Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:274

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
20-001035-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 246 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling feitelijke aanranding van de eerbaarheid met strafverzwaring

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 5 februari 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 april 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 4 maanden op en kende materiële schadevergoeding toe aan het slachtoffer.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis bevestigd met verbeterde en aangevulde gronden, maar de straf verhoogd naar 5 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Tevens werd de ingangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade aangepast. Het hof achtte de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar en geloofwaardig, mede ondersteund door een getuigenverklaring en DNA-bewijs.

De verdachte voerde vrijspraak aan en stelde dat het slachtoffer de seksuele handelingen had geïnitieerd, maar het hof verwierp dit en oordeelde dat de verdachte opzettelijk dwang heeft uitgeoefend op een kwetsbaar slachtoffer met een licht verstandelijke beperking. De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, het justitiële verleden en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd grotendeels toegewezen, met een gespecificeerde ingangsdatum van de wettelijke rente per post. Het hof bevestigde het overige vonnis en bepaalde dat de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001035-24
Uitspraak : 5 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 april 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-258347-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit bewezen verklaard, gekwalificeerd als ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid’ en is aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , nadat deze ter terechtzitting in eerste aanleg was gematigd tot € 3.174,53, geheel toegewezen en heeft de rechtbank voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van het aan de verdachte tenlastegelegde en aangevoerd dat de benadeelde partij [slachtoffer] om die reden in diens vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met verbetering en aanvulling van de gronden, met uitzondering van de opgelegde straf en met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente over de toegekende materiële schade. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd en zal het hof opnieuw recht doen.
Voorts zal het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgenomen in het vonnis waarvan beroep, aanvullen. Voorts ziet het hof, mede in hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, aanleiding om de bewijsoverwegingen van de rechtbank, zoals opgenomen in het vonnis waarvan beroep, te verbeteren. Omwille van de leesbaarheid van het arrest zullen de bewijsoverwegingen van de rechtbank in het geheel worden vervangen door de bewijsoverwegingen in dit arrest. Tot slot zullen de in het vonnis opgenomen wettelijke voorschriften worden vervangen door de wettelijke voorschriften in dit arrest.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] merkt het hof op dat het in hetgeen de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dienaangaande heeft aangevoerd, geen reden ziet om tot een ander oordeel tot komen dan de rechtbank, met uitzondering van de ambtshalve aanpassing van de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vordering betreffende materiële schade en de schadevergoedingsmaatregel op dit punt.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met het navolgende bewijsmiddel. De bewezenverklaring door de rechtbank komt aldus mede op dit bewijsmiddel te rusten.
-
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 juni 2022, pagina’s 16 en 17, voor zover inhoudende als de verklaring van [getuige] :
Ik ben werkzaam als conductrice bij de NS. Vandaag, 18 juni 2022 was ik aan het werk. Op het traject Bergen op Zoom richting Vlissingen sprak ik een jongen die aangaf seksueel aangerand te zijn. Ik hoorde de jongen vertellen dat hij op het station in Rotterdam werd aangesproken door een man die hem iets vroeg. Nadat hij antwoord had gegeven liep hij naar de trein. De man stapte in dezelfde trein. Op het traject Roosendaal-Bergen op Zoom kwam de man bij de jongen zitten. De man wilde de broeksriem van de jongen losmaken, de jongen zei daarop: “Nee, Nee”. Daarop ritste de man de gulp van broek van de jongen open en pijpte hem. De jongen vertelde dat de man daarop een condoomverpakking openmaakte en hem naar het toilet wilde slepen. Toen de trein in Bergen op Zoom aankwam, wist de jongen te ontsnappen. De jongen was uitgestapt en had de volgende trein genomen, in de trein waar ik aan het werk was. De man droeg zwarte kleding, licht getint, glitters op zijn gezicht. De man sprak geen Nederlands.
