ECLI:NL:GHSHE:2026:1913

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
20-002464-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van StrafrechtArt. 14c Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en gedeeltelijke veroordeling voor dodelijk verkeersongeval onder invloed van amfetamine

De verdachte werd in hoger beroep vrijgesproken van het tenlastegelegde verlaten plaats ongeval, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat zij zich daaraan schuldig had gemaakt. Wel werd zij veroordeeld voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval door zeer onvoorzichtig en onoplettend rijden onder invloed van amfetamine.

Op 19 december 2024 reed de verdachte als bestuurster van een vuilniswagen in Sint Anthonis, waarbij zij een fietser over het hoofd zag en aanreed, wat leidde tot het overlijden van het slachtoffer. Uit het onderzoek bleek dat de verdachte onder invloed was van amfetamine, wat haar rijvaardigheid negatief beïnvloedde. De verdachte had het slachtoffer gedurende langere tijd niet gezien, ondanks dat zij zicht had.

De verdediging voerde onder meer aan dat de verdachte niet uit eigen beweging amfetamine had gebruikt en dat de snelheid van het slachtoffer was overschat. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat de verdachte ernstig tekort was geschoten in haar zorgplicht als bestuurder. Gelet op het delictpatroon en het justitiële verleden werd een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 10 jaar en diverse bijzondere voorwaarden, waaronder een rijontzegging voor motorrijtuigen waarvoor een B, C of D rijbewijs vereist is.

De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen. Het hof achtte verdere behandeling en begeleiding noodzakelijk en legde strikte voorwaarden en toezicht op om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, wegens zeer onvoorzichtig rijden onder invloed van amfetamine met dodelijk ongeval; vrijspraak van verlaten plaats ongeval.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002464-25
Uitspraak : 22 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 22 september 2025, parketnummer 01-402701-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 96-288581-20, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid van deze wet’ (het onder 1 tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn, naast de algemene voorwaarden, diverse bijzondere voorwaarden verbonden, waarbij aan de reclassering de opdracht is gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, welke voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Voorts heeft de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren opgelegd. Tot slot heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 96-288581-20, toegewezen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen
en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en dat het hof de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (conform het maatregelenrapport van de reclassering d.d. 27 augustus 2025) zal gelasten, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard, en zal bepalen dat bij eventuele omzetting het bevel tot verpleging niet gemaximeerd is. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 5 jaren zal opleggen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 96-288581-20, zal toewijzen.
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat het hof de verdachte partieel zal vrijspreken van roekeloos of zeer onoplettend en onvoorzichtig rijden. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging primair vrijspraak bepleit en subsidiair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging. Voorts heeft de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen straf en/of maatregelen. Met betrekking tot de ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen heeft de verdediging bepleit dat het hof de duur zal verkorten en zal bepalen op 4,5 jaar. Tot slot heeft de verdediging bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 96-288581-20, zal afwijzen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 19 december 2024 te Sint Anthonis, althans in de gemeente Land van Cuijk, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen), daarmede rijdende over de weg, Rondveld en/of Stevensbeekseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden onder invloed van amfetamine, althans van een stof, waarvan zij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kan verminderen, en/of niet voldoende te letten op het overige verkeer op de Rondveld en/of
Stevensbeekseweg en/of een naast/voor de door haar bestuurde vrachtwagen staande fietser niet op te merken en/of vanaf de Rondveld rechtsaf te slaan naar de Stevensbeekseweg en/of niet (voldoende) te kijken of de kruising vrij was van overig verkeer en/of over die fietser heen te rijden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,
terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste,
tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het
feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde,
zevende of negende lid van genoemde wet;
2.
zij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Sint Anthonis, althans in de gemeente Land van Cuijk, op/aan de Rondveld en/of de Stevensbeekseweg, op of omstreeks 19 december 2024, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) is gedood, althans letsel en/of schade aan die ander was toegebracht.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde
Anders dan de advocaat-generaal is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde, zodat het hof de verdachte hiervan zal vrijspreken. Hiertoe overweegt het hof het navolgende.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte
wistdat zij een ander had gedood, dan wel dat letsel en/of schade aan die ander was toegebracht. De verdachte heeft verklaard dat zij het claxonneren door de bestuurder achter haar niet heeft gehoord en daarnaast heeft zij van meet af aan verklaard dat zij het ongeval ook anderszins niet heeft opgemerkt. Het hof is van oordeel dat deze verklaring bevestiging vindt in de omstandigheid dat uit het dossier blijkt dat de verdachte na het ongeval met een normale snelheid is doorgereden en volgens de vooraf geplande route haar weg heeft vervolgd. De wijze waarop zij nadien op de plek van het ongeval is teruggekeerd levert daarnaast geen aanwijzingen op dat de verdachte ervan op de hoogte was dat zij betrokken was bij een ongeval.
