ECLI:NL:GHSHE:2026:1980

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
20-003182-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 157 SrArt. 273f SrArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen brandstichting en mensenhandel minderjarigen

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 29 juli 2026 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant vernietigd en verdachte veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke brandstichting en medeplegen van mensenhandel gericht op minderjarigen.

De verdachte had twee vijftienjarige jongens via instructies, middelen en vervoer betrokken bij het stichten van brand bij een transportbedrijf, waarna hij hen betaalde. De brand veroorzaakte aanzienlijke materiële schade aan vrachtwagens en omliggende panden. De minderjarigen werden door de verdachte met het oogmerk van uitbuiting ingezet.

Het hof achtte de verklaringen van de minderjarige medeverdachten en een getuige betrouwbaar en verwierp het verweer van de verdediging over gebrek aan bewijs en onbetrouwbaarheid. De verdachte werd vrijgesproken van het onderdeel levensgevaar voor personen omdat dit niet voorzienbaar was.

De strafmaat werd vastgesteld op 3 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, rekening houdend met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het ondermijnende karakter van de uitbuiting van minderjarigen.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende duidelijkheid en complexiteit, en moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van brandstichting en mensenhandel van minderjarigen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003182-25
Uitspraak : 29 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 5 december 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-086127-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
thans verblijvende in P.I. Heerhugowaard te Heerhugowaard.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte integraal vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit (kort gezegd: het medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd), is het onder 1 primair tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als het ‘medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ (met vrijspraak van het tenlastegelegde onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen’). De rechtbank heeft de verdachte hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en heeft het verzoek van de verdediging tot onmiddellijke invrijheidsstelling van de verdachte afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot materiële en immateriële schadevergoeding, alsmede in de gevorderde proceskosten, en de benadeelde partij veroordeeld in de door de verdachte gemaakte proceskosten, op dat moment begroot op nihil.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 primair (met in begrip van het onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen’) en onder 2 is tenlastegelegd en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] geheel en hoofdelijk tot het gevorderde bedrag van € 194.001,07 zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en met toewijzing van de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten, begroot op een bedrag van € 2.831,40.
De verdediging heeft integrale vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) en onder 2 tenlastegelegde bepleit en, in het verlengde daarvan, verzocht de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding. In het geval het hof toch komt tot enige bewezenverklaring, is primair verzocht de benadeelde partij (net als in eerste aanleg in de zaken tegen de medeverdachten is beslist) niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding, zodat deze eventueel aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd, en subsidiair is verzocht uitsluitend die schadeposten toe te wijzen die zonder nader onderzoek rechtstreeks, eenvoudig en ondubbelzinnig op grond van het dossier kunnen worden vastgesteld en de benadeelde partij voor het overige alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 december 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans een brandbare stof, die over de deur van een vrachtwagen was besprenkeld en/of die over een wc-rol was besprenkeld, welke in de cabine van een vrachtwagen was gegooid, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten:
- de aangekoppelde oplegger, en/of
- de naastgelegen oplegger, en/of
- de drie naastgelegen vrachtwagens met opleggers, en/of
- de naastgelegen loods, en/of
- de in de naastgelegen loods aanwezige vrachtwagens, en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in een naastgelegen pand aanwezige vier personen, te duchten was;
subsidiair, althans indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 1 december 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans een brandbare stof, die over de deur van een vrachtwagen was besprenkeld en/of die over een wc-rol was besprenkeld, welke in de cabine van een vrachtwagen was gegooid, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten:
  • de aangekoppelde oplegger, en/of
  • de naastgelegen oplegger, en/of
  • de drie naastgelegen vrachtwagens met opleggers, en/of
