Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:276

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
20-002095-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen diefstal en opzetheling met gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor meerdere diefstallen, waaronder diefstal met braak en inklimming, en opzetheling. De rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden op en wees gedeeltelijke schadevergoedingen toe aan benadeelden. De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis.

Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het deel gericht tegen een vrijspraak. Voor het overige vernietigde het hof het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van de feiten en hield rekening met het recidiverende gedrag van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een verslavingsproblematiek en dakloosheid.

Het hof legde een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder reclasseringstoezicht, behandeling van verslaving en verplichtingen omtrent dagbesteding en controles op middelengebruik. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke taakstraf werd afgewezen omdat deze reeds was uitgevoerd.

De straf weerspiegelt de ernst van de feiten en het recidivegevaar, terwijl de bijzondere voorwaarden gericht zijn op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten en het ondersteunen van de verdachte bij zijn rehabilitatie.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf waarvan 93 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002095-24
Uitspraak : 5 februari 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 juli 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 02-000083-24, 02-070340-23, 02-204502-21, 02-251673-23 en 02-326699-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummers 02-231478-21, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte door de rechtbank vrijgesproken van het hem in de zaak met parketnummer 02-251673-23 onder 1 tenlastegelegde feit en is de verdachte ter zake van:
  • in de zaak met parketnummer 02-000083-24: ‘diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’;
  • in de zaak met parketnummer 02-070340-23 onder 1: ‘opzetheling’;
  • in de zaak met parketnummer 02-070340-23 onder 2: ‘diefstal’;
  • in de zaak met parketnummer 02-251673-23 onder 2: ‘diefstal’;
  • in de zaak met parketnummer 02-204502-21: ‘diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ en
  • in de zaak met parketnummer 02-326699-23: ‘diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en inklimming’,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.
Ten aanzien van het inbeslaggenomen paspoort heeft de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast.
Voorts heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 02-231478-21 toegewezen.
De rechtbank heeft de benadeelde partij [benadeelde 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de rechtbank gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 160,00. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voor het toegewezen bedrag heeft de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Tot slot heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 601,50 en deze benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voor het toegewezen bedrag heeft de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en, in zoverre opnieuw rechtdoende, deze vordering zal afwijzen, omdat de voorwaardelijke straf waarop de vordering betrekking heeft inmiddels geheel ten uitvoer is gelegd.
De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van de bewijsbeslissing gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Tot slot heeft de raadsman bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het in de zaak met parketnummer 02-251673-23 onder 1 tenlastegelegde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. In zoverre wordt het vonnis vernietigd. De in het vonnis opgenomen toepasselijke wettelijke voorschriften zullen worden vervangen.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich meermaals schuldig heeft gemaakt aan diefstallen, waaronder diefstal met braak of verbreking en inklimming, en zich voorts heeft schuldig gemaakt aan opzetheling. Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen rechtstreekse schade aan de betrokken benadeelde partijen, maar hebben ook een verder reikend effect op het veiligheidsgevoel in de maatschappij. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld, zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 november 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten meermaals onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarover heeft de reclassering in haar advies d.d. 15 januari 2026 onder meer het volgende opgetekend: “Risicofactoren signaleren we op vrijwel alle (praktische) leefgebieden; huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk en middelengebruik. De verdenkingen hebben een pleegdatum van augustus 2021 tot en met januari 2024. Betrokkene had toen geen vaste verblijfsplaats en was jarenlang dakloos. Hij had een actieve crackverslaving en om zichzelf van drugs en eten te voorzien, pleegde hij vermogensdelicten. (…) Sinds april 2025 beschikt betrokkene over een eigen huurwoning die hij toegewezen kreeg en krijgt hij begeleiding van [stichting 1] en [stichting 2] . [stichting 1] past een intensieve en zeer outreachende werkmethodiek toe bij betrokkene, hetgeen tot op heden goed aanslaat. De begeleiding verloopt goed echter kent het zo ook soms momenten dat betrokkene zich niet goed aan gemaakte afspraken kan houden, zeker wanneer er sprake is van een terugval in drugsgebruik. Betrokkene staat op de wachtlijst voor een behandeling gericht op zijn verslaving hetgeen laat zien dat hij intrinsiek gemotiveerd is om dit probleem aan te pakken. (…) Indien er sprake zal zijn van een detentieperiode zou betrokkene (door het verlies van zijn uitkering) zijn woning dreigen te verliezen wat direct invloed heeft op het recidiverisico. Gezien de veranderende (positievere) houding van betrokkene richting de reclassering en het uitspreken van intrinsieke motivatie voor een forensisch kader, willen wij betrokkene toch het voordeel van de twijfel geven. Wij verwachten met bijzondere voorwaarden in een forensisch kader een stok achter de deur kunnen vormen voor betrokkene waardoor hij zijn leven op de rit kan krijgen.”
Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt het hof het volgende. Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In de zaak met parketnummer 02-204502-21 is de redelijke termijn in eerste aanleg aangevangen op 1 augustus 2021, zijnde de datum van aanhouding van de verdachte. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Uit het afloopbericht van het CJIB blijkt dat aan de verdachte in de onderhavige zaak op 18 november 2021 een strafbeschikking is uitgevaardigd, dat de verdachte 40 uren van de daarbij opgelegde taakstraf van 90 uren heeft verricht en dat op 4 januari 2023 is besloten de taakstraf stop te zetten en als mislukt te retourneren in verband met het niet nakomen van afspraken door de verdachte. Onder voornoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte reeds 40 uren van de aan hem bij de hiervoor genoemde strafbeschikking opgelegde taakstraf van in totaal 90 uren heeft verricht.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht, gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 15 januari 2026 en de in positieve zin gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarnaast eventueel een taakstraf.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en het recidiverende gedrag van de verdachte, is het hof van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak in beginsel passend en geboden is. Het hof ziet in de, in positieve zin gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan blijkt uit het reclasseringsadvies d.d. 15 januari 2026, evenwel aanleiding om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest.
Alles afwegende, acht het hof passend en geboden om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 180 dagen waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, een en ander zoals nader omschreven in het dictum van dit arrest.
Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zeeland-West-Brabant d.d. 24 februari 2022 onder parketnummer 02-231478-21 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Hoewel gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd in voornoemde zaak aan strafbaar handelen heeft schuldig gemaakt, zal het hof het Openbaar Ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk verklaren, nu uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de voorwaardelijke straf waarop de vordering betrekking heeft inmiddels geheel ten uitvoer is gelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-251673-23 onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
93 (drieënnegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
  • Dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [verslavingskliniek] op het adres [adres 2] of telefonisch [telefoonnummer] .
  • Dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door [psychiatrisch ziekenhuis] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
  • Dat de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen, maatschappelijke opvang of beschermd wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start alleen wanneer de verdachte zonder vaste huisvesting komt te zitten. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
  • Dat de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
  • Dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 02-231478-21.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies en mr. A.D. van Zaalen, griffiers,
en op 5 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S. Kerssies is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.