Het hof is van oordeel dat evenmin bewezen kan worden verklaard dat de verdachte
redelijkerwijs moest vermoedendat zij een ander had gedood, dan wel dat letsel en/of schade aan die ander was toegebracht. Met de rechtbank overweegt het hof dat de verklaring van een getuige dat de achterkant van de vuilniswagen bewoog en de conclusie van
de politie dat de schommeling die werd veroorzaakt door het aan- en overrijden van een
soortgelijke fiets als die van het slachtoffer, voelbaar was in de bestuurderscabine, onvoldoende is voor het hof om daaruit zonder meer af te leiden dat de verdachte die schommeling moet hebben opgemerkt en dat zij daaruit de conclusie moest trekken dat zij een verkeersongeval had veroorzaakt. Het hof betrekt hierbij dat, zoals hierna bewezen zal worden verklaard, de verdachte onder invloed van harddrugs als bestuurder van een vrachtwagen aan het verkeer heeft deelgenomen, hetgeen haar waarnemingsvermogen zal hebben verminderd.
Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte vrijspreken van het aan haar tenlastegelegde onder 2.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij op 19 december 2024 te Sint Anthonis, in de gemeente Land van Cuijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen), daarmede rijdende over de weg, Rondveld en Stevensbeekseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden onder invloed van amfetamine, waarvan zij weet, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kan verminderen, en niet voldoende te letten op het overige verkeer op de Rondveld en
Stevensbeekseweg en een naast/voor de door haar bestuurde vrachtwagen staande fietser niet op te merken en vanaf de Rondveld rechtsaf te slaan naar de Stevensbeekseweg en niet voldoende te kijken of de kruising vrij was van overig verkeer en over die fietser heen te rijden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,
terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit van roekeloos of zeer onoplettend en onvoorzichtig rijden. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte zich – kort weergegeven, op gronden zoals verwoord in de pleitnota – in de kern op het standpunt gesteld dat de vaststelling van de feiten in het vonnis niet juist is en dat daarmee ook de daarop geconcludeerde conclusie onjuist is. Zo heeft de verdediging verweer gevoerd op de vaststelling van de rechtbank dat de snelheid van de fiets van het slachtoffer (op een juiste wijze) is berekend, de positie van de vuilniswagen en de fiets voor de botsing, het vrije zicht voor de botsing en de conclusie van de rechtbank van onverantwoord rijden voor de botsing. De verdachte heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat zij niet uit eigen beweging amfetamine heeft gebruikt, maar dat (een) collega(‘s) amfetamine in haar koffie heeft/hebben gedaan, terwijl zij hiervan niet op de hoogte was.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de onder 1 tenlastegelegde overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 is vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. In de tweede plaats moet de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Bij de vaststelling van de mate waarin de verdachte schuld aan het ongeval heeft, wordt onderscheid gemaakt tussen aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend (het lichtste schuldverwijt), zeer onvoorzichtig en/of onoplettend (het qua mate van schuld daarop volgende schuldverwijt) en roekeloos rijgedrag (de zwaarste vorm van schuld). Alle drie de vormen van schuld zijn in deze zaak tenlastegelegd.
Op grond van bestendige rechtspraak ligt de ondergrens van het begrip ‘schuld’ in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 bij een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid en/of onachtzaamheid en/of onoplettendheid, ook wel omschreven als ‘aanmerkelijke schuld’. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Eveneens kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat voor de beoordeling of de schuld van de verdachte aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, de afweging gebaseerd dient te zijn op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat heeft tot gevolg dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, omdat daarvoor ook andere factoren van belang zijn, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts is een gegeven dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft - ongeacht het gevolg daarvan - dus niet altijd schuld op te leveren.
Voor bewezenverklaring van roekeloosheid dient te worden vastgesteld dat de verdachte zeer onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond waarbij welbewust met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Het betreft handelen dat niet slechts aanmerkelijk onvoorzichtig is, maar blijk geeft van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Met de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeerdelicten (Stb. 2019, 413) is de reikwijdte van ‘roekeloosheid’ als vorm van schuld via artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 (tevens) gekoppeld aan artikel 5a Wegenverkeerswet. De vaststelling dat sprake is van opzettelijk zeer gevaarlijk rijgedrag als bedoeld in artikel 5a Wegenverkeerswet 1994, dat heeft geleid tot een verkeersongeval met dodelijke afloop of letsel kan vervolgens dienen ter vaststelling dat sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent in essentie dat bepaald welbewust zeer gevaarlijk rijgedrag in elk geval de zwaarste vorm van schuld (roekeloosheid) oplevert als die gedragingen het gevolg hebben veroorzaakt, terwijl de verdachte zich bewust had moeten zijn van het ernstige gevaar dan wel zich bewust was van de mogelijkheid van het gevolg, maar ernstig verwijtbaar (en naar is gebleken ten onrechte) heeft geoordeeld dat het wel goed zou aflopen.
