Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:275

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
20-000817-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige oplichting met vervalste creditcards en opzetheling

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor meerdere oplichtingen waarbij hij met vervalste creditcards aankopen deed bij diverse winkels en hotels, waarbij betalingen later werden afgewezen of gestorneerd. Tevens werd hij schuldig bevonden aan het voorhanden hebben van uit misdrijf verkregen vervalste creditcards en opzetheling.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de verdachte schuldig aan de bewezenverklaarde feiten, waarbij medeplegen in enkele gevallen werd verworpen wegens onvoldoende bewijs van nauwe samenwerking. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

De benadeelde partij [benadeelde] kreeg gedeeltelijk gelijk in haar vordering tot schadevergoeding, waarbij het hof een bedrag van €700,- toekende, gebaseerd op de inkoopprijs van de met vervalste kaarten verkregen goederen, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en drie inbeslaggenomen telefoons verbeurd verklaard.

De verdachte voerde aan dat hij met zijn handelen de kwetsbaarheid van betalingssystemen wilde aantonen, maar het hof verwierp dit als motief en oordeelde dat de verdachte uitsluitend werd gedreven door materieel gewin zonder inzicht in de gevolgen voor de gedupeerden.

De strafoplegging hield rekening met het strafrechtelijk verleden van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, maar achtte een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming passend gezien de ernst en omvang van de feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000817-25
Uitspraak : 5 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 14 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-178075-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank:
  • de verdachte vrijgesproken van de hem onder 1 tenlastegelegde oplichting van [bedrijf 1] op 9 december 2021 en van de hem onder 1 tenlastegelegde oplichting van kledingwinkel [bedrijf 2] op 12 december 2021;
  • de onder 1 tenlastegelegde oplichtingen van [bedrijf 3] voor een bedrag van € 3.280,00, van [benadeelde] voor een bedrag van € 2.000,00, van [bedrijf 4] voor een bedrag van € 544,60 en van [bedrijf 5] voor een bedrag van € 938,50, en de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten bewezen verklaard met steeds het verbeterd lezen van de tenlastegelegde periode en met uitzondering van het tenlastegelegde medeplegen voor wat betreft de feiten 1 en 3;
  • de bewezenverklaarde feiten als volgt gekwalificeerd:
o feit 1: ‘oplichting, meermalen gepleegd’;
o feit 2: ‘opzettelijk een vervalste betaalpas bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat de pas bestemd is voor gebruik als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd’;
o feit 3: ‘opzetheling’;
  • aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
  • de drie inbeslaggenomen telefoons verbeurdverklaard en
  • de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken door de rechtbank van de hem onder 1 tenlastegelegde oplichting van [bedrijf 1] op 9 december 2021 en van de hem onder 1 tenlastegelegde oplichting van kledingwinkel [bedrijf 2] op 12 december 2021. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit tegen voormelde vrijspraken is gericht.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
  • bewezen zal verklaren de onder 1 tenlastegelegde oplichtingen van [bedrijf 3] voor een bedrag van € 3.280,00, van [bedrijf 4] voor een bedrag van € 544,60 en van [bedrijf 5] voor een bedrag van € 938,50 met uitzondering van het tenlastegelegde medeplegen;
  • bewezen zal verklaren de onder 1 tenlastegelegde oplichting van [benadeelde] voor een bedrag van € 10.362,45 met inbegrip van het tenlastegelegde medeplegen;
  • bewezen zal verklaren de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten;
  • aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en voorts:
  • de drie inbeslaggenomen telefoons verbeurd zal verklaren en
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zal toewijzen tot een bedrag van € 10.362,45 en voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.
De verdachte heeft vrijspraak bepleit van de hem onder 1 tenlastegelegde oplichtingen van [bedrijf 3] , [benadeelde] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] en van de hem onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Voorts heeft de verdachte, althans zo begrijpt het hof, het hof verzocht om de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 9 december 2021 tot en met 13 december 2021 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, te weten door
  • zich voor te doen als koper en/of
  • (vervolgens) bij de betaling gebruik te maken van valse en/of vervalste en/of ongeldige (digitale) creditcards, in elk geval creditcards die niet toebehoren aan verdachte, en/of
  • (vervolgens) (daarbij) de verkoper(s) en/of winkelmedewerker(s) en/of baliemedewerker(s) van de hierna te noemen bedrijven te bewegen tot het op hun betaalterminal (laten) invoeren van het nummer en de vervaldatum van die (digitale) creditcard en/of
  • (vervolgens) op de betaalterminal zijn akkoord te geven
  • (mede) waardoor het lijkt alsof de transactie definitief is maar welke transactie door de bank niet wordt geaccepteerd en/of (waarbij) er geen geld wordt overgeschreven en/of ontvangen en/of
  • (vervolgens) zonder te betalen met de hierna te noemen goederen de genoemde winkel(s) te verlaten
en aldus (telkens) na te noemen medewerkers en/of personen heeft bewogen tot afgifte van na te noemen goederen en te verlenen diensten, te weten:
  • op 10, 11 en/of 12 december 2021 [bedrijf 3] heeft bewogen tot afgifte van meerdere kledingstukken tot een totaalbedrag van (ongeveer) € 9.440,00 en/of
  • op 9 december 2021 [bedrijf 4] heeft bewogen tot het boeken van twee hotelkamers tot een totaalbedrag van (ongeveer) € 554,60 en/of
  • op 10, 11, 12 en/of 13 december 2021 [benadeelde] heeft bewogen tot afgifte van meerdere kledingstukken tot een totaalbedrag van (ongeveer) € 26.390,00 en/of
  • op 9 december 2021 [bedrijf 5] heeft bewogen tot het boeken van twee hotelkamers tot een totaalbedrag van (ongeveer) € 938,50.

