3.6.De raad heeft op de mondelinge behandeling verklaard te zijn geschrokken van de gespannen sfeer tussen de ouders; dit moet belastend zijn voor [XX] . De raad adviseert dat het beter is voor [XX] om in [B] naar school te gaan, omdat dit minder gedoe tussen de ouders oplevert en dit de meeste structuur voor [XX] betekent. De raad snapt niet wat het voordeel zou zijn als [XX] in [D] naar school zou gaan; qua reisbewegingen voor partijen maakt dit geen verschil. Het zou meer rust brengen als [XX] in [B] op school zou zitten en de man, als hij vrij is, een lang weekend met [XX] kan doorbrengen. Dit kunnen partijen met elkaar afspreken als de agenda van de man het toelaat. De man zou bijvoorbeeld altijd op maandag en dinsdag voor [XX] kunnen zorgen en op de woensdag zouden de ouders dit flexibel op kunnen lossen (bv. om en om). Als er dan op schooldagen zich iets voordoet met [XX] , dan is de man in ieder geval op maandag, dinsdag en (mogelijk) woensdag echt beschikbaar voor haar en kan hij [XX] ophalen van school. De raad oppert als wisselmoment in de andere week zondag om 12.00 uur. De raad vreest dat als de man financiële druk voelt, hij toch bepaalde klussen gaat aannemen in de tijd dat hij voor [XX] dient te zorgen. Al met al is het gecompliceerder als [XX] in [D] naar school gaat en daarom is [B] beter. Op vragen van het hof wat de doorslag geeft om tot dit advies te komen, heeft de raad verklaard dat dit “minder gedoe” geeft.
Het hof overweegt als volgt.
3.7.1.Evenals de voorzieningenrechter in hoger beroep in zijn oordeel in de beschikking van 29 december 2025, is het hof van oordeel dat de voorliggende vorderingen naar hun aard spoedeisend zijn, temeer nu [XX] op 28 december jl. de 4-jarige leeftijd heeft bereikt waarmee het moment is aangebroken dat zij naar een basisschool mag gaan. Het hof gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling daarvan.
3.7.2.Het hof stelt voorop dat een kort geding een ordemaatregel betreft: een tijdelijke oplossing voor een dreigende noodsituatie in afwachting van de beslissing van de bodemrechter. Op de mondelinge behandeling van het hof hebben partijen verklaard dat zij allebei nog geen bodemprocedure hebben gestart om tot wijziging van het ouderschapsplan te komen. Het hof wijst partijen erop dat de bedoeling van een beslissing in kort geding niet is om een definitieve wijziging aan te brengen in een bestaande situatie, maar dat dat slechts het geven van een ordemaatregel is, vooruitlopend op een definitieve uitspraak of nieuwe afspraak tussen partijen. Het hof constateert dat zowel het vonnis van de voorzieningenrechter als de grieven van de vrouw én het verweer van de man hierop omvangrijker zijn en dieper gaan dan gebruikelijk in een kortgedingprocedure. Voor een grondig onderzoek naar de feiten is geen plaats. De kortgedingprocedure leent zich niet voor een bewijsprocedure. Partijen procederen over en weer op een dergelijk detailniveau waarvoor binnen een kortgedingprocedure in beginsel geen plaats is; daarvoor is nu juist de bodemprocedure bedoeld. Het hof doelt hiermee op onder andere de (ook op de mondelinge behandeling bij het hof) steeds terugkerende discussie tussen partijen over hun afspraak in het ouderschapsplan (onder 3.5) over derden die voor [XX] zorgen als de verzorgende ouder afwezig is en, in het verlengde daarvan, op de door beide ouders overgelegde Whatsapp-gesprekken waarmee zij het hof willen overtuigen van zijn/haar gelijk met daarin gedetailleerde discussies over bepaalde dagen/omstandigheden binnen de uitvoering van de zorgregeling. Dit soort kwesties zijn niet spoedeisend en het kort geding is hier niet voor bedoeld. Het hof zal daarom niet ingaan op alle stellingen van partijen. Voor nu dient er een
tijdelijke ordemaatregelte worden genomen omdat [XX] in december 2025 de basisschoolleeftijd heeft bereikt en de voorzieningenrechter het met partijen eens was dat het in het belang van [XX] is dat zij zo snel mogelijk naar een basisschool gaat. Met deze achtergrondinformatie, overweegt het hof het volgende.