  • de naastgelegen loods, en/of
  • de in de naastgelegen loods aanwezige vrachtwagens, en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in een naastgelegen pand aanwezige vier personen, te duchten was,
welk feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 30 november 2024 tot en met 1 december 2024 in [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door:
  • die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] uitleg te geven over de uitvoering van de brandstichting, en/of
  • die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een jerrycan met benzine en/of een wc-rol te verschaffen, en/of
  • die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en/of na de brandstichting een geldbedrag te betalen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 30 november 2024 tot en met 1 december 2024 te [plaats 3] en/of [plaats 2] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[a]
een ander of anderen, te weten:
- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 en/of
- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 2009,
heeft geworven, vervoerd en/of overgebracht met het oogmerk van uitbuiting van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , terwijl die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt
(sub 2°),
[b]
een ander of anderen, te weten die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten (van criminele aard), dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van diensten (van criminele aard)
(sub 4°)
en/of
[c]
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]
(sub 6°), terwijl die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt, waarbij die dwang en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of het misbruik van voortvloeiend overwicht en/of van de kwetsbare positie heeft/hebben bestaan uit:
  • het zeggen dat hij, verdachte, en/of zijn mededader hun huis zou opblazen en/of dat er iets zou gebeuren als die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] niet mee zou(den) doen;
  • het ertoe brengen van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] om de (criminele) opdracht uit te voeren door geld in het vooruitzicht te stellen,
en/of waarbij voornoemde (onder B) ‘enige handeling’ heeft bestaan uit:
  • het via Snapchat en/of bij/op het station [plaats 3] benaderen van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] voor een klus/opdracht en/of hem/hen de ontvangst van enig geldbedrag in het vooruitzicht stellen;
  • het begeleiden van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] van [plaats 3] naar [plaats 2] ;
  • het geven van instructies van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ten behoeve van de brandstichting;
  • het verstrekken van een jerrycan met benzine en/of een wc-rol aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ;
  • het verstrekken van een geldbedrag van € 500 aan die [medeverdachte 1] ;
  • het regelen van een chauffeur en/of het doen vervoeren van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] naar een industrieterrein in [plaats 1] (alwaar de brandstichting plaats moest vinden).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. primair.
hij op 1 december 2024 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine, die over de deur van een vrachtwagen was besprenkeld en die over een wc-rol was besprenkeld, welke in de cabine van een vrachtwagen was gegooid, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten:
- de aangekoppelde oplegger, en
- de naastgelegen oplegger, en
- de drie naastgelegen vrachtwagens met opleggers, en
- de naastgelegen loods, en
- de in de naastgelegen loods aanwezige vrachtwagens,
te duchten was;
2.
hij in de periode van 30 november 2024 tot en met 1 december 2024 te [plaats 3] en/of [plaats 2] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
[a]
anderen, te weten:
- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 en
- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 2009,
heeft geworven, vervoerd en overgebracht met het oogmerk van uitbuiting van die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , terwijl die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet hadden bereikt.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Voor de leesbaarheid worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2 opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage (op pagina’s 15 tot en met 26).
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van de feiten 1 primair en 2
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte degene is geweest die opdracht heeft gegeven tot de tenlastegelegde brandstichting en evenmin dat hij de twee minderjarige medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daartoe heeft geworven. De verdachte heeft hierbij geen enkele betrokkenheid gehad.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben bij de politie en de raadsheer-commissaris wisselend en ook onderling tegenstrijdig verklaard, met name waar het gaat om de vermeende betrokkenheid van de verdachte (en zich bij de rechter-commissaris op hun verschoningsrecht beroepen). Bovendien zijn door de politie sturende vragen gesteld en zijn ontlastende elementen uit het verhoor selectief niet opgenomen in het proces-verbaal.
