1.19
Na eerst betalingssommaties met aangezegde afsluiting te hebben verzonden, heeft ZBI de bungalows van [--] en [appellante] in 2024 afgesloten van elektriciteit.
3.1.20
Gasleverancier Benegas heeft ZBI bij brief van 7 augustus 2024 gemeld dat vanwege een totaal openstaand bedrag van € 7.119.14 de dienstverlening tijdelijk wordt opgeschort. ZBI heeft sindsdien niet meer zorggedragen voor reguliere gasbelevering van de bungalows.
Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststellen.
Het geding bij de voorzieningenrechter
3.2
In dit met de dagvaarding van 3 september 2024 ingeleide geding hebben [--] en [appellante] in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de voorzieningenrechter ZBI zal veroordelen tot:
heraansluiting en belevering van de bungalows van [--] met elektriciteit en gas;
reguliere belevering van alle 31 bungalows van [--] en [appellante] met gas;
zowel I als II op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat ZBI daaraan niet voldoet;
met veroordeling van ZBI in de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
3.3
ZBI heeft verweer gevoerd en in het beroepen kortgedingvonnis van 1 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [--] en [appellante] afgewezen en [--] en [appellante] veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
Het geding bij dit hof
3.4
In dit met de dagvaarding van 29 oktober 2024 ingeleide hoger beroep formuleert [appellante] 7 (geletterde) grieven. [appellante] vordert, verkort samengevat, dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende ZBI zal veroordelen tot:
I. heraansluiting en/of belevering van haar bungalows met elektriciteit;
II. heraansluiting en/of reguliere belevering van haar bungalows met gas;
III. zowel I als II binnen 2 dagen na betekening van het arrest, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat ZBI daaraan niet voldoet;
(hierna: vorderingen I, II en III), met veroordeling van ZBI in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.5
ZBI weerspreekt de grieven en concludeert, kort weergegeven, dat het hof het hoger beroep zal verwerpen en de vorderingen in hoger beroep van [appellante] zal afwijzen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Aan het hof voorliggende vorderingen en grieven
3.6
In hoger beroep is uitgangspunt dat een partij alleen bij de eerste memorie de (grondslag van de) eis mag wijzigen. [appellante] wijzigt bij memorie van grieven de eis. ZBI weerspreekt de toewijsbaarheid daarvan inhoudelijk, maar maakt tegen de wijzigingen als zodanig geen bezwaar. Het hof oordeelt de door [appellante] bij de eerste memorie in hoger beroep gedane wijziging tijdig en nu ZBI daarop bij antwoordmemorie heeft kunnen reageren, komt dat ook overigens niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Met de in hoger beroep gewijzigde vorderingen spitst deze aan het hof voorliggende zaak zich toe op de vorderingen I, II en III van [appellante] . Of deze vorderingen daarmee ook toewijsbaar zijn, is een andere kwestie en zal het hof hierna onderzoeken.
Ontvankelijkheid in kort geding, spoedeisend belang
3.7
Het hof oordeelt het voor kort geding vereiste spoedeisend belang bij de voorliggende vorderingen van [appellante] nu nog steeds aanwezig. Dat spoedeisend belang volgt al uit de aard van het geschil, waarin [appellante] bescherming inroept tegen een onrechtmatige stopzetting van levering van elektriciteit en gas aan haar bungalows, wat ingrijpende gevolgen heeft voor de verwarming en woonsituatie in haar bungalows. Dit rechtvaardigt (nog steeds) toegang tot de kortgedingrechter. De toewijsbaarheid van de door [appellante] in kort geding gevorderde voorzieningen is evenwel een andere kwestie en zal het hof hierna onderzoeken.
Bemerkingen en kanttekeningen
3.8
Naast de geformuleerde grieven plaatst [appellante] ‘bemerkingen’ en ‘kanttekeningen’ bij het beroepen vonnis. De daarmee bekritiseerde weergave van de momenten waarop processtukken in eerste aanleg zijn ingebracht, laat evenwel onverlet dat die stukken blijkens het beroepen vonnis als gedingstukken zijn ingebracht en dat de voorzieningenrechter die in de beoordeling heeft betrokken.
De daarmee geuite kritiek op (onderdelen van de) feitenvaststelling door de voorzieningenrechter leidt - zelfs bij juistheid - nog niet tot andere (dan de door de voorzieningenrechter gegeven) eindbeslissingen. Een rechterlijke feitenvaststelling pretendeert geen volledigheid, maar bevat een overzicht op hoofdlijnen van op basis van het partijdebat geselecteerde feiten die de rechter onbestreden en voor de beoordeling relevant oordeelt. De rechter kan dat overzicht bij de beoordeling nog nader uitwerken en relevante feiten die zijn gesteld en worden weersproken, hoort de rechter niet in de feitenvaststelling op te nemen, maar – indien relevant - afzonderlijk te onderzoeken en te beoordelen.