2.

hij in of omstreeks de periode 9 december 2021 tot en met 13 december 2021 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk (een) door misdrijf verkregen vals(e) en/of vervalst(e) niet-contant(e) betaalinstrument(en) en/of van (een) door misdrijf verkregen valse of vervalste kaart(en), te weten meerdere creditcards, in elk geval een creditcard, heeft afgeleverd, voorhanden gehad, ontvangen, zich verschaft, vervoerd, ingevoerd, uitgevoerd, verkocht en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte, wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze niet-contante betaalinstrument(en) en/of kaart(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware deze echt en onvervalst;

3.

hij in of omstreeks de periode 12 tot en met 13 december 2021 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere kledingstukken (een muts en/of een sjaal en/of een portemonnee van [bedrijf 2] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij/zij en zijn/haar mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist(en) althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
Het hof heeft de tekst van het onder 2 tenlastegelegde verbeterd, in die zin dat de regel “terwijl hij, verdachte, wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze niet-contante betaalinstrument(en) en/of kaart(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik” is gewijzigd in “terwijl hij, verdachte, wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze niet-contante betaalinstrument(en) en/of kaart(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware deze echt en onvervalst”. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ook overige in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. Daardoor is de verdachte evenmin in de verdediging geschaad.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode 9 december 2021 tot en met 13 december 2021 te Eindhoven telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, te weten door
  • zich voor te doen als koper en
  • vervolgens bij de betaling gebruik te maken van vervalste (digitale) creditcards en
  • vervolgens daarbij de verkopers en/of winkelmedewerkers en/of baliemedewerkers van de hierna te noemen bedrijven te bewegen tot het op hun betaalterminal (laten) invoeren van het nummer en de vervaldatum van die (digitale) creditcard en
  • vervolgens op de betaalterminal zijn akkoord te geven
  • mede waardoor het lijkt alsof de transactie definitief is maar welke transactie door de bank niet wordt geaccepteerd en waarbij er geen geld wordt overgeschreven en/of ontvangen en
  • vervolgens zonder te betalen met de hierna te noemen goederen de genoemde winkels te verlaten
en aldus telkens na te noemen medewerkers en/of personen heeft bewogen tot afgifte van na te noemen goederen en te verlenen diensten, te weten:
  • op 10 december 2021 [bedrijf 3] heeft bewogen tot afgifte van meerdere kledingstukken tot een totaalbedrag van € 3.280,00 en
  • op 9 december 2021 [bedrijf 4] heeft bewogen tot het boeken van twee hotelkamers tot een totaalbedrag van € 554,60 en
  • op 11 december 2021 [benadeelde] heeft bewogen tot afgifte van meerdere kledingstukken tot een totaalbedrag van € 2.000,00 en
  • op 9 december 2021 [bedrijf 5] heeft bewogen tot het boeken van twee hotelkamers tot een totaalbedrag van € 938,50;