Voorts is door de verdediging aangevoerd dat [getuige] geen betrouwbare getuige is en dat zijn verklaring geen rechtstreeks bewijs oplevert voor het opdrachtgeverschap van de verdachte. Ook de historische telefoongegevens, de zendmastgegevens en de camerabeelden kunnen dat bewijs niet leveren. De stemherkenningen van de verdachte als zijnde de gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] zijn uitsluitend verricht door verbalisanten die zelf bij het opsporingsonderzoek betrokken zijn; er is geen gebruik gemaakt van gecertificeerde deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut. Die stemherkenningen dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de 15-jarige [medeverdachte 1] op 30 november 2024 via Snapchat door een persoon is benaderd met het verzoek iets bij een bedrijf te slopen of kapot te maken, waarbij een geldbedrag als beloning in het vooruitzicht werd gesteld. Op het station in [plaats 3] hebben [medeverdachte 1] en de eveneens 15-jarige [medeverdachte 2] de persoon die hen heeft benaderd ontmoet. Hij werd boos en zei als ze het niet deden er iets met hen zou gebeuren. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die avond laat met de trein van [plaats 3] naar [plaats 2] gereisd. Beide jongens waren op de hoogte van het doel van deze treinreis naar [plaats 2] .
Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte [verdachte] en de getuige [getuige] elkaar die avond – 30 november 2024 – hebben ontmoet bij het Esso tankstation aan de [adres] te [plaats 2] . De verdachte heeft bij dit tankstation de door [getuige] getankte benzine betaald.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn na aankomst in [plaats 2] , nabij het treinstation, door een persoon aangesproken. Deze persoon heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] instructies gegeven om brand te stichten. Ook heeft hij het adres van het transportbedrijf waar dat moest gebeuren gegeven en heeft hij aan hen een jerrycan met benzine en een wc-rol overhandigd. Ten slotte heeft deze persoon de auto met chauffeur ( [getuige] ) aangewezen die hen naar het transportbedrijf in [plaats 1] zou brengen. [getuige] heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vervolgens met zijn auto naar het industrieterrein in [plaats 1] gebracht. Hij is daar met zijn auto in de buurt blijven wachten en/of rondjes blijven rijden.
In [plaats 1] zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over het hek van het transportbedrijf van [bedrijfsnaam]
geklommen. [medeverdachte 2] heeft daarbij de jerrycan met benzine en de wc-rol onder zijn jas gehouden en [medeverdachte 1] heeft ter plaatse een baksteen opgeraapt. Op het afgesloten buitenterrein van [bedrijfsnaam] stonden, nabij de loods, meerdere vrachtwagens met opleggers dicht naast elkaar. In die naastgelegen loods stonden eveneens meerdere vrachtwagens. Bij één van de vrachtwagens op het terrein heeft [medeverdachte 2] een wc-rol besprenkeld met benzine en daarna de benzine en de wc-rol aan [medeverdachte 1] gegeven. [medeverdachte 1] heeft vervolgens eerst met de baksteen de ruit van de cabine van een vrachtwagen kapot gegooid, daarna de deur van de vrachtwagen met benzine besprenkeld en de met benzine besprenkelde wc-rol met een aansteker aangestoken en deze in de cabine van de vrachtwagen gegooid.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn, nadat zij deze brand hebben gesticht, meteen weggegaan en
hebben [getuige] gebeld met het verzoek hen op te komen halen. [getuige] heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vervolgens met de auto terug naar [plaats 2] gebracht. In [plaats 2] heeft
[medeverdachte 1] € 500,00 ontvangen en dit bedrag heeft hij gedeeld met [medeverdachte 2] .
Door de brandstichting zijn vier op het buitenterrein geparkeerde vrachtwagens met opleggers volledig uitgebrand en is schade ontstaan aan naastgelegen goederen.
De vraag waarvoor het hof zich ziet gesteld is of de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij deze brandstichting (feit 1 primair) en bij – kort gezegd – mensenhandel in de zin van criminele uitbuiting (feit 2).