Feiten en omstandigheden
Op basis van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast. Bij de beoordeling van de hiervoor vermelde verweren van de verdediging zal het hof van die feiten en omstandigheden uit gaan.
Op 19 december 2024 heeft er een ongeval plaatsgevonden op een T-splitsing in Sint Anthonis tussen een vrachtauto met [kenteken] , die was ingericht als vuilnisauto, waarvan de verdachte de bestuurster was, en een fietsster, [kenteken] , waarbij het slachtoffer is overleden. Op de ochtend van het ongeval reed de verdachte als bestuurster van deze vuilnisauto over de Rondveld, gaande in de richting van de T-aansluiting met de Stevensbeekseweg. Het slachtoffer fietste op dezelfde weg en in dezelfde richting. Op 870 meter voor de ongevalsplaats heeft het slachtoffer om 07.54.44 eerst een aldaar aanwezige camera gepasseerd. Iets meer dan één minuut later, te weten om 07.55.47, heeft ook de verdachte met de vuilnisauto deze camera gepasseerd. Het slachtoffer voerde bij het passeren van de camera een helderrood achterlicht. Met de rechtbank neemt het hof, bij gebrek aan enige indicatie voor het tegendeel, aan dat dit achterlicht tot het moment van de botsing, enkele minuten later, met dezelfde helderheid is blijven branden. Daarnaast stelt het hof vast dat het slachtoffer eerder dan de vuilnisauto op de kruising is aangekomen. Deze vaststelling baseert het hof, met de rechtbank, op de verklaring van de [getuige] ter plaatse, de verstreken tijd tussen het passeren van de camera door het slachtoffer en door de verdachte, de bepaling van de relatieve posities van de vuilnisauto en het slachtoffer uit de reconstructie gebaseerd op de tachograafdata en de snelheid van de fiets.
De verdachte had vanaf 320 meter voor de botsplaats (de kruising) tot ongeveer 20 meter voor de botsplaats continu vrij zicht op het slachtoffer. De verdachte heeft het slachtoffer naar eigen zeggen gedurende het afleggen van deze afstand echter niet gezien. Op het kruispunt, toen de vuilnisauto en de fiets stilstonden, had de verdachte geen zicht meer op het slachtoffer omdat zij in de dode hoek stond. Bij het oprijden van de kruising om de bocht naar rechts te nemen, had de verdachte echter opnieuw zicht op zowel de fiets van het slachtoffer als op het slachtoffer zelf, via twee verschillende camera’s waarvan de beeldschermen zich in de bestuurderscabine bevonden. De verdachte heeft het slachtoffer ook op dit moment niet gezien. Zij is vervolgens bij het nemen van een, naar het oordeel van het hof, korte bocht tegen en over het slachtoffer en haar fiets gereden. Het slachtoffer is aan de gevolgen van deze aanrijding overleden.
De verdachte was ten tijde van het ongeval onder invloed van amfetamine. Op 19 december 2024 om 15.51 uur is bloed afgenomen van de verdachte en hierbij is als eindresultaat 69 microgram amfetamine per liter bloed gemeten, terwijl de grenswaarde indien enkelvoudig gebruikt, 50 microgram per liter bloed bedraagt.
Bespreking van de verweren
Met betrekking tot het standpunt van de verdachte dat zij niet uit eigen beweging amfetamine heeft gebruikt, maar dat (een) collega(‘s) amfetamine in haar koffie heeft/hebben gedaan, terwijl zij hiervan niet op de hoogte was, overweegt het hof als volgt. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft de verdachte daags na het ongeval, te weten d.d. 20 december 2024, verklaard dat zij de avond voor het ongeval omstreeks 21.30/22.00 uur thuis amfetamine heeft gebruikt, namelijk dat zij een lijntje op heeft. Het hof is van oordeel dat dit een authentieke en gedetailleerde verklaring betreft, nu zij een en ander ook heeft toegelicht in die zin dat zij een verklaring geeft voor dat gebruik en dat koppelt aan gebeurtenissen en omstandigheden. Om die reden acht het hof deze verklaring betrouwbaar. Het hof is van oordeel dat er geen begin van aannemelijkheid is voor het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, welk scenario haaks staat op voornoemde authentieke en gedetailleerde verklaring. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat dit alternatieve scenario als ongeloofwaardig terzijde dient te worden geschoven met als conclusie dat het hof vaststelt dat de verdachte de avond voor het ongeval uit eigen beweging amfetamine heeft gebruikt.
De verdediging heeft bepleit dat de snelheid van de fiets van het slachtoffer niet is berekend, maar is geschat, waarbij de aanname is gedaan dat de gemiddelde snelheid van een fiets met elektrische aandrijving 25 kilometer per uur is, hetgeen niet juist is. In de praktijk wordt langzamer gefietst, aldus de verdediging. Het hof is van oordeel dat de aanname van een gemiddelde snelheid van 25 kilometer per uur passend is bij de verklaring van [getuige] , inhoudende dat het slachtoffer al stilstond voordat de vuilniswagen bij de kruising was gearriveerd. Derhalve is het hof van oordeel dat de aanname van een gemiddelde snelheid van 25 kilometer per uur bij benadering juist zal zijn.