3.7.3.Het hof kan het betoog van de vrouw over de volgorde waarop de voorzieningenrechter heeft beslist op de geschilpunten, niet volgen. Beide geschilpunten, de zorgregeling en de school, zijn immers ten nauwste met elkaar verbonden. Het is voorts aan de voorzieningenrechter om de volgorde te bepalen waarop hij op de vorderingen van partijen gaat beslissen. Net als de voorzieningenrechter, stelt het hof de beschikbaarheid van de ouders voor [XX] voorop en overweegt daartoe het volgende.
3.7.4.Partijen hebben meer dan 20 jaar een relatie met elkaar gehad; in al die jaren is de man artiest geweest en was het voor partijen niet meer dan normaal dat de man op andere tijden en dagen werkte dan iemand met een kantoorbaan. Het hof kan het standpunt van de vrouw – waarom de man niet in staat zou zijn om één weekend per veertien dagen vrij te houden voor [XX] , maar wel de doordeweekse dagen – daarom niet volgen. Het is nooit anders geweest dan dat de man in de weekenden werkte en doordeweeks minder of niet. De vrouw kan niet van de man vergen om daarin een dergelijke vergaande ommekeer te maken. Dit zou betekenen dat de man zijn carrière niet meer kan vormgeven op de manier waarop hij dat altijd heeft gedaan en tevens dat hij ernstig wordt beperkt in het genereren van inkomsten. Toen partijen hun relatie verbraken, hebben zij bovendien zelf de zorg voor [XX] op basis van dit gegeven ingedeeld, zodat de man – net als de vrouw – ongeveer de helft van de tijd met [XX] kon doorbrengen. Partijen hebben op de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat feitelijk de man sinds hun relatiebreuk (augustus 2024) van zondagmiddag tot en met donderdagmiddag voor [XX] zorgde en de vrouw van donderdagmiddag tot zondagmiddag, waarna de man het op zondagmiddag weer overnam. Dit deden zij in het kader van ‘birdnesting’ vanuit hun toenmalige gezamenlijke woning in [A] . Het hof constateert dat deze regeling circa één jaar lang goed heeft gewerkt. Dit veranderde na de verkoop van de gezamenlijk woning (mei 2025) ten gevolge van de keuzes die
beidepartijen vervolgens hebben gemaakt voor respectievelijk [B] (de vrouw in augustus 2025) en [D] (de man verblijft na verkoop van de echtelijke woning bij een bevriend gezin in [C] (vlak bij [D] ) en kocht in mei 2025 een woning in [D] waar hij gaat wonen in maart 2026). Door deze keuzes zagen partijen zich ineens voor het ‘schoolprobleem’ geplaatst toen de basisschoolleeftijd van [XX] steeds dichterbij kwam en hun afspraak hierover in het ouderschapsplan om samen een school uit te kiezen, niet langer houdbaar bleek. Nu partijen ieder hun eigen woonkeuzes hebben laten prevaleren boven een onderlinge afstemming van de schoolkeuze en zorgregeling voor [XX] , is de afstand en het heen en weer rijden een gegeven.
3.7.5.Evenals de voorzieningenrechter, gaat het hof er – in onderhavige procedure – vanuit dat de man beschikbaar is voor [XX] op maandag, dinsdag en woensdag, ofwel het grootste gedeelte van een reguliere schoolweek. De aanname van de raad dat de man onder financiële druk zal bezwijken en toch klussen aan zal nemen op deze dagen, is een aanname die niet gesteund wordt door feiten. Hetzelfde geldt voor de zorg van de vrouw – kennelijk gedeeld door de raad – dat de man zijn toezeggingen over de tijdsinvulling toch niet zal waarmaken. De man heeft, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. Hij heeft daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn huidige tournee, die circa twee jaar heeft geduurd, eindigt in januari 2026. Dit wordt bevestigd door de verklaring van zijn artiestmanager (van 7 januari 2026), waarin tevens staat dat de man al meerdere klussen heeft afgewezen omdat hij op die momenten voor [XX] moest zorgen. De artiestmanager, die al vijftien jaar professioneel aan de man is verbonden, bevestigt bovendien dat het werk van de man verenigbaar is met een zorgregeling waarbij de man van zondag tot en met donderdagmiddag na school (waarna hij [XX] naar de vrouw brengt) voor [XX] zorgt. Het hof heeft op dit moment onvoldoende aanleiding om de toekomstige beschikbaarheid van de man in twijfel te trekken, zodat het hof ervan uitgaat dat de man daadwerkelijk op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag tot einde schooltijd volledig beschikbaar is om voor [XX] te kunnen zorgen. De vrouw heeft weliswaar verklaard op de mondelinge behandeling dat zij vaker thuis kan werken, zodat [XX] niet naar de BSO hoeft, maar dit neemt niet weg dat de vrouw nog steeds vier dagen per week moet werken (hetzij grotendeels thuis) en zij dan niet volledig beschikbaar is voor [XX] .