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de politie (telkens) in de kern gelijkluidend hebben verklaard. Zij hebben ieder over hun eigen betrokkenheid bij de brandstichting verklaard en zij hebben allebei uitdrukkelijk de verdachte op een foto aangewezen als de persoon die hen daartoe instructies en middelen heeft gegeven. Voorts volgt uit de verklaring van [medeverdachte 2] dat de verdachte hen de chauffeur ( [getuige] ) heeft aangewezen die hen met de auto naar het transportbedrijf in [plaats 1] heeft gereden en naderhand heeft teruggebracht naar [plaats 2] . Ook [medeverdachte 1] heeft de verdachte bij de auto met chauffeur geplaatst. Ten slotte volgt uit de verklaring van [medeverdachte 1] dat de verdachte degene is geweest die hem naderhand voor de brandstichting heeft betaald.
Het hof heeft geen aanleiding om aan de inhoud van deze verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te twijfelen. Het hof overweegt daarbij nog dat de door de verbalisanten uitgewerkte processen-verbaal van verhoor een zakelijke weergave zijn van hetgeen deze medeverdachten bij de politie hebben verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting en hetgeen door de verdediging is aangevoerd, is het hof – net als de rechtbank – niet gebleken dat de door de verdediging genoemde verschillen in die verhoren zodanig groot zijn dat daarmee de strekking van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over het tenlastegelegde verandert. Ook is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat door de verhorende verbalisanten een zodanig grote druk op deze medeverdachten is uitgeoefend dat de inhoud van die verhoren niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt.
Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De later bij de raadsheer-commissaris afgelegde andersluidende verklaringen, waarbij [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zich weinig kan herinneren en waarbij [medeverdachte 2] heeft verklaard bang te zijn voor wraakacties, schuift het hof als niet bruikbaar terzijde. Bij de rechter-commissaris hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich op hun verschoningsrecht beroepen. Het hof gaat derhalve uit van de juistheid van hetgeen zij bij de politie, relatief kort na de brandstichting, hebben verklaard.
De betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige]
Voornoemde bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met betrekking tot het vervoer naar/van de plaats van de brandstichting, vinden steun in de door [getuige] afgelegde verklaring. Uit de verklaring van [getuige] volgt immers dat een persoon die zichzelf [bijnaam] noemde hem heeft verzocht twee jongens vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] te brengen. Zij hebben elkaar daartoe bij het Esso tankstation in het centrum van [plaats 2] ontmoet, [getuige] heeft daar getankt en [bijnaam] heeft voor hem de benzine betaald. Niet veel later zijn, op aanwijzen van [bijnaam] , twee jonge jongens bij hem in de auto gestapt, heeft hij hen naar het industrieterrein in [plaats 1] vervoerd en hen korte tijd later weer terug naar [plaats 2] gebracht. [getuige] heeft daarover nog verklaard dat hij op de terugweg een sterke benzinelucht rook, hij toen heeft gevraagd of zij een auto in de fik hadden gestoken en dat dit door één van de twee jongens werd beaamd.
[getuige] heeft de verdachte op een foto aangewezen als de persoon die zich [bijnaam] noemde, hem heeft verzocht als chauffeur op te treden voor twee jongens en voor hem de benzine heeft betaald. Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij wel eens [bijnaam] wordt genoemd en voorts dat hij benzine voor [getuige] heeft betaald, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dat de verdachte degene is waarover [getuige] heeft verklaard. Het hof acht de verklaring van [getuige] derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Net als de rechtbank, acht het hof de verklaring van de verdachte, dat slechts sprake was van een toevallige ontmoeting tussen hem en [getuige] bij het Esso tankstation in [plaats 2] en dat hij benzine voor [getuige] heeft betaald om hem te helpen (vanuit een schuldgevoel over de verkoop van drugs aan [getuige] in het verleden), volstrekt ongeloofwaardig. Het hof schuift dat verhaal van de verdachte derhalve terzijde.