De bewijsoverwegingen
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van het aan de verdachte tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte, reeds bij het tweede politieverhoor op 20 juni 2022, een alternatief scenario naar voren heeft gebracht, inhoudende dat aangever op 18 juni 2022 in de trein van Roosendaal naar Vlissingen de verdachte heeft benaderd en dat aangever is begonnen met de seksuele handelingen, zoals tenlastegelegd, en niet andersom. Tijdens het derde politieverhoor op 6 september 2022, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een en ander nader toegelicht. De raadsman heeft verder aangevoerd dat de verklaringen van aangever tegenstrijdig zijn; zo heeft aangever enerzijds verklaard dat hij ‘nee’ zei toen er aan zijn riem werd gefriemeld, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat op datzelfde moment helemaal niks is gezegd. Daar komt bij dat op grond van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van dwang; aangever kon weggaan uit de situatie – dit heeft hij ook gedaan –, hij kon ‘nee’ zeggen en/of iemand in de trein aanspreken en om hulp vragen. Tot slot bevat het dossier geen informatie waaruit blijkt dat aangever een kwetsbaar persoon is. Juist de verdachte, een niet-Nederlands-sprekende asielzoeker zonder permanente verblijfsvergunning, moet worden aangemerkt als kwetsbaar, aldus de raadsman.
Het oordeel van het hof
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat de verdachte op 18 juni 2022 samen met aangever in de trein van Roosendaal naar Vlissingen heeft gezeten. Aangever zat bij het raam en de verdachte zat naast hem, aan het gangpad. Zowel aangever als de verdachte hebben verklaard dat op dat moment tussen aangever en de verdachte seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Uit de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 juli 2022 volgt dat op de eikel en de penishuid van aangever DNA van de verdachte is aangetroffen.
Aangever heeft verklaard dat de verdachte, terwijl aangever dit niet wilde en dat ook aangaf, de riem en gulp van (de broek van) aangever heeft ogengemaakt, het geslachtsdeel van aangever heeft vastgepakt, daarmee heeft gespeeld, gemasturbeerd en vervolgens in zijn mond heeft genomen en gepijpt.
De verdachte heeft verklaard dat aangever hem heeft gedwongen om seksuele handelingen te plegen, dat aangever zelf zijn broek heeft opengemaakt, zijn geslachtsdeel uit zijn (onder)broek heeft gehaald en het hoofd van de verdachte naar het geslachtsdeel toe heeft geduwd waarna de verdachte het geslachtsdeel van aangever in zijn mond heeft genomen.
Het hof overweegt als volgt.
De betrouwbaarheid van (de verklaringen van) aangever versus de (on)betrouwbaarheid van (de verklaringen van) de verdachte
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangever tegenstrijdig zijn, maar wijst daarbij slechts op één onderdeel van deze verklaringen, te weten dat aangever enerzijds verklaard heeft dat hij ‘nee’ zei toen er aan zijn riem werd gefriemeld, terwijl hij anderzijds verklaard heeft dat op datzelfde moment helemaal niks is gezegd.
Op grond van de inhoud van zowel het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden als het proces-verbaal van aangifte stelt het hof vast dat aangever herhaaldelijk heeft verklaard dat hij op enig moment voorafgaand aan de seksuele handelingen door de verdachte “nee” of “no” heeft gezegd en/of heeft gezegd dat hij niet wilde en/of de hand van de verdachte heeft weggeduwd. Weliswaar heeft aangever, zo volgt uit het proces-verbaal van aangifte, ook eenmaal verklaard dat hij op het moment dat de verdachte de riem van aangever probeerde open te maken, niets heeft gezegd, omdat hij bevroor. Echter, op de opmerking van de verhorend verbalisanten direct hierna, dat aangever tijdens het informatief gesprek zeden verklaard heeft dat hij “no, no” tegen de verdachte had gezegd, antwoordde aangever: “Dat klopt. Ik heb dit gezegd toen hij probeerde mijn riem los te maken.” In dit verband acht het hof ook de verklaring van getuige [getuige] – die op 18 juni 2022 als conductrice werkzaam was in de trein waar aangever in was gestapt nadat hij de trein waarin de verdachte zat op station Bergen op Zoom had verlaten – van belang. [getuige] heeft verklaard dat aangever haar vertelde dat hij in de trein op het traject Roosendaal-Bergen op Zoom seksueel was aangerand door een man die naast hem was gaan zitten. [getuige] heeft voorts verklaard dat aangever op het moment dat de man de broeksriem van aangever probeerde los te maken, “nee, nee” heeft gezegd.