Het verweer van de verdediging dat de vaststelling van de rechtbank dat de vuilnisauto uiterst rechts en deels naast het wegdek stond en dat het slachtoffer direct daar rechts voor stond niet juist is, behoeft geen bespreking, nu het hof dit hiervoor niet heeft vastgesteld.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat de verdachte de bocht vrij kort heeft genomen. Uit de verklaring van [getuige] volgt dat de vuilnisauto een vrij korte bocht heeft genomen. Deze verklaring vindt naar het oordeel van het hof bevestiging in het proces-verbaal forensisch onderzoek, sporenonderzoek plaats ongeval & voertuigen (pagina 157 van het digitale dossier). Hieruit volgt dat op basis van de vaststelling van de gereden lijn van de vrachtwagen (primair tot stand gekomen op basis van de aangetroffen bandensporen en secundair op basis van de vastgestelde botszone, sporenbeeld op de weg, sporen aan de fiets, sporen aan het lichaam en sporen aan de kleding van het slachtoffer) als meest aannemelijk scenario kan worden gesteld dat de vrachtwagen binnen de weergegeven gereden lijn in botsing was gekomen met de achterzijde van de fiets en het slachtoffer. De botsing heeft plaatsgevonden op het moment dat de bestuurster van de vrachtwagen in een voorwaartse rijbeweging naar rechts instuurde om het wegverloop te volgen en vervolgens rechtsaf de Stevensbeekseweg op te rijden. Hierbij reed de vrachtwagen in de aanloop naar de botszone (in het bochtverloop naar rechts) gedeeltelijk buiten de wegverharding aan de uiterste rechterzijde van de weg. Binnen deze (indraaiende) rijbeweging kwam de vrachtwagen ter hoogte van de middenas in botsing met het slachtoffer en de fiets, die op de verharde rijbaan aan de rechterzijde van de weg, in normale uitgangspositie binnen de botszone stond opgesteld (of heeft bewogen).
Voorts heeft de verdediging bepleit dat niet vaststaat dat de verdachte vanaf 320 meter voor de botsplaats continu vrij zicht heeft gehad op de fiets, nu vaststaat dat voor de verdachte een personenauto heeft gereden. Het hof is van oordeel dat dit verweer niet opgaat, nu de verdachte zich in een voertuig bevond waarin zij dermate hoog gepositioneerd zat ten opzichte van het hoogste punt van de personenauto dat zij vrij zicht moet hebben gehad op de fiets. De enkele omstandigheid dat in de 320 meter voor de botsplaats, waarbij sprake was van een recht tracé, zonder zichtverstoringen, een personenauto achter het slachtoffer heeft gereden, maakt derhalve niet dat de verdachte niet continu vrij zicht heeft gehad op de fietster.
Tevens heeft de verdediging bepleit dat de conclusie van de rechtbank dat de verdachte in de minuten voorafgaand aan de botsing totaal onverantwoord heeft gereden niet op vastgestelde feiten is gebaseerd. Het ging niet om minuten en daarnaast is er geen causaal verband tussen het verkeersgedrag van de verdachte voordat zij op de plaats van het ongeval arriveerde en het ongeval zelf, aldus de verdediging. Bovendien heeft zij afgeremd voor de kruising, waaruit kan worden afgeleid dat zij kennelijk nog voldoende op zat te letten. Dit verweer vindt zijn weerlegging in het hieronder weergegeven oordeel van het hof.
Het oordeel van het hof
Zoals onder het juridische kader is weergegeven is onder meer vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen het amfetaminegebruik van de verdachte en het dodelijke ongeval. Het is een feit van algemene bekendheid dat amfetaminegebruik na-effecten kan hebben, t.w. vermoeidheid en concentratieverlies, die leiden tot verminderde rijvaardigheid. De omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer gedurende langere tijd niet als verkeersdeelnemer heeft waargenomen, is naar het oordeel van het hof veroorzaakt door het amfetaminegebruik van de verdachte. Het hof is van oordeel dat deze na-effecten van amfetaminegebruik ook blijken uit de omstandigheid dat de verdachte niet heeft opgemerkt dat haar vuilnisauto op en neer bewoog tijdens het ongeval (pagina 43 van het dossier) en dat ook het claxonneren door de bestuurder van het achter de vrachtwagen opgestelde voertuig haar volledig is ontgaan. Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet aan twijfel onderhevig is dat in de keten van gebeurtenissen de gedragingen van de verdachte een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg en dat deze ten minste een onmisbare schakel hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid.
Vervolgens dient het hof tegen voornoemde juridische achtergrond de mate waarin de verdachte schuld heeft aan het ongeval vast te stellen.