Medeplegen brandstichting (feit 1 primair) en mensenhandel (feit 2)
Naast het medeplegen van brandstichting is aan de verdachte tevens het medeplegen van mensenhandel tenlastegelegd. De verdachte wordt (onder meer) verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de strafbare gedragingen zoals omschreven in artikel 273f, eerste lid, aanhef en sub 2º, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit wetsartikel stelt een handeling met het oogmerk van uitbuiting strafbaar, waarbij – anders dan onder sub 1º – niet de eis wordt gesteld dat sprake moet zijn geweest van het hanteren van (een of meer van de onder 1º genoemde) dwangmiddelen. Immers, dit onderdeel van de strafbaarstelling van mensenhandel strekt ter bescherming van minderjarigen en bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. De leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd en opzet of schuld daaromtrent is voor het bewijs dan ook niet vereist. De wetgever heeft tot uitdrukking willen brengen dat aan de wil van de minderjarige en daarmee diens instemming geen betekenis toekomt.
De handelingen omschreven in artikel 273f, lid 1, aanhef en sub 2°, Sr zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van een persoon of personen. De vraag of en, zo ja, wanneer sprake is van ‘uitbuiting’, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene(n) meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte(n) is behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. In geval van een minderjarig slachtoffer geldt naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid bij het slachtoffer, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten uitbuiten. Uit jurisprudentie volgt dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid. De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden; voldoende is de onmiskenbare bedoeling van de dader. Wel moet het opzet gericht zijn op de uitbuiting. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.
De betrokkenheid aan een strafbaar feit (zoals hier de tenlastegelegde brandstichting en mensenhandel) kan als medeplegen worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
In het hiervoor overwogene heeft het hof, kort samengevat, vastgesteld dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] :
  • op 30 november en 1 december 2024 allebei 15 jaar oud waren en derhalve minderjarig;
  • gezamenlijk met de trein van [plaats 3] naar [plaats 2] zijn gegaan met de van ene ‘ [bijnaam 2] ’ via Snapchat gekregen opdracht om iets te vernielen bij een bedrijf en dat deze ‘ [bijnaam 2] ’ met hen is meegereden naar station [plaats 2] ;
  • in [plaats 2] van de verdachte instructies en middelen hebben gekregen om brand te stichten bij een transportbedrijf;
  • hiervoor gezamenlijk naar [plaats 1] zijn gebracht door [getuige] en dat de verdachte deze chauffeur heeft geregeld en aan hen heeft aangewezen;
  • samen het terrein van het transportbedrijf van [bedrijfsnaam] hebben betreden en daar de brand samen hebben gesticht;
  • na afloop door [getuige] terug naar [plaats 2] zijn gebracht, alwaar [medeverdachte 1] € 500,00 van de verdachte heeft gekregen voor de brandstichting, welk geldbedrag [medeverdachte 1] heeft gedeeld met [medeverdachte 2] .
Het hof is van oordeel dat hierbij sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de andere daders, die in de kern bestond uit een
gezamenlijke uitvoering. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de brand feitelijk gesticht. Zij zijn hiervoor via Snapchat benaderd door ene ‘ [bijnaam 2] ’ en – eenmaal in [plaats 2] aangekomen – in contact gekomen met de verdachte. De verdachte heeft vervolgens aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] instructies en middelen gegeven voor de brandstichting, hij heeft voor hen vervoer naar het transportbedrijf geregeld en hij heeft hen na voltooiing van de opdracht betaald. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dat de verdachte en ‘ [bijnaam 2] ’ bij het verwerven, vervoeren en overbrengen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld. Zij hebben dit gedaan met het oogmerk van uitbuiting, nu zij twee minderjarige jongens opdracht hebben gegeven tot het verrichten van een ernstig strafbaar feit, hen hiervoor (een relatief lage vergoeding) hebben betaald en daarmee het risico hebben gedelegeerd.
Het hof achter derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zowel de onder 1 primair tenlastegelegde brandstichting heeft medegepleegd als de onder 2 tenlastegelegde mensenhandel heeft medegepleegd.