Mede gelet op het voorgaande, is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat de verklaringen van aangever met betrekking tot het tenlastegelegde consistent, betrouwbaar en geloofwaardig zijn. Aangever heeft tijdens het informatief gesprek zeden op 19 juni 2022 alsmede tijdens de aangifte op 29 juni 2022 in grote lijnen hetzelfde verklaard over de gebeurtenissen in de trein op 18 juni 2022. Ook het verhaal dat aangever zeer kort na het feit aan getuige [getuige] heeft verteld, zoals blijkt uit het proces-verbaal van verhoor deze getuige, komt qua inhoud overeen met zijn latere verklaringen. Dat aangever zo kort na het feit tegenover [getuige] over de gebeurtenissen heeft verklaard, draagt naar het oordeel van het hof bovendien bij aan zijn betrouwbaarheid en geloofwaardigheid. Verder volgt uit het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden dat aangever direct na het feit contact heeft gezocht met de politie. Dit informatief gesprek zeden heeft namelijk (op audiovisuele wijze) plaatsgevonden op 19 juni 2022 tussen 00:30 en 01:30 uur, terwijl het tenlastegelegde in de avond van 18 juni 2022 (tussen 19:00 en 21:45 uur) is gebeurd.
Het hof ziet ook overigens geen reden om aan de betrouwbaarheid van aangever te twijfelen.
Wellicht ten overvloede stelt het hof vast dat juist de verklaringen van de verdachte op onderdelen inconsistent zijn. Weliswaar heeft de verdachte reeds bij het tweede politieverhoor op 20 juni 2022 verklaard dat hij aangever niet seksueel geïntimideerd heeft, dat aangever hem had benaderd en dat aangever is begonnen (
het hof begrijpt: met de seksuele handelingen); maar een nadere verklaring en toelichting hierbij kwam pas tijdens het derde politieverhoor op 6 september 2022.
Tijdens dit politieverhoor op 6 september 2022 heeft de verdachte onder meer verklaard dat hij aangever wel ging pijpen, maar dat aangever dit had aangeboden en dat het met aangevers toestemming gebeurde, dat aangever niet normaal, gek of onder invloed van drugs of alcohol was, dat aangever zijn vingers in de anus van de verdachte stopte en dat de verdachte hier normaal op reageerde. Op de vraag van de verhorend verbalisanten wat normaal is, antwoordde de verdachte: “In begin was het normaal omdat ik lange tijd geen seks had gehad. Maar toen ik zag dat hij wondjes op zijn penis had wilde ik niet meer. Ik had lange tijd geen seks maar dat was niet heel erg dringend maar toen ik het aanbod van die man kreeg om seks te hebben vond ik dat niet erg om één keer seks met iemand te hebben.”
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte daarentegen onder meer verklaard dat aangever op hem overkwam als een normaal mens, dat aangever het hoofd van de verdachte met kracht naar zijn geslachtsdeel toe heeft geduwd en zijn geslachtsdeel in de mond van de verdachte heeft gedaan, dat aangever niet zijn vinger in de anus van de verdachte heeft gedaan en tot slot dat aangever geen wondjes op zijn geslachtsdeel had, maar een soort parasietachtig wit spul. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte de door hem ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring bevestigd.
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de verklaringen van de verdachte, zoals afgelegd bij de politie op 6 september 2025 respectievelijk ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, op verschillende onderdelen die betrekking hebben op het tenlastegelegde feit tegenstrijdig zijn.
Bovendien acht het hof de verklaringen van de verdachte op onderdelen ongeloofwaardig. In dat verband acht het hof het volgende van belang.
Allereerst heeft de verdachte tijdens het politieverhoor op 6 september 2022 onder meer verklaard dat aangever hem voorafgaand aan de gebeurtenissen in de trein gevraagd heeft of hij, verdachte, ‘gay’ is en dat aangever, nadat de verdachte op die vraag bevestigend had gereageerd, tegen de verdachte gezegd heeft dat hij, aangever, biseksueel is, terwijl aangever bij de politie verklaard heeft dat hij op vrouwen valt. Voorts heeft de verdachte verklaard dat aangever hem, terwijl ze in de trein zaten, vroeg om op het volgende station (
het hof begrijpt: in Bergen op Zoom) uit te stappen om met aangever mee naar huis te gaan. Het hof stelt vast dat aangever in Goes woont en niet in Bergen op Zoom. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij via Google Translate met aangever communiceerde, waarbij de verdachte in het Arabisch teksten insprak die via Google Translate werden vertaald naar het Engels, terwijl aangever niets heeft verklaard over Google Translate en verklaarde dat de verdachte in het Engels tegen hem sprak. Ten slotte heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat aangever, op het moment dat beiden de trein richting Vlissingen instapten, zijn hand in de broek van de verdachte stopte waardoor de broek van de verdachte scheurde. Ook dit acht het hof ongeloofwaardig.