Het hof is van oordeel dat de verdachte, door zich in het verkeer te gedragen als zij heeft gedaan, weliswaar verkeersregels in zeer ernstige mate heeft geschonden en ook dat daarvan niet alleen levensgevaar voor een ander te duchten was, maar dat dit gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijk doordat het slachtoffer als gevolg van verdachtes gedragingen is komen te overlijden. Met de advocaat-generaal, de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het voorhanden zijnde politiedossier noch het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat de verdachte zich die vroege ochtend opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen teneinde de verkeersregels in ernstige mate te schenden, zodat roekeloosheid in de zin van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 niet wettig en overtuigend kan worden vastgesteld; van dit onderdeel van de tenlastelegging zal zij worden vrijgesproken.
Naar het oordeel van het hof kan de verdachte wel worden verweten dat zij op 19 december 2024 als bestuurster van een vrachtwagen zeer onoplettend en onvoorzichtig is geweest waardoor een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij het slachtoffer is gedood. De verdachte was als bestuurster van een grote, zware vuilnisauto in het bijzonder gehouden om op ieder moment van haar rit de weg en het verkeer dat zich daarop bevond nauwlettend en zorgvuldig in de gaten te houden. Op de verdachte rustte dan ook een extra zorgplicht (de zogenaamde Garantenstellung), juist ook rond het tijdstip van 08.00 uur op een werkdag en bij duisternis, waarbij het een feit van algemene bekendheid is dat veel scholieren zich rond die tijd op de fiets richting school begeven.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op de weg richting de kruising vanaf 320 meter tot het moment van het stilstaan op die kruising het slachtoffer en haar goed verlichte fiets goed had kunnen zien. Meerdere getuigen, die achter de verdachte reden in een personenauto, hebben het slachtoffer en haar fiets wel opgemerkt bij het naderen van de kruising. De verdachte heeft, aldus haar eigen verklaring, het slachtoffer echter in het geheel niet gezien gedurende haar rit over de Rondveld. De verdachte heeft daarmee gedurende een langere periode onvoldoende opgelet op de weg en het overige verkeer. Ook op en bij het verlaten van de kruising heeft de verdachte het slachtoffer en haar fiets niet opgemerkt, terwijl deze wel zichtbaar waren op de beeldschermen in de cabine. Ook op dit punt heeft de verdachte niet goed opgelet. Zij heeft zich er niet voldoende van vergewist dat de ruimte rondom de vrachtauto vrij was voordat zij rechtsaf sloeg. Uit de bandensporen en een getuigenverklaring blijkt verder dat de verdachte de bocht vrij kort genomen heeft, wat er ook op wijst dat zij bij het nemen van de bocht onvoldoende rekening hield met overige, mogelijk zich in de dode hoek bevindende (zwakkere) verkeersdeelnemers. De verdachte was gedurende de hele rit bovendien onder invloed van een strafbare hoeveelheid harddrugs. Een aantal uren na het ongeval werd de maximaal toegestane hoeveelheid amfetamine in haar bloed nog ruim overschreden. Het is algemeen bekend en de verdachte, gelet op aantal malen dat de verdachte ter zake overtreding van artikel 8 lid 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 is veroordeeld, in het bijzonder, dat het gebruik van drugs de rijvaardigheid negatief kan beïnvloeden. De verdachte is aldus, vergeleken met wat van een bekwaam en zorgvuldig vrachtwagenbestuurder in dezelfde omstandigheden mag worden verwacht, ernstig en langdurig tekortgeschoten in haar rijgedrag. Het hof kan niet anders concluderen dan dat de verdachte, terwijl zij vanwege haar drugsgebruik van de avond daarvoor nog onder invloed van amfetamine was, voorafgaand en op het moment van het ongeval kennelijk ernstig afgeleid was van de weg en (zwakkere) medeweggebruikers, en daarmee totaal onverantwoord heeft gereden, ten gevolge waarvan een noodlottig ongeval heeft plaatsgevonden, waardoor het slachtoffer is overleden.
Het tot partiële vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen.
Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich onder invloed van harddrugs door zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag schuldig heeft gemaakt aan een verkeersongeval waardoor een ander is komen te overlijden. Het onverantwoorde rijgedrag van de verdachte heeft een einde gemaakt aan het nog jonge leven van het slachtoffer, die nietsvermoedend met haar fiets onderweg was naar school. Hiermee is haar op gruwelijke wijze de kans ontnomen om te genieten van alles wat het leven haar nog te bieden had. De nabestaanden van het slachtoffer is hierdoor een onherstelbaar leed aangedaan en zij zijn voor het leven getekend door het ongeval en het verlies van het slachtoffer. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de moeder van het slachtoffer op indrukwekkende wijze onder woorden gebracht hoezeer zij en andere nabestaanden zijn getroffen door het verlies van het slachtoffer.