2.

hij in de periode 9 december 2021 tot en met 13 december 2021 te Eindhoven opzettelijk door misdrijf verkregen vervalste niet-contante betaalinstrumenten, te weten meerdere creditcards, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat deze niet-contante betaalinstrumenten bestemd waren voor gebruik als ware deze echt en onvervalst;

3.

hij in de periode 12 tot en met 13 december 2021 te Eindhoven een muts en een sjaal en een portemonnee van [bedrijf 2] , heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebezigde bewijsmiddelen opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1

Oplichting van [bedrijf 3]

Op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 10 december 2021 (medewerkers van) [bedrijf 3] in Eindhoven door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot de afgifte van meerdere kledingstukken tot een totaalbedrag van € 3.280,00.
Hoewel de verdachte op 10 december 2021 met één of meer anderen in de winkel aanwezig was, is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de oplichting van [bedrijf 3] in nauwe en bewuste samenwerking met die ander(en) heeft begaan. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen.
Voorts kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat de verdachte zich ook op 11 en/of 12 december 2021 schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [bedrijf 3] , zodat de verdachte van dat onderdeel van het tenlastegelegde eveneens zal worden vrijgesproken. Het hof kan op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting namelijk niet met voldoende zekerheid vaststellen dat de verdachte op 11 december 2021 in deze winkel is geweest of op andere wijze betrokken was bij de ‘aankopen’ op deze datum. Op 12 december 2021 was de verdachte wel in de winkel aanwezig, maar toen heeft hij geen kleding meegenomen.

Oplichting van [bedrijf 4]

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit de aangifte door [aangever 1] namens [bedrijf 4] in Eindhoven volgt dat twee kamers zijn geboekt met een (valse) creditcard waardoor het hotel schade heeft geleden ten bedrage van € 544,60. Deze kamers waren geboekt op naam van de verdachte. Deze kamers waren bij de online boeking vooruit betaald met een creditcard: American Express card, [documentnummer 1] , met vervaldatum 31 december 2025. Het bedrag van € 544,60 is door de bank gestorneerd in verband met fraude. Bij de reservering in kwestie stond het volgende telefoonnummer vermeld: [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer is ook gebruikt bij de boeking van hotelkamers bij [bedrijf 5] op 9 december 2021.
Door [bedrijf 4] zijn screenshots van camerabeelden verstrekt. De persoon die op die screenschots te zien is, is door verbalisanten herkend als de verdachte. Deze persoon droeg een jas en muts die sterke gelijkenissen vertoonden met de jas en muts die onder de verdachte in beslag zijn genomen.
Op 13 december 2021 is de verdachte aangehouden door de politie. Tijdens de insluitingsfouillering zijn bij hem twee keycards zijn aangetroffen die afkomstig waren van ‘ [bedrijf 4] ’ in Eindhoven.
Het hof is van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 9 december 2021 (medewerkers van) [bedrijf 4] in Eindhoven door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot het boeken van twee hotelkamers tot een totaalbedrag van € 554,60. Omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd, zal het hof de verdachte van het tenlastegelegde medeplegen vrijspreken.

Oplichting van [benadeelde]