Tot besluit merkt het hof op de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkend dat hij aangever, voordat die op station Bergen op Zoom de trein naar Vlissingen verliet, een kus op de wang heeft gegeven. Dit gedrag past naar het oordeel van het hof niet bij iemand die stelt kort daarvoor door die ander seksueel te zijn aangerand. De verklaring van de verdachte dat het in de Arabische cultuur gebruikelijk is om bij afscheid iemand een kus te geven, maakt dat niet anders.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat op grond van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van dwang; aangever kon weggaan uit de situatie – dit heeft hij ook gedaan –, hij kon ‘nee’ zeggen en/of iemand in de trein aanspreken en om hulp vragen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier geen informatie bevat waaruit blijkt dat aangever een kwetsbaar persoon is.
Het hof stelt voorop dat van ‘dwang’ in de zin van artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (ook) sprake kan zijn als de betrokkene zich door het onverhoedse van het handelen van de verdachte daartegen niet heeft kunnen verzetten, dan wel door toedoen van de verdachte in een zodanige situatie is gebracht dat deze zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken. De ‘feitelijkheden’ waardoor de betrokkene gedwongen wordt, kunnen dan onder omstandigheden dezelfde handelingen betreffen als ‘ontuchtige handelingen’. Van het door een ‘andere feitelijkheid’ dwingen kan slechts sprake zijn als de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn wil heeft ondergaan.
Het hof is van oordeel dat de handelingen die de verdachte op 18 juni 2022 bij aangever, een persoon die de verdachte totaal niet kende, in een trein met andere passagiers in de directe nabijheid heeft verricht (het vastpakken, aftrekken en pijpen van de penis van aangever), niet anders dan als ontuchtig, namelijk als handelingen van seksuele aard in strijd met een sociaal-ethische norm, zijn aan te merken.
Naar het oordeel van het hof was het handelen van de verdachte in de onderhavige zaak bovendien onverhoeds en heeft aangever zich daaraan niet kunnen onttrekken.
Aangever heeft verklaard dat hij “no, no” tegen de verdachte heeft gezegd toen die met zijn hand over het bovenbeen van aangever begon te wrijven en dat hij de hand van de verdachte heeft weggeduwd toen die zijn riem/broek probeerde open te maken. Volgens aangever bevroor hij daarna. Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat het de verklaring(en) van aangever op dit punt betrouwbaar en geloofwaardig acht. Ondanks de afwijzende signalen van aangever, heeft de verdachte doorgezet en de bewezenverklaarde seksuele handelingen bij aangever verricht. Omdat aangever in de trein aan het raam zat en de verdachte naast hem zat, was het voor aangever bovendien feitelijk lastig om zich aan de situatie te onttrekken. Dat aangever en de verdachte in de eerste klas zaten waar de zitplaatsen meer beenruimte hebben, maakt dat niet anders.
In verband met het voorgaande, acht het hof het ook van belang dat, anders dan de raadsman heeft aangevoerd, op grond van het dossier – te weten de bijlagen bij het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2022, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] – kan worden vastgesteld dat aangever een licht verstandelijke beperking heeft en een totaal IQ van 59. Ook volgt uit het dossier dat aangever aan één kant doof is.
Het hof is van oordeel dat de verdachte, gelet op het onverhoedse karakter van zijn handelingen en omdat hij na de afwijzende signalen van aangever niet is gestopt met deze handelingen, opzettelijk heeft veroorzaakt dat aangever de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen tegen zijn wil heeft moeten dulden. Dat aangever in de trein niets heeft gedaan om de aandacht te trekken van medepassagiers of de conducteur doet daar niet aan af en is, mede gelet op hetgeen hiervoor over de persoon van aangever is overwogen, evenmin onbegrijpelijk.

Concluderend, acht het hof het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals nader omschreven in de bewezenverklaring, opgenomen in het vonnis waarvan beroep.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest. Daarbij heeft de advocaat-generaal in aanmerking genomen de aard en ernst van het bewezenverklaarde alsmede de (psychische) schade die het bewezenverklaarde handelen van de verdachte bij aangever teweeg heeft gebracht.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat, in het geval van een veroordeling, kan worden volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf of een taakstraf. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat korte onvoorwaardelijke gevangenisstraffen een grote negatieve impact hebben op verdachten, terwijl een taakstraf juist leidt tot vermindering van recidive. Daar komt bij dat het voor de verdachte, in verband met zijn procedure voor een permanente verblijfsvergunning, van belang is dat hij niet wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Hij heeft het slachtoffer, dat 10 jaar jonger is dan de verdachte en een licht verstandelijke beperking heeft met een totaal IQ van 59, gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. De verdachte en het slachtoffer zaten op dat moment in de trein van Roosendaal naar Vlissingen. Het slachtoffer had de verdachte, die de Nederlandse taal niet spreekt, geholpen bij het vinden van de juiste trein naar zijn bestemming. De verdachte heeft op zeer ernstige wijze misbruik gemaakt van de behulpzaamheid en kwetsbaarheid van het slachtoffer. Bovendien heeft de verdachte door het bewezenverklaarde handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke, psychische en seksuele integriteit van het slachtoffer.