Bovendien onderzoekt het hof de relevante feiten zelf en stelt het hof zo nodig - onder de feitenvaststelling of elders in de beoordeling - zelfstandig vast welke feiten in hoger beroep tot uitgangspunt dienen.
Voor zover [appellante] verder bezwaren uit tegen de inhoudelijke beoordeling door de voorzieningenrechter zal het hof die hierna zo nodig behandelen en beoordelen.
Vorderingen I en II inzake levering van elektriciteit respectievelijk gas
3.9
De door [appellante] aangevoerde grieven lenen zich voor gezamenlijks behandeling.
3.1
In dit kort geding dient het hof te oordelen op basis van alle omstandigheden van het geval, naar de actuele toestand en een afweging van de belangen van partijen, mede in het licht van de aard van de zaak en een voorlopige beoordeling van de zaak.
3.11
[appellante] legt aan de vorderingen I en II in de kern ten grondslag dat ZBI voor de periode van 1 januari 2023 tot 1 januari 2025 haar verplichtingen moet nakomen, maar tekort is geschoten in de nakoming van de laatstelijk geldende leverings- en prijsafspraken.
ZBI heeft campingactiviteiten en -faciliteiten afgebouwd, maar blijft verplicht om de voor de kavels met bungalows benodigde infrastructuur, de gastank en de leidingen/kabels voor nutsvoorzieningen ter beschikking te stellen tegen te betalen servicekosten, geïndexeerd maar met de sinds 2022 geldende korting van € 300,-- per jaar.
[appellante] betwist het door ZBI voor elektriciteit gehanteerde tarief van € 0,38 per kWh en is vanaf 1 juli 2023 het door de vereniging berekende en geadviseerde tarief van € 0,31 per kWh gaan betalen en in 2024 € 0,32 per kWh.
[appellante] betoogt in de kern dat ZBI voor het gasverbruik op grond van Reglement 2022 mag doorberekenen de vaste prijs van € 3,13 per m3 met een opslag van 5%, met een vergoeding van € 0,25 per m3 voor het onderhoud van het leidingwerk en verder met een vaste omslag van € 57,- per jaar per huisje.
[appellante] zegt haar verplichtingen na te komen, zodat ZBI geen grond heeft voor opschorting van enige verplichting.
3.12
ZBI weerspreekt niet dat zij die infrastructuur, de gastank en de leidingen/kabels voor nutsvoorzieningen in beginsel ter beschikking moet (blijven) stellen, maar voert in hoofdlijn en naar de kern genomen het verweer dat daarvoor dan wel de verschuldigde kosten moeten worden betaald en dat [appellante] daarin tekort schiet.
Op de jaarlijks te indexering vergoeding voor servicekosten is in 2022 eenmalig een korting gegeven van € 300,--, zij het dat volgens ZBI :
“die korting loopt nog door. Eisers beroepen zich ten onrechte op een vermeende
afspraak met als inhoud dat de servicekosten elk jaar EUR 300,- zouden bedragen, ZBI betwist deze stelling.”(conclusie van antwoord alinea 61).
ZBI voert aan dat zij tot 1 juli 2023 via haar grootverbruikaansluiting elektriciteit aan het openbare net heeft onttrokken op basis van een zogenoemd variabel contract, waarbij zij de aan de bungalows (door)geleverde elektriciteit vervolgens heeft gefactureerd op basis van de periodiek door [appellante] zelf doorgegeven tussenmeterstanden. In verband met het op 1 juli 2023 door ZBI gesloten vaste energiecontract zegt ZBI sindsdien het voor haar kostendekkende tarief van € 0,38 per kWh vermeerderd met € 20,24 per maand vaste kosten te hebben doorbelast. Omdat enkele eigenaren op de bungalows zonnepanelen hebben gemonteerd, geven de daardoor teruglopende tussenmeters volgens ZBI het echte verbruik niet betrouwbaar weer en wordt er ten onrechte gesaldeerd.
Volgens ZBI is tot 1 januari 2025 geen vaste prijs van € 3,13 per m3 verbruikt gas afgesproken, maar mag zij op grond van Reglement 2022 doorberekenen de door haar betaalde inkoopprijs van het gas met een opslag van 5%, met een vergoeding van € 0,25 per m3 voor het onderhoud van het leidingwerk en verder met een vaste omslag van € 57,- per jaar per huisje.