Het hof weegt in sterk strafverzwarende zin mee dat de verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was van amfetamine, terwijl zij in het verleden veelvuldig onherroepelijk is
veroordeeld voor het rijden onder invloed van verdovende middelen. Daar komt bij dat de
verdachte hier geen verantwoordelijkheid voor neemt door, na een eerdere bekentenis, ter
terechtzitting te ontkennen dat zij zelf amfetamine had gebruikt en een ongeloofwaardige verklaring af te leggen over de wijze waarop de amfetamine in haar bloed terechtgekomen zou zijn.
De persoon van de verdachte
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het rijden onder invloed van verdovende middelen en het rijden zonder geldig rijbewijs. Voor laatstgenoemd feit liep zij ten tijde van het bewezenverklaarde bovendien in een proeftijd. Deze veroordelingen hebben de verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de rapportages en aanvullende rapportage die zijn uitgebracht over de persoon van de verdachte door de deskundigen [GZ-psycholoog] en [psychiater] . De advocaat-generaal en de verdediging hebben ingestemd met het gebruik van deze rapportages in hoger beroep.
Uit de door voornoemde [GZ-psycholoog] opgemaakte psychologische rapportage d.d. 18 maart 2025 volgt dat bij de verdachte sprake is van een gevoeligheid voor stress,
aandachtsproblemen, impulsiviteit en agressiedoorbraken. Daarnaast is sprake van een
beperkt reflectief vermogen, het overschatten van eigen capaciteiten en het onderschatten en
bagatelliseren van de gevaren van eigen gedragskeuzes/gedrag. Hier lijkt persoonlijkheidsproblematiek aan ten grondslag te liggen in de vorm van een andere
gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met gemengde kenmerken (borderline, antisociale
en dwangmatige trekken). In het verleden werd een cognitieve stoornis vastgesteld bij de verdachte (aandachtsproblemen en problemen in de uitvoerende functies). In eerdere Pro Justitia-onderzoeken is beschreven dat men adviseerde om de behandeling van de
verdachte ambulant (poliklinisch) vorm te geven, omdat de verwachting was dat een klinische behandeling te sterk ontregelend zou zijn, dat de verdachte haar toekomstperspectief zou kunnen kwijtraken en een dergelijke behandeling daardoor moeizaam zou verlopen en een zeer langdurig karakter zou kunnen krijgen. Voorgaande is nog steeds een punt van aandacht voor het formuleren van een behandeladvies. Daarnaast is het de vraag of een langdurige klinische behandeling wel leidt tot gedragsverandering, aangezien ook in een klinische setting de beperkte leerbaarheid van de verdachte nog steeds een beperkende factor blijft. Ook moet worden opgemerkt dat het op basis van het uitgevoerde onderzoek lastig blijkt om zicht te krijgen op de delictdynamiek en de omstandigheden die een rol hebben gespeeld in het tot stand komen van het delict. De psycholoog kan geen advies geven over het strafrechtelijk kader waarin behandeling zou moeten plaatsvinden, aangezien er onvoldoende informatie is over de omstandigheden voorafgaand en tijdens, een eventuele doorwerking van problematiek op het delict en het ontbreken van een advies over de mate van toerekenen.
Uit de door voornoemde [psychiater] opgemaakte psychiatrische rapportage d.d. 27 mei 2025 volgt dat de psychiater komt tot vergelijkbare bevindingen. Omtrent het risico op recidive heeft de psychiater geschreven dat de aard, de ernst en de hardnekkigheid van de persoonlijkheidspathologie van de verdachte maken dat de kans op nieuwe (algemene) grensoverschrijdingen als hoog moet worden aangemerkt. Uit de aanvullende rapportage van de psychiater d.d. 14 juli 2025 begrijpt het hof dat daaronder ook het zich schuldig maken aan nieuwe verkeersdelicten moet worden begrepen. Daarbij heeft de psychiater aangetekend dat de kans op een herhaling van delicten gelijk aan of lijkend op het nu bewezenverklaarde gezien het specifieke, situatiegebonden karakter daarvan, als laag wordt beoordeeld. De psychiater acht een behandeling noodzakelijk. Deze behandeling zal naar verwachting langere tijd gaan duren en dient binnen een verplichtend kader te worden opgelegd omdat anders de kans groot is dat de verdachte zich eraan zal onttrekken. Doordat de psychiater de psychopathologie bij de verdachte en de tenlastegelegde feiten niet afdoende heeft kunnen onderzoeken kan ook hij geen uitspraken doen over interventies die het recidivegevaar zouden kunnen beperken en de juridische kaders waarbinnen deze zouden moeten plaatsvinden.
