ECLI:NL:GHSHE:2026:290

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
20-003156-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 311 SrArt. 404 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep diefstal met verbreking van fiets in Schijf

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter in Breda, waarin verdachte was vrijgesproken van een diefstal ten laste gelegd onder 1 en veroordeeld voor een tweede tenlastelegging. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak wegens wettelijke beperkingen en vernietigde het vonnis voor zover het aan zijn oordeel was onderworpen.

Na beoordeling van het bewijs, waaronder herkenningen door twee verbalisanten aan de hand van camerabeelden en politiefoto's, achtte het hof bewezen dat verdachte op 3 maart 2023 in Schijf een fiets heeft gestolen door middel van verbreking. De verdediging voerde aan dat de herkenningen onbetrouwbaar waren, maar het hof verwierp dit verweer vanwege de gedetailleerde en onafhankelijke waarnemingen.

Het hof oordeelde dat de diefstal strafbaar was en dat verdachte strafbaar was, mede gelet op zijn eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit. De persoonlijke omstandigheden van verdachte leidden niet tot strafvermindering. De redelijke termijn werd overschreden met ruim twee maanden, maar dit werd grotendeels niet aan het hof toegerekend, zodat geen gevolgen werden verbonden aan deze overschrijding.

Het hof veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van één maand voor de bewezenverklaarde diefstal van de fiets. De uitspraak werd op 2 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voor diefstal van een fiets met verbreking.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003156-23
Uitspraak : 2 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208639-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Grave te Grave.
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde en het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bevestigen.
Namens de verdachte is bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 3 maart 2023 te Schijf, gemeente Rucphen, in elk geval in Nederland, een fiets (Gazelle Ultimate C8), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op 3 maart 2023 te Schijf, gemeente Rucphen, een fiets (Gazelle Ultimate C8), die aan [benadeelde] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de herkenningen door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onbetrouwbaar zijn. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er fundamentele gebreken kleven aan de herkenningen. [verbalisant 1] heeft immers bewust verzwegen dat hij de verdachte al persoonlijk kende uit zijn jeugd. De herkenning door [verbalisant 2] is niet onafhankelijk tot stand gekomen, nu hij de herkenning deed op basis van een foto die hij per e-mailbericht van [verbalisant 1] ontving, dezelfde verbalisant die al een gemankeerde herkenning had gedaan, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
In de door hem opgemaakte processen-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2023 en 30 maart 2023, op de pagina’s 24 t/m 27 van het dossier, beschrijft verbalisant [verbalisant 1] wat hij op de camerabeelden in verband met de diefstal in Schijf ziet en hoe de dader, die te zien is op de camerabeelden, er uit ziet. Hij herkent die persoon, op basis van een aantal uiterlijke kenmerken, namelijk de smalle vorm van zijn gezicht, donker stoppelbaardje met enkel haargroei rondom de kaaklijn, tenger postuur en naar buitenstaande oren als [verdachte] . Hij vermeldt dat hij eerder een niet aan de onderhavige zaak gerelateerd
e-mailbericht had ontvangen van een collega met daarbij een aantal foto’s van [verdachte] . Hij herkende de verdachte daardoor op de camerabeelden.
Die herkenning vindt ondersteuning in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2023 op dossierpagina 26, waarin hij relateert dat hij, bij onderzoek in de politiesystemen, een SKDB foto van [verdachte] zag. Op deze foto had [verdachte] een donkerblauw vest aan met lichtblauwe strepen over de mouwen. Op de camerabeelden zag hij dat de persoon die hij herkende als [verdachte] ook een donkerblauw vest met lichtblauwe strepen over de mouwen droeg.
Het hof acht deze herkenning, gezien het aantal kenmerken waaraan de verbalisant de verdachte herkent, betrouwbaar. Dat de verbalisant zijn persoonlijke bekendheid met de verdachte niet heeft opgenomen in de processen-verbaal van bevindingen, doet daar niet aan af. Integendeel, het maakt de herkenning betrouwbaarder.
In het proces-verbaal ‘Herkenning persoon door opsporingsambtenaar’, d.d. 13 maart 2023, dossierpagina’s 37 t/m 40, relateert verbalisant [verbalisant 2] dat hij van verbalisant [verbalisant 1] een e-mailbericht heeft ontvangen met daarbij gevoegd een foto. Uit het dossier begrijpt het hof dat het een still is van de camerabeelden van de diefstal in Schijf. De persoon op die foto’s herkent de verbalisant als [verdachte] . De verbalisant relateert dat hij de verdachte kent vanuit zijn werkzaamheden als wijkagent in Zundert. Aan de herkenning van de verdachte droegen de volgende specifieke kenmerken bij: zijn ingevallen gezicht, brede neus, grote oren en het gedragen donkerblauwe trainingsjack, voorzien van lichtblauwe schouderbies, dat de verdachte droeg de laatste keer dat de verbalisant hem zag en dat hij ook draagt op de meest recente politiefoto.
Het hof acht, gezien het bovenstaande, ook deze herkenning betrouwbaar. Dat de herkenning is gedaan op basis van een van verbalisant [verbalisant 1] per e-mail ontvangen foto doet daaraan niet af, nu door de verbalisant in zijn proces-verbaal expliciet wordt gerelateerd dat aan hem over de mogelijke identiteit van de persoon op de foto door geen anderen informatie was verstrekt. Daarbij merkt het hof nog op dat het, anders dan de raadsman, van oordeel is dat voornoemde “still” van dusdanige kwaliteit is dat daarop een herkenning kan worden gebaseerd.
Het hof heeft aldus geen enkele reden om aan de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten te twijfelen.
Het verweer wordt mitsdien verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. Bovendien zijn diefstallen zeer ergerlijke feiten, die naast schade ook hinder en overlast veroorzaken voor de gedupeerden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 januari 2026, eerder ter zake van een soortgelijk feit is veroordeeld. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die mede door hem ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht, leiden niet tot een ander oordeel.
Redelijke termijn
Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
Als uitgangspunt in zaken met een niet-gedetineerde verdachte heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 2 april 2023, de dag van het eerste verhoor van de verdachte in de onderhavige zaak. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 23 november 2023. In eerste aanleg is derhalve geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
De verdachte heeft op 23 november 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 2 februari 2026, iets meer dan 2 jaar en 2 maanden na het instellen van het hoger beroep. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen 24 maanden na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wel met een periode van 2 maanden en 1 week.
Het hof constateert dat de zaak op 16 april 2024 op een rolzitting heeft gestaan. Op 18 december 2024 is de zaak aangehouden, omdat de oproeping niet op de juiste wijze aan de verdachte was uitgereikt. Vervolgens is de zaak op 9 april 2025 wederom aangehouden, wegens de langdurige detentie van de verdachte in België en zijn uitdrukkelijke wens om bij de behandeling van zijn strafzaken in Nederland aanwezig te zijn.
Nu de (geringe) overschrijding van de redelijke termijn voor het merendeel niet aan het hof te wijten is, zal het hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder daar enig gevolg aan te verbinden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Aldus gewezen door:
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder, griffier,
en op 2 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.