Van feiten als het bewezenverklaarde is bekend dat deze veelal leiden tot (ernstige) lichamelijke en psychische schade bij de slachtoffers. Dat dit in de onderhavige zaak ook het geval is, blijkt uit de vordering van de benadeelde partij en de toelichting daarbij. Sinds het bewezenverklaarde kampt het slachtoffer met ernstige psychische klachten en heeft hij zelfs meerdere suïcidepogingen gedaan.
De verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen of ook maar enige berouw getoond voor de situatie van het slachtoffer. Daarentegen plaatst hij de schuld volledig buiten zichzelf en wijst hij het slachtoffer aan als dader. Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer aan dat hij heeft gehandeld, zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 november 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder (voor soortgelijke feiten) is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte geboren is in [geboorteplaats] en circa drie jaren geleden naar Nederland is gevlucht vanwege zijn seksuele geaardheid. De verdachte heeft momenteel een tijdelijke verblijfsvergunning voor de duur van 5 jaren. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij een woning heeft in [woonplaats] , leeft van een uitkering en leefgeld van de gemeente en werkzaam is als vrijwilliger bij de voedselbank. Uit het reclasseringsadvies d.d. 5 maart 2024 volgt verder dat de verdachte psychische klachten ervaart als gevolg van pesterijen en vernederingen met betrekking tot zijn seksuele geaardheid.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daar komt bij dat het taakstrafverbod ex artikel 22b, eerste lid sub a, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Alles afwegende, acht het hof passend en geboden om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Nu het hof, evenals de rechtbank, tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde komt, is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , anders dan door de verdediging is betoogd, ontvankelijk. Het hof ziet voorts reden om de beslissing van de rechtbank grotendeels te volgen en de vordering volledig toe te kennen. Anders dan de rechtbank dient er volgens het hof een onderscheid te worden gemaakt tussen de ingangsdatum van de wettelijke rente met betrekking tot de materiële schade en de ingangsdatum van de wettelijke rente met betrekking tot de immateriële schade.
De wettelijke rente voor de immateriële schade is, zoals de rechtbank terecht heeft beslist, aangevangen op 18 juni 2022, de datum van het tenlastegelegde feit.
De gevorderde materiële schade ter hoogte van in totaal € 674,53 bestaat uit de posten betaalde eigen bijdragen ‘WMO-arrangement’ (totaal: € 234,00), Eigen Risico (€ 215,91 en € 209,90) en Medicijnen (€ 14,72).
Gelet op de toelichting bij de posten materiële schade zal het hof de ingangsdatum van de wettelijke rente over de te onderscheiden posten als volgt toekennen:
  • WMO-arrangement 2023: over € 114,00 (eigen bijdrage 6 x 19,00) vanaf 1 januari 2024;
  • WMO-arrangement 2024: over € 120,00 (eigen bijdrage 6 x 20,00) vanaf 1 juli 2024;
  • Eigen Risico 2022: over € 215,91 vanaf 1 januari 2023;
  • Eigen Risico 2023: over € 209,90 vanaf 1 januari 2024;
  • Medicijnen 2023: over € 14,72 vanaf 1 januari 2024.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en met betrekking tot de ingangsdata betreffende de materiële schade van de vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt de ingangsdata van de wettelijke rente betreffende de posten materiële schade van de vordering benadeelde partij [slachtoffer] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel als volgt:
- WMO-arrangement 2023: over € 114,00 (eigen bijdrage 6 x 19,00) vanaf 1 januari 2024;
- WMO-arrangement 2024: over € 120,00 (eigen bijdrage 6 x 20,00) vanaf 1 juli 2024;
- Eigen Risico 2022: over € 215,91 vanaf 1 januari 2023;
- Eigen Risico 2023: over € 209,90 vanaf 1 januari 2024;
- Medicijnen 2023: over € 14,72 vanaf 1 januari 2024.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 5 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S. Kerssies is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.