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal ten aanzien van de tenlastegelegde oplichting van [benadeelde] gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen. Daartoe heeft de advocaat-generaal het volgende aangevoerd.
Uit de aangifte door dhr. [aangever 2] namens [benadeelde] Eindhoven volgt dat [benadeelde] in de periode van 10 tot en met 13 december 2021 voor een totaalbedrag van € 10.362,45 [1] is opgelicht, doordat aankopen zijn gedaan met vervalste creditcards waarvan de betalingen op een later moment door de provider zijn afgewezen. Op grond van deze aangifte alsmede de beschrijving van de camerabeelden, zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen op pagina’s 186 tot en met 190 van het dossier, kan worden vastgesteld dat de verdachte op 10 en 11 december 2021 in de winkel van [benadeelde] in Eindhoven is geweest. Voorts kan uit de aangifte worden opgemaakt dat de verdachte zich op 13 december 2021 buiten op straat in de omgeving van het winkelpand van [benadeelde] bevond.
Op grond van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte op 11 december 2021 (medewerkers van) [benadeelde] in Eindhoven heeft bewogen tot de afgifte van meerdere kledingstukken tot een totaalbedrag van € 2.000,00. Dit is door de rechtbank ook bewezen verklaard. De verdachte was op genoemde datum samen met andere mannen in de winkel van [benadeelde] . Dhr. [aangever 2] heeft verklaard dat ten tijde van de ‘betaling’ door de verdachte op 11 december 2021 deze mannen zorgden voor een drukke, onoverzichtelijke situatie in de winkel waardoor [aangever 2] niet de gelegenheid had om de onregelmatigheden op te merken.
Op grond van de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden kan verder worden vastgesteld dat de verdachte, toen hij op 10 december 2021 in de winkel van [benadeelde] in Eindhoven was, in gezelschap verkeerde van vijf mannen met een Afrikaans uiterlijk. Diezelfde mannen zijn op 13 december 2021 in de winkel van [benadeelde] geweest en hebben toen voor een zeer hoog bedrag aankopen gedaan met vervalste creditcards. De verdachte kende deze mannen en bevond zich op 13 december 2021 bovendien in de omgeving van het winkelpand van [benadeelde] in Eindhoven.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat, gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte in de periode van 10 tot en met 13 december 2021 tezamen en in vereniging met anderen [benadeelde] te Eindhoven heeft opgelicht voor een totaalbedrag van € 10.362,45.
In dat verband acht de advocaat-generaal nog van belang dat de door de verdachte en zijn mededaders toegepaste modus operandi bij de oplichting van [benadeelde] , zoals daarvan onder meer blijkt uit de verklaring van dhr. [aangever 2] , vergelijkbaar is met de toegepaste modus operandi bij de (door de rechtbank eveneens bewezenverklaarde) oplichting van [bedrijf 3] op 10 december 2021. Ook ten tijde van die oplichting door de verdachte waren andere mannen in de winkel aanwezig die zorgden voor chaos waardoor medewerkers van de winkel niet goed konden opletten.
De verdachte heeft ontkend dat hij betrokken is geweest bij de hem tenlastegelegde oplichting van [benadeelde] .
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof ten aanzien van de tenlastegelegde oplichting van [benadeelde] de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 10 december 2021 heeft de verdachte in de winkel van [benadeelde] in Eindhoven goederen willen afrekenen met een creditcard. Deze creditcard werkte niet, waarna hij van de mogelijkheid gebruik wilde maken om te betalen via de terminal door handmatig de creditcardgegevens in te voeren. Deze mogelijkheid was op dat moment nog niet in de terminal geïnstalleerd.
Op 11 december 2021 kwam de verdachte terug in de winkel van [benadeelde] en wilde hij de (gereserveerde) goederen middels een creditcard betalen. Opnieuw werkte de creditcard niet. Vervolgens heeft de verdachte de creditcardgegevens afgelezen van zijn telefoon en op de terminal ingevoerd. Deze mogelijkheid was inmiddels geactiveerd. De betaling werd geaccepteerd, de verdachte heeft de bon getekend en de goederen zijn aan de verdachte meegegeven. Er is toen voor € 2.000,00 afgerekend met een mastercard. Deze betaling is later door de provider afgewezen.
Door een verbalisant zijn de camerabeelden van [benadeelde] in Eindhoven bekeken. Op camerabeelden van 10 en 11 december 2021 is de verdachte herkend. Tijdens zijn aanhouding op 13 december 2021 droeg de verdachte exact dezelfde kleding als op de camerabeelden van 11 december 2021.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 11 december 2021 (medewerkers van) [benadeelde] in Eindhoven door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot de afgifte van meerdere kledingstukken tot een totaalbedrag van € 2.000,00. Hoewel de verdachte op 11 december 2021 met één of meer anderen in de winkel van [benadeelde] aanwezig was, is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de oplichting op die datum in nauwe en bewuste samenwerking met die ander(en) heeft begaan.
Voorts is het hof van oordeel dat het voorliggende dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om (met voldoende zekerheid) vast te stellen dat de verdachte op de andere tenlastegelegde data als (mede)pleger betrokken is geweest bij het oplichten van [benadeelde] . Weliswaar volgt uit het dossier dat de verdachte ook op 10 en 13 december 2021 in of in de buurt van de winkel van [benadeelde] in Eindhoven aanwezig geweest en dat hij de mannen kende die blijkens de aangifte door dhr. [aangever 2] op 13 december 2021 [benadeelde] voor een groot bedrag hebben opgelicht. Van enige strafbare betrokkenheid van de verdachte bij die oplichting is het hof op grond van het dossier evenwel niet gebleken. Uit het dossier volgt niet dat de verdachte (nauw en bewust) heeft samengewerkt met de daders van de oplichting van [benadeelde] op 13 december (en/of 10 en/of 12 december) 2021, dat sprake was van een plan tussen de verdachte en deze daders of dat sprake was van een verdeling van de buit.
Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte, ook ten aanzien van de oplichting van [benadeelde] , van het tenlastegelegde medeplegen vrijspreken.