3.13
Het hof overweegt dat het partijdebat zich in dit kort geding met name toespitst op het door [appellante] aan ZBI gemaakte verwijt dat zij over de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2024 op basis van onterechte tarieven wil afrekenen.
3.14
Tussen partijen staat vast dat hun rechtsverhouding in ieder geval tot onder het toepasselijke Reglement 2022 mede werd beheerst door toepasselijke bepalingen uit het daaraan voorafgaande Reglement 2008, de notariële leveringsaktes en de op basis daarvan gemaakte afspraken. Toen gold in ieder geval tussen partijen dat:
- ZBI tegen betaling van park- en servicekosten zal (blijven) zorgdragen voor:
a. het onderhoud aan de riolering, wegen en infrastructuur;
b. de afvoer van afval;
c. receptie-, servicedeskdiensten en een technische dienst;
d. de bereikbaarheid van de bungalows;
e. de toegang tot het zwembad en het recreatieprogramma;
  • ZBI wijzigingen in de dienstverlening vooraf schriftelijk moet meedelen (artikel 1.2 Reglement 2022);
  • ZBI tegen betaling zorgdraagt voor (door)levering van water (artikel 2.1 Reglement 2022), elektriciteit (artikel 2.2 Reglement 2022) en gas (artikel 2.3 Reglement 2022);
  • de geïndexeerde sevicekosten voor 2021 € 638,19 bedragen en daarop voor 2022 een korting van € 300,-- is gegeven als compensatie voor het nog niet gebruik kunnen maken van het zwembad, de beëindigde recreatieactiviteiten en de afgeschaalde dienstverlening (artikel 3.1 Reglement 2022).
Tussen partijen is verder niet in geschil dat ZBI het verbruik per kavel nog tot onder het toepasselijke Reglement 2022 steeds achteraf op basis van geldende tarieven en (via doorgegeven meterstanden) werkelijk verbruik aan [--] en [appellante] heeft (door)belast.
3.15
Tegenover de door ZBI gemotiveerde weerspreking geeft [appellante] (nog steeds) niet de benodigde (nadere) motivering en onderbouwing voor het eigen standpunt dat partijen voor de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2024 - behoudens de ‘7 cent discussie netwerkkosten’ - vaste prijsafspraken zijn overeengekomen. Hierdoor is de door [appellante] ingeroepen schending van die vaste prijsafspraken door ZBI niet voldoende aannemelijk geworden.
3.16
ZBI stelt dat zij vervolgens met inachtneming van de belangen van [--] en [appellante] het Reglement 2024 en de op basis daarvan doorgevoerde wijzigingen in tarieven en dienstverlening heeft kunnen en mogen vaststellen. ZBI stelt hiertoe te zijn genoodzaakt, toen bleek dat het elektriciteitsverbruik door op sommige bungalows gemonteerde zonnepanelen met teruglopende tussenmeters niet meer betrouwbaar was vast te stellen en ZBI daardoor al jaren werd geconfronteerd met een oplopende debiteurenpost. ZBI meent op basis van Reglement 2024 en na vruchteloze pogingen om tot volledige prijsafspraken te komen, op 14 mei 2024 een afrekening over 2023 te hebben mogen sturen met een uitgebreide toelichting en sindsdien ook voorschotten in rekening mocht brengen. ZBI zegt dat [appellante] door niet-betaling van de op basis van Reglement 2024 vastgestelde tarieven en verbruiksgegevens tekort schiet in de nakoming van haar verplichtingen. De afsluiting van elektriciteit vindt rechtvaardiging in de structurele schendingen van betalingsverplichtingen, terwijl ZBI door die schendingen niet (meer) over middelen beschikt om de gastank te laten vullen, aldus nog steeds ZBI .
3.17
Ook waar [appellante] de geldigheid van het door ZBI vastgestelde Reglement 2024 ontkent en in de kern tegenwerpt dat ZBI de daarin eenzijdig herziene tarieven en maandelijkse voorschotten niet mag hanteren, volgt het hof [appellante] niet. Het partijdebat over de geldigheid van het door ZBI vastgestelde Reglement 2024 dient te worden beslecht door uitleg van met name de toepasselijke bepalingen uit het daaraan voorafgaande Reglement 2022, Reglement 2008 en de notariële leveringsaktes. In zoverre hebben [--] en [appellante] zich in de notariële leveringsaktes voor hun kavel(s) verplicht om het huishoudelijk reglement van het vakantiecentrum te accepteren. Op de voet van artikel 11 Reglement Pro 2008 worden de toepasselijke reglementen vastgesteld door de directie van ZBI , zij het dat wijzigingen vooraf aan het bestuur van de vereniging moeten worden doorgegeven en dat het verenigingsbestuur in zaken die ook de bungaloweigenaren aangaan, recht heeft op overleg. De artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 Reglement 2022 bepalen dat ZBI zorg draagt voor de levering van water, elektriciteit en gas tegenover betaling van een door ZBI vast te stellen prijs:
“conform de overeenkomst uit 2007 (…)..”