3.7.6.Het hof zal nu ingaan op de voorstellen die de vrouw en de raad hebben gedaan in het kader van de zorgregeling in de situatie waarin [XX] in [B] op school zou zitten. Het primaire voorstel van de vrouw (in dit arrest uitgeschreven onder 3.4.1.) acht het hof niet in het belang van [XX] . Voor zover de man dit al zou kunnen waarmaken (waarover later meer) zou dit een dermate grote vermindering van het contact tussen hem en [XX] opleveren dat hij zijn rol als ouder – afgezet tegen de tijd die hij eerst met [XX] doorbracht – niet meer volwaardig kan vervullen.
- Alternatief voorstel van de vrouw gedaan op de mondelinge behandeling: situatie [B]
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag
Wk 1
man
man-vrouw
vrouw
vrouw
vrouw
vrouw
vrouw-man
Wk 2
man
man-vrouw
vrouw
vrouw
vrouw-man
man
man
- Advies van de raad: situatie [B]
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag
Wk 1
man
man
man of vrouw
vrouw
vrouw
vrouw
vrouw-man
Wk 2
man
man
man of vrouw
vrouw
vrouw-man
man
man
Het hof acht deze voorstellen evenmin in het belang van [XX] . Ten eerste omdat het alternatieve voorstel van de vrouw – nog steeds – te veel afbreuk doet aan de tijd die [XX] met haar vader kan doorbrengen (en wat [XX] van jongs af aan is gewend) en ten tweede omdat de man nu eenmaal artiest is en hij voornamelijk in de weekenden werkt, zoals het altijd is geweest. Ook vanuit financieel oogpunt kan niet van de man worden gevergd dat hij om het weekend de volledige zorg voor [XX] draagt, terwijl hij doordeweeks wél beschikbaar is voor haar. Het voorstel van de raad betekent weliswaar dat de man meer tijd met [XX] kan doorbrengen en maakt – afgezet tegen het vonnis van de rechtbank – qua reisbewegingen voor
partijenweinig of geen verschil, maar de raad gaat echter voorbij aan de reisbewegingen die [XX] dan moet maken. Zij moet dan iedere week op maandag, dinsdag en soms op woensdag vanuit [D] naar haar school [B] worden gebracht en naderhand weer terug naar [D] . [XX] wordt hiermee niet in staat gesteld om af te spreken met klasgenootjes en zij zit een groot deel van de schoolweek relatief lang in de auto om van en naar school te gaan. Het spreekt voor zich dat het voor [XX] fijner is als zij te voet of op de fiets naar een school kan gaan die dichtbij haar woning is, zodat het hof ook het voorstel van de raad afwijst vanwege strijd met het belang van [XX] .
3.7.7.Op grond van het vorenstaande is het hof, evenals de voorzieningenrechter, van oordeel dat het, onder de huidige omstandigheden voor [XX] het meest in haar belang is als zij in [D] naar school gaat. Het staat vast dat de vrouw maandag, dinsdag, woensdag en donderdag werkt. Van de man is gebleken dat hij die dagen juist (tot donderdag na school) volledig beschikbaar is voor [XX] . De beschikbaarheid van de ouders was bovendien één van de kernwaarden waarover beide ouders het samen eens waren. Na hun relatiebreuk in augustus 2024 hebben partijen ieders beschikbaarheid ook zelf feitelijk tot uitgangspunt genomen bij de uitvoering van een birdnestingsregeling die gedurende een jaar heeft plaatsgevonden. Het hof acht de beschikbaarheid van de ouders van doorslaggevende betekenis. Om deze reden zal het hof de beslissing van de voorzieningenrechter in stand laten. Dit geeft [XX] de meeste structuur, de minste reisbewegingen, is het contact met haar beide ouders het meeste in balans en verblijft ze steeds bij de desbetreffende ouder die op die dag volledig beschikbaar is voor haar. Het hof zal daarom het bestreden vonnis bekrachtigen inclusief de voorlopige zorgregeling; de vrouw heeft immers expliciet verklaard geen bezwaar te hebben hiertegen als het hof beslist dat [XX] in [D] naar school gaat.