Oplichting van [bedrijf 5]

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 9 december 2021 is een boeking gedaan bij [bedrijf 5] in Eindhoven. Die nacht kwamen twee personen inchecken. Er was tot dat moment nog geen betaling voor de boeking gedaan, alleen een creditcardnummer verstrekt ter garantie. Volgens de geldende procedure worden in dat geval door het hotel alleen creditcardbetalingen geaccepteerd als de gast deze betalingen via de terminal met een pincode kan voldoen. Dat is op 9 december 2021 evenwel niet gebeurd. Bij de invoering van de betaling met de terminal werkte deze niet correct, aangezien de gasten niet over een pincode beschikten. Vervolgens is door de nachtportier het creditkaartnummer en de vervaldatum handmatig ingevoerd.
Die nacht hebben vier transacties plaatsgevonden ten bedrage van in totaal € 938,50, telkens via VISA kaartnummer [documentnummer 2] . De betalingen werden op dat moment verwerkt. Later bleek dat er op verzoek van de kaart-uitgevende instantie een klacht (chargeback) was ingediend en dat het geld teruggevorderd werd waardoor het openstaande bedrag niet is betaald.
Op de onder de verdachte inbeslaggenomen iPhone 8 (goednummer 1879815) is een afbeelding met het hiervoor genoemde kaartnummer aangetroffen.
Ten aanzien van de boeking in kwestie beschikte het hotel over de volgende gegevens: naam: [verdachte] , telefoonnummer: [telefoonnummer] , e-mail: [e-mailadres] .
Het hof is van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 9 december 2021 (medewerkers van) [bedrijf 5] in Eindhoven door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot het boeken van twee hotelkamers tot een totaalbedrag van € 938,50. Omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd, zal het hof de verdachte van het tenlastegelegde medeplegen vrijspreken.
Ten aanzien van feit 2 en feit 3
Op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, een en ander zoals nader is omschreven in de bewezenverklaring.
Conclusie
Het hof acht de aan de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, met inachtneming van het vorenoverwogene, wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals nader is omschreven in de bewezenverklaring.
De verweren die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en door hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof zal deze verweren dan ook verwerpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
opzettelijk een door misdrijf verkregen vervalst niet-contant betaalinstrument, als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat het niet-contante betaalinstrument bestemd is voor gebruik als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