Tevens heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies ‘tbs met voorwaarden’ d.d. 27 augustus 2025. De reclassering heeft de mogelijkheden van een terbeschikkingstelling met voorwaarden onderzocht. Zij stelt zich op het standpunt dat, indien oplegging van de maatregel tbs met voorwaarden juridisch mogelijk is, daarmee een stevig kader wordt gecreëerd waarmee de verdachte nauwlettend gevolgd kan worden en zich geen misstappen kan permitteren. Een poliklinisch behandeltraject (niet zozeer gericht op gedragsverandering maar wel op ondersteuning en wellicht traumabehandeling, dit ter beoordeling aan de behandelaren), het strikt nakomen van de afspraken met de reclassering en een algeheel middelenverbod (en controle daarop) worden als belangrijkste voorwaarden gezien. De verdachte toont zich bereid tot medewerking, gezien de ervaringen in het verleden met de verdachte adviseert de reclassering ‘voorzichtig’ positief. Het is de vraag of het de verdachte gaat lukken zich langdurend te conformeren aan de opgelegde voorwaarden. Indien er juridisch te weinig grondslag is om een maatregel tbs met voorwaarden op te leggen, zouden de voorwaarden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel opgelegd kunnen worden. Ook hierbij is het echter de vraag in hoeverre het de verdachte gaat lukken zich hier langdurig aan te conformeren, kijkende naar de ervaringen in het verleden met de verdachte. De reclassering heeft de voorkeur voor een tbs-maatregel met voorwaarden om te voorkomen dat de verdachte, bij overtreding van één of meer voorwaarden, na het uitzitten van een voorwaardelijk strafdeel, zonder toezicht en voorwaarden weer buiten komt. De reclassering schat het risico op recidive in als (hoog)gemiddeld, dit geldt eveneens voor de risico’s op toebrengen letsel en het onttrekken aan voorwaarden.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het voorgangsverslag van de reclassering d.d. 22 juni 2026. Hieruit volgt dat de risico’s op recidive en letsel worden ingeschat als gemiddeld. Deze inschatting is voornamelijk gebaseerd op het verloop van het toezicht en hoe de verdachte zich binnen het gestelde kader houdt aan de voorwaarden, zoals het middelenverbod en het rijverbod. Er zijn geen signalen dat de verdachte alcohol of drugs gebruikt. Hierdoor neemt het risico sterk af, gezien dat zowel het indexdelict als eerdere delicten samenhingen met middelengebruik. De verdachte spreekt evenwel herhaaldelijk de wens uit om in de toekomst weer te kunnen drinken en zij ziet hierin zelf ook geen probleem. De verdachte houdt zich aan het rijverbod, wat de kans op het opnieuw veroorzaken van letsel verkleint. Echter, ook hierin spreekt de verdachte herhaaldelijk uit dat zij hoopt dat dit in de toekomst verandert en wil zij het liefst weer kunnen autorijden en terug de vrachtwagen op. Het gebrek aan zowel probleembesef als inlevingsvermogen maakt dat de reclassering het risico niet als laag inschat, maar als gemiddeld, ook gezien het feit dat de tijd dat het toezicht loopt relatief kort is ten opzichte van hoe lang (rijden onder invloed van) middelengebruik een rol in haar leven gespeeld heeft. Gezien dat er sprake is van een delictpatroon wat betreft rijden onder invloed en middelengebruik tijdens een groot deel van haar leven een problematische rol gespeeld heeft, ziet de reclassering de risico’s direct toenemen wanneer de verdachte de voorwaarden zou overschrijden en/of het toezicht weg zou vallen. Binnen het toezicht en de behandeling wordt ingestoken op het vergroten van adequate copingvaardigheden en het vergroten van spannings- en emotieregulatie. In het verleden leidde een gebrek hieraan tot zowel middelengebruik (om emoties te dempen) of het uit-ageren van onlustgevoelens. De verdachte toont zich afsprakentrouw, en committeert zich aan het opgelegde toezicht en de bijzondere voorwaarden. Het voorwaardelijke kader biedt een stok achter de deur en derhalve wordt het onttrekken aan voorwaarden ingeschat als laag, aldus de reclassering.
Op te leggen sanctie
Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In beginsel is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden is, mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Hieruit volgt dat ter zake van overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 met de dood als gevolg bij een zeer hoge mate van schuld het uitgangspunt de oplegging van een gevangenisstraf van 3 jaren is. Hierbij heeft het hof aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt met een alcoholgebruik van < 570 μg/l, nu de verdachte, hoewel niet onder invloed van alcohol, wel onder invloed van verdovende middelen verkeerde. In de gevallen waarin zeer onvoorzichtig/onoplettend/onachtzaam gedrag bewezen is verklaard kan aansluiting gezocht worden bij de categorieën ‘ernstige schuld’ en ‘zeer hoge mate van schuld’, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in de strafmaat naar de mate van verwijtbaarheid. Het hof is van oordeel dat in onderhavige zaak, gelet op de omstandigheden van het geval, aansluiting dient te worden gezocht bij de zeer hoge mate van schuld.