Blijkens met name deze bepalingen worden de toepasselijke reglementen en tarieven vastgesteld door (de directie van) ZBI en vereisen wijzigingen daarin vooraf overleg met het verenigingsbestuur. De bewoordingen ervan bevatten geen aanwijzingen voor een instemmingsvereiste.
Ook indien uitleg niet alleen plaats vindt aan de hand van een grammaticale uitleg van gebruikte bewoordingen, maar daarbij ook wordt betrokken wat (de personen die optraden voor) partijen daarover vóór of bij het maken van de afspraken daarover tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs hebben mogen afleiden, leidt dat niet tot een andere uitkomst. [appellante] stelt geen concrete feiten of aanwijzingen waaruit het door haar verdedigde instemmingsvereiste volgt.
Naar voorshands oordeel van het hof is ZBI dan ook in beginsel bevoegd tot vaststelling van Reglement 2024 en de op basis daarvan verschuldigde tarieven en werkwijze. Dit laat uiteraard onverlet dat daarin voorkomende incidentele bedingen oneerlijk kunnen zijn en dat ZBI bij de uitoefening van die bevoegdheid uiteraard wel de overigens toepasselijke wetgeving en toepasselijke bepalingen uit de daaraan voorafgaande Reglementen 2022 en 2008, de notariële leveringsaktes en de gemaakte afspraken in acht dient te nemen. Ook verplicht hun rechtsverhouding partijen om zich over en weer naar de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen, hetgeen ZBI onder meer verplicht om (ook) rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van [--] en [appellante] , waaronder [appellante] .
3.18
Waar [appellante] erkent betalingsachterstand te hebben in het geval dat ZBI bevoegd mocht zijn tot vaststelling van Reglement 2024, dient op grond van het voorgaande reeds tot uitgangspunt dat [appellante] tekort is geschoten in de nakoming van de verplichting tot betaling van de voor de nutsvoorzieningen en dienstverlening verschuldigde bedragen. Zo erkent [appellante] ook nadrukkelijk zelf de afrekening 2023 niet hebben betaald omdat zij die niet verschuldigd achtte. Ook de in Reglement 2024 neergelegde voorschotregeling kan het hof voorshands niet onredelijk oordelen.
3.19
Voor zover [appellante] onder verwijzing naar artikel 3.1 Reglement 2022 tegenwerpt dat sinds 2022 een jaarlijkse compensatie van € 300,-- is overeengekomen, gaat die tegenwerping eveneens niet op. Dit artikel bepaalt dat voor 2022 een korting van € 300,-- wordt gegeven als compensatie voor het nog niet gebruik kunnen maken van het zwembad, de beëindigde recreatieactiviteiten en de afgeschaalde dienstverlening. Nu [appellante] niet stelt dat voor de daarop volgende jaren afzonderlijke afspraken voor eenzelfde compensatie zijn gemaakt, spitst het partijdebat hierover zich toe op de vraag of de in artikel 3.1 Reglement 2022 vervatte korting van € 300,-- alleen op 2022 ziet of dat de daarin bepaalde compensatie ook voor ieder daaropvolgend jaar geldt en dus jaarlijks moet worden verleend. Dit partijdebat dient te worden beslecht door uitleg van artikel 3.1 Reglement 2022. Blijkens de bewoordingen van dat artikel wordt die compensatie alleen in 2022 gegeven. Die bewoordingen bevatten geen aanwijzingen dat eenzelfde compensatie ook in de jaren daarna steeds opnieuw zal worden gegeven. Ook indien uitleg van artikel 3.1 Reglement 2022 niet alleen dient plaats te vinden aan de hand van een grammaticale uitleg van daarin gebruikte bewoordingen, maar daarbij ook wordt betrokken wat (de personen die optraden voor) partijen daarover vóór of bij het maken van de afspraken daarover tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs hebben mogen afleiden, leidt dat niet tot een andere uitkomst. [appellante] stelt geen concrete feiten of aanwijzingen voor een andere uitleg dan in de beschreven tekst tot uitdrukking is gebracht. Dat een jaarlijkse compensatie van € 300,-- niet in artikel 3.1 Reglement 2022 besloten ligt en dat [appellante] dit ook wist althans had moeten weten, ziet het hof bevestigd in de brief van 18 mei 2024 waarin de vereniging als belangenbehartiger onder het citeren van dat voor 2022 geschreven artikel 3.1 heeft geschreven (niet: dat dit daarin al ligt besloten of toen al was overeengekomen, maar):
“(…) De situatie nu is nog hetzelfde als in 2022, wij gaan er dan ook vanuit dat de servicekosten in 2024 op dezelfde wijze als 2022 en 2023 gefactureerd gaan worden.”