opzetheling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
De verdachte heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de door de rechtbank bij het vonnis waarvan beroep opgelegde straf te matigen. Daartoe heeft de verdachte onder meer aangevoerd dat hij met zijn handelen, voor zover hij dit heeft erkend, de maatschappij wilde laten zien hoe kwetsbaar onze betalingssystemen zijn.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere oplichtingen door bij verschillende winkels en hotels met een vervalste creditcard aankopen te doen, ten aanzien waarvan de betalingen op een later momenten door de desbetreffende creditcardmaatschappij(en) werden afgewezen of gestorneerd. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van uit misdrijf verkregen vervalste creditcards, terwijl hij wist dat deze creditcards bestemd waren voor gebruik als ware deze echt en onvervalst. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling.
De verdachte heeft doelbewust gegevens van creditcardhouders misbruikt, waarbij handelingen zijn verricht om het gebruik van die gegevens legitiem te laten lijken, bijvoorbeeld door het maken van afbeeldingen van creditcards waarop die gegevens waren vermeld. Vervolgens heeft de verdachte winkeliers en aanbieders van diensten om de tuin geleid en bewogen tot het leveren van goederen en diensten, zonder daarvoor te betalen. In een periode van een aantal dagen heeft de verdachte meermalen deze wijze van handelen toegepast.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangevoerd dat hij met zijn handelen, voor zover hij dit heeft erkend, de maatschappij wilde laten zien hoe kwetsbaar onze betalingssystemen zijn. Het hof gaat niet mee in deze redenering van de verdachte. Als dat werkelijk zijn motief was, had hij dit op een andere manier aan de kaak kunnen stellen, bijvoorbeeld door het bedrijf in kwestie of de politie in te lichten. Gelet op de veelheid aan feiten die de verdachte in een periode van slechts drie dagen heeft gepleegd, ziet het hof geen andere reden dan dat de verdachte zich bij het plegen van die feiten uitsluitend heeft laten leiden door zijn verlangen naar materieel gewin en dat hij zich daarbij geenszins heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor de gedupeerden. Daarbij heeft de verdachte op geen enkel moment in de strafrechtelijke procedure ook maar enig inzicht getoond in het foute van zijn handelen of iets van bereidheid om zich daarvoor te willen verantwoorden.
Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer aan dat hij heeft gehandeld, zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 november 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk voor een vermogensdelict is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover het volgende verklaard. De verdachte woont in bij zijn moeder, is arbeidsongeschikt verklaard en leeft van een bijstandsuitkering. De verdachte wacht momenteel op toekenning van een nieuwe huurwoning. Voorts doet hij vrijwilligerswerk en is hij boks- en voetbaltrainer.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren passend en geboden.
Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 24.152,50 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij het vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven. In een aanvulling op de vordering van 1 oktober 2025 heeft de benadeelde partij de vordering, na een herberekening, gematigd tot een bedrag van € 10.362,45. Die berekening houdt in: de inkoopprijs van de kledingstukken die met vervalste creditcards zijn aangekocht en deze prijs wordt berekend als volgt: verkoopprijs gedeeld door 3 en vermenigvuldigd met 1,05 (vanwege 5% transportkosten)) en komt er dus op neer dat de inkoopprijs slechts 1/3 bedraagt van de verkoopprijs. De inkoopprijs dient vervolgens verhoogd te worden met de transportkosten die vijf procent van de inkoopprijs bedragen.
De verdachte heeft, althans zo begrijpt het hof, het hof verzocht om de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De verdachte heeft namelijk op 11 december 2021 in de winkel van [benadeelde] in Eindhoven voor een bedrag van € 2.000,00 aan kledingstukken gekocht met een vervalste creditcard. De betaling van deze aankopen is op een later moment geannuleerd. Gelet op de hiervoor genoemde berekening bedraagt de materiële schade die de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreeks heeft geleden € 700,00 (€ 2.000,00 / 3 x 1,05). De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 december 2021, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is van oordeel dat voor het overige deel van de door de benadeelde partij gestelde schade niet kan worden vastgesteld dat deze schade rechtstreeks is toegebracht door het (onder 1 bewezenverklaarde) handelen van de verdachte, zodat de benadeelde partij voor dat deel thans niet in de vordering kan worden ontvangen.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 700,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat, indien verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling voor ten hoogste 7 dagen kan worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Beslag
Het hof is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting – met behulp daarvan de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan de verdachte toebehoorden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 232, 326 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde inbeslaggenomen, nog niet terug gegeven voorwerpen, te weten:
  • een mobiele telefoon (omschrijving: PL2100-2021276158-G1879809, merk: iPhone);
  • een mobiele telefoon (omschrijving: PL2100-2021276158-G 1879815, merk: iPhone);
  • een mobiele telefoon (omschrijving: PL2100-2021276158-G 1879812, merk: Samsung).
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 2021 tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 december 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat, indien verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling voor de duur van ten hoogste 7 (zeven) dagen kan worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 5 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S. Kerssies is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.In de tenlastelegging is een hoger bedrag opgenomen, maar uit de aanvulling op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] van 1 oktober 2025 volgt dat de totale schade van de tenlastegelegde oplichting € 10.362,45 bedraagt.