Aangezien de verdachte in onderhavige zaak de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf al heeft uitgezeten, de bijzondere voorwaarden en het toezicht van de reclassering al in gang zijn gezet en de reclassering voorzichtig positief is, oordeelt het hof dat het met het oog op de veiligheid van de samenleving zeer wenselijk is dat de uitvoering van deze bijzondere voorwaarden niet wordt doorkruist. Het hof acht de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan de duur langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, niet langer passend.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of naast de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, dient te worden gelast of dat kan worden volstaan met een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, zoals al in gang is gezet. Met de rechtbank ziet het hof geen aanleiding om de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden te gelasten. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof gebleken dat de reclassering voorzichtig positief is omtrent de begeleiding en behandeling van de verdachte. Het hof komt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet tot de conclusie dat de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk is, nu naar het oordeel van het hof kan worden volstaan met een minder ingrijpende afdoening. Het hof is van oordeel dat verdere, langdurige begeleiding en behandeling wel noodzakelijk is en het hof zal dit net als de rechtbank inpassen in de vorm van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.
Het hof is van oordeel dat een forse voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is als stok achter de deur zodat de verdachte zich niet nogmaals schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke strafbare feiten, maar ook als stok achter de deur voor de verdachte om zich maximaal in te spannen om te komen tot een (uiteindelijk) goede afronding van haar behandeling en begeleiding. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat een voorwaardelijk strafdeel van 12 maanden niet afdoende is. Het hof acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof zal de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het voortgangsverslag van de reclassering d.d. 22 juni 2026 aan het voorwaardelijk opgelegde strafdeel verbinden. De voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het besturen van motorrijtuigen zal evenwel op andere wijze worden geformuleerd.
Omtrent laatstgenoemde voorwaarde en de door de advocaat-generaal gevorderde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen als bijkomende straf overweegt het hof het navolgende. Zoals hiervoor overwogen blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026 dat de verdachte een (groot) aantal malen is veroordeeld ter zake van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Gelet op het aantal veroordelingen ex artikel 9 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 laat de verdachte zich kennelijk niets gelegen liggen aan op deze wijze gesanctioneerde ontzeggingen van de rijbevoegdheid. Gevoegd bij het door de reclassering specifiek onderkende gevaar indien de verdachte weer als bestuurster van een auto of een vrachtwagen aan het verkeer zou deelnemen, welke wens de verdachte herhaaldelijk heeft uitgesproken, acht het hof het, in het kader van de verkeersveiligheid, met name ter bescherming van andere verkeersdeelnemers, noodzakelijk de verdachte onder bedreiging van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf ervan te weerhouden aan het verkeer deel te nemen. Uit jurisprudentie volgt dat een gehele ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen als bijzondere voorwaarde in strijd is met het systeem van de wet. Aangezien een partiële ontzegging wel toelaatbaar is, zal het hof als bijzondere voorwaarde de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen van de categorieën B, C, en D en zal het hof niet overgaan tot het opleggen van de bijkomende straf van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.
Het hof ziet aanleiding om aan voornoemd voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van 10 jaren te verbinden, nu naar het oordeel van het hof er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Zoals hiervoor weergegeven ziet de reclassering de risico’s op recidive en letsel direct toenemen wanneer de verdachte de voorwaarden zou overschrijden en/of het toezicht weg zou vallen, gezien de omstandigheid dat er sprake is van een delictpatroon wat betreft rijden onder invloed en dat middelengebruik tijdens een groot deel van haar leven een problematische rol heeft gespeeld.
Nu het hof er – gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen – ernstig rekening mee houdt dat de verdachte, zonder behandeling, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal het hof dan ook bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Het hof zal bevelen dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit arrest onderworpen is geweest aan de door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden en toezicht bij de uitvoering van de door het hof opgelegde voorwaarden in mindering dient te worden gebracht.
Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Concluderend zal het hof aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 36 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden de voorwaarden zoals nader vermeld in het dictum, met een proeftijd van 10 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, welke voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de (eventueel) op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie te Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 24 februari 2022 onder 96-288581-20. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat het thans niet opportuun is de tenuitvoerlegging te gelasten, ook om de redenen zoals genoemd bij de strafoplegging.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
24 (vierentwintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
10 (tien) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

  • zich (ambulant) laat behandelen door Kairos/Iris Zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
  • actief deelneemt aan de gedragsinterventie (COVA) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
  • zich zal onthouden van het gebruik van drugs en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
  • zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
  • meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht, welke medewerking onder andere inhoudt, in aanvulling op de van rechtswege geldende voorwaarden,
o de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
o de verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
o de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
o de verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
  • meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Stelt als
bijzondere voorwaardedat de verdachte zich zal onthouden van het besturen van motorrijtuigen waarvoor een B, C, dan wel D rijbewijs is vereist;
Geeft opdracht dat de politie toezicht houdt op de naleving van de voorwaarde inhoudende dat de verdachte zich zal onthouden van het besturen van motorrijtuigen waarvoor een B, C, dan wel D rijbewijs is vereist.
Beveelt dat voormelde voorwaarde en het uit te oefenen politietoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