Dat de medeverdachte [medeverdachte 3] (mogelijk zijnde ‘ [bijnaam 2] ’) in eerste aanleg door de rechtbank is vrijgesproken, maakt het vorenstaande niet anders.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging derhalve in alle onderdelen.
Te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel (feit 1 primair)
Uit het dossier volgt dat door de brandstichting ook potentieel gevaar is ontstaan voor vier personen die zich in het naastgelegen kantoorpand bevonden, maar tijdig door de brandweer zijn geëvacueerd. Het hof is echter van oordeel dat de omstandigheid dat voor hen levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, niet voor de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voorzienbaar was. Immers, het ligt naar algemene ervaringsregels niet in de lijn der verwachting dat zich in een kantoorpand op een industrieterrein, in de nachtelijke uren, (slapende) personen bevinden. Nu dit niet voorzienbaar was voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en evenmin is gebleken dat de verdachte zelf van de aanwezigheid van personen in het naastgelegen kantoorpand op de hoogte was, spreekt het hof de verdachte(n) vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft, indien het hof de zich in het dossier bevindende stemherkenningen van de verdachte (als de gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] ) door de verbalisanten voor het bewijs wil bezigen, verzocht om nader onderzoek hiernaar te laten verrichten door het Nederlands Forensisch Instituut.
Nu het hof de desbetreffende stemherkenningen – anders dan de rechtbank – niet voor het bewijs heeft gebezigd, behoeft dit voorwaardelijke verzoek van de verdediging geen nadere bespreking.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt,
meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft twee vijftienjarige jongens instructies, een adres en middelen gegeven om brand te stichten bij een transportbedrijf. De verdachte heeft hen met het oogmerk hen daartoe uit te buiten, samen met een ander of anderen, verworven – kennelijk om zelf buiten schot te blijven – en het vervoer naar het transportbedrijf geregeld. Naderhand heeft hij hen een geldelijke beloning gegeven voor de voltooide brandstichting.
De door de twee jongens gestichte brand heeft zich zodanig kunnen ontwikkelen dat vier vrachtwagens in vlammen zijn opgegaan. Tevens is forse schade veroorzaakt aan andere vrachtwagens en aan naastgelegen panden. De brand heeft derhalve grote materiële schade veroorzaakt en heeft bovendien grote financiële gevolgen gehad voor het transportbedrijf (een familiebedrijf). De financiële schade van de brand, maar ook alle andere bijkomende gevolgen, zijn voor de benadeelde(n) niet te overzien.
Brandstichting is een zeer ernstig en gevaarlijk feit. Naast materiële schade, heeft een brand vaak ook een grote impact op betrokkenen en omwonenden. Een gestichte brand zorgt voor gevoelens van onrust en onveiligheid. Vuur is per definitie oncontroleerbaar en de gevolgen ervan zijn daarom ook onvoorspelbaar en niet zelden onbeheersbaar. Dat de onderhavige brand uiteindelijk beperkt is gebleven tot goederen en de vier personen uit het naastgelegen kantoorpand tijdig door de brandweer geëvacueerd kon worden, terwijl er – hoewel voor de verdachten onvoorzienbaar – wel potentieel gevaar bestond voor hen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachten is te danken.
Ook criminele uitbuiting van minderjarigen is een zeer ernstig feit. Uit onderzoeken is gebleken dat in criminele milieus in toenemende mate minderjarigen worden geronseld en ingezet om strafbare activiteiten te ontplooien. Om zelf buiten beeld te blijven van de politie, zetten criminelen stelselmatig (vaak kwetsbare) jongeren in, die de meest risicovolle opdrachten voor hen uitvoeren. De minderjarigen kunnen de gevolgen van hun handelen vaak moeilijk overzien en door hen voor te houden dat ze snel en eenvoudig geld kunnen verdienen, worden zij gemakkelijk verleid tot het plegen van strafbare feiten. In dit concrete geval heeft het onder meer tot gevolg gehad dat de minderjarigen zijn veroordeeld voor brandstichting, een zeer ernstig strafbaar feit, en daar straf voor hebben gekregen. Dit ‘verdienmodel’ heeft een ondermijnend effect voor zowel de betrokken slachtoffers van de uitbuiting als voor de samenleving. Het hof neemt het de verdachte dan ook kwalijk dat hij willens en wetens aan deze vorm van uitbuiting van minderjarige personen heeft bijgedragen.