3.2
[appellante] stelt terecht dat [--] geen partij is in dit hoger beroep, maar dit laat onverlet dat de positie van [--] mede van invloed is op de in dit geding voorliggende verhouding. [--] was ook partij in eerste aanleg en is in een vergelijkbaar beroep ook opgekomen tegen hetzelfde beroepen vonnis. Bovendien handelen [--] en [appellante] allebei overeenkomstig de standpunten van de ten behoeve van hen opgerichte vereniging en voeren zij met ZBI een gelijksoortig partijdebat over het door hen beiden aan ZBI gemaakte verwijt dat ZBI over de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2024 op basis van onterechte tarieven wil afrekenen. Omdat enkele eigenaren - onder wie met name [--] - op de bungalows zonnepanelen hebben gemonteerd, geven de daardoor teruglopende tussenmeters het echte verbruik niet betrouwbaar weer en wordt er ten onrechte gesaldeerd, waardoor ZBI zich ziet geconfronteerd met onjuist geregistreerd gebruik door zowel [--] als [appellante]
3.21
Reeds op grond van al het voorgaande is niet voldoende aannemelijk geworden dat ZBI over de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2024 op basis van onterechte tarieven wil afrekenen, althans dat ZBI in zoverre tekort is geschoten in de nakoming van de laatstelijk geldende leverings- en prijsafspraken dat [appellante] heeft mogen menen haar betalingsverplichtingen op te schorten op de wijze zoals zij heeft gedaan. Doordat [appellante] toerekenbaar niet heeft voldaan aan de eigen betalingsverplichtingen, heeft ZBI haar verplichtingen bevoegd mogen opschorten.
3.22
Afweging van de wederzijdse belangen van partijen brengt het hof niet tot een ander oordeel, reeds nu [appellante] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat de opschorting door ZBI in het geval van (een van) [appellante] ontoelaatbaar voorkomt of tot een noodsituatie zal leiden. Daarbij komt nog dat [appellante] in een concreet geval zo nodig door een aanvullende betaling op reeds zelf berekende en betaalde bedragen de (her)levering van onderhavige nutsvoorzieningen zullen kunnen bevorderen.
3.23
Op grond van al het voorgaande worden de vorderingen I en II inzake levering van elektriciteit respectievelijk gas niet toewijsbaar geoordeeld.
Vordering III tot betaling van een dwangsom
3.24
Nu vordering III voortbouwt op de vorderingen I en II en daarnaast geen zelfstandige betekenis heeft, treft deze vordering hetzelfde lot en is ook vordering III niet toewijsbaar
Slotsom
3.25
Bij gebreke van overigens aangevoerde concrete feiten die anders doen beslissen en omdat het beperkte kader van dit kort geding zich niet leent voor (nader) feitenonderzoek en/of bewijslevering wordt aan bewijsaanbiedingen niet toegekomen.
Het hof komt tot de slotsom dat het beroepen vonnis moet worden bekrachtigd en dat de aan het hof voorliggende vorderingen I, II en III niet toewijsbaar zijn.
De in dit hoger beroep overwegend ongelijk krijgende [appellante] zal in de proceskosten ervan worden veroordeeld. Het hof begroot de proceskosten voor het hoger beroep aan de zijde van ZBI op:
  • griffierecht € 798,--
  • salaris advocaat € 1.214,-- (1 punt x tarief II HB)
  • nakosten € 178,--(plus verhoging conform beslissing)
totaal € 2.190,--.
Het hof zal de verlangde wettelijke rente en uitvoerbaarverklaring bij voorraad toewijzen en beslist nu als volgt.

4.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het beroepen vonnis van 1 oktober 2024;
veroordeelt [appellante] tot betaling van de proceskosten van ZBI ten bedrage van € 2.190,-- voor dit hoger beroep, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [appellante] de proceskosten niet tijdig voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellante] tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart de betalingsveroordelingen in dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, P.P.M. Rousseau en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 februari 2026.
griffier rolraadsheer