Bij de staftoemeting heeft het hof ook acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2026, niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier, waaronder het reclasseringsadvies van 1 juli 2025, en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft de verdachte ter terechtzitting van 15 juli 2026 nog naar voren gebracht dat hij voorafgaand aan zijn detentie als dakdekker heeft gewerkt, dat hij daartoe nog geen opleiding had afgerond en zwart werkte, maar dat hij na zijn detentie dit werk weer wil oppakken, de benodigde opleiding of cursussen wil gaan volgen en op termijn als zelfstandige aan de slag wil gaan. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij grote schulden heeft.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende en rekening houdende met de omstandigheid dat het hof meer bewezen heeft verklaard dan de rechtbank in eerste aanleg en minder dan waarvan de advocaat-generaal is uitgegaan in haar vordering, acht het hof thans oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van deze op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 194.001,07. Dit bedrag bestaat uit € 184.862,07 aan materiële schade (opgebouwd uit diverse posten) en een bedrag van
€ 9.139,00 aan immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is verzocht om vergoeding van € 2.831,40 aan proceskosten, bestaande uit de kosten van het inhuren van ‘ [bedrijf] ’.
Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard, zowel ten aanzien van de gevorderde materiële en immateriële schade als ten aanzien van de gevorderde proceskosten. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering (€ 194.001,07 aan schade en € 2.831,40 aan proceskosten).
Bij brief van 3 juli 2026, met bijlagen, van (de advocaat van) de benadeelde partij is de schade nader onderbouwd. Uit die brief volgt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] verzoekt om vergoeding van € 9.139,00 aan immateriële schade en dat zijn bedrijf, de besloten vennootschap [bedrijfsnaam] , aanspraak maakt op een bedrag van € 63.245,23. Deze vordering is nader toegelicht door de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2026.
Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade overweegt het hof dat niet duidelijk is tot welk bedrag de vordering thans strekt. Enerzijds heeft de benadeelde partij de oorspronkelijke vordering tot schadevergoeding gehandhaafd, te weten (onder andere) een bedrag van in totaal € 184.862,07 aan materiële schade, ziende op vergoeding van de schade aan de vrachtwagens en de opleggers, omzetverlies, extra eigen werkzaamheden en de kosten van de accountant. Anderzijds volgt uit de nadere onderbouwing van 3 juli 2026 en de toelichting ter terechtzitting in hoger beroep dat de materiële schade strekt tot een bedrag van € 63.245,23. Dit bedrag bestaat uit de navolgende posten: belangderving, huur trailers, extra uren DGA, inzet extra administratieve krachten en extra werk accountant. Uit die nadere onderbouwing volgt voorts dat de schade niet is geleden door de benadeelde partij, maar door zijn bedrijf, de besloten vennootschap [bedrijfsnaam] .
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat, op grond van de ingediende stukken, niet eenvoudig is vast te stellen of en in hoeverre de geleden schade in directe relatie staat tot het bewezenverklaarde handelen van de verdachte.
Het hof is, mede in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer, van oordeel dat nader onderzoek naar de materiële en immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans niet in de vordering tot materiële en immateriële schadevergoeding worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Dit geldt eveneens voor de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten.
Gelet hierop, zal het hof de benadeelde partij veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de verdachte, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57, 157 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding – zowel ten aanzien van de gevorderde materiële en immateriële schade alsmede ten aanzien van de gevorderde proceskosten – en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 29 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Van Campen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

BEWIJSMIDDELENBIJLAGE:

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 2

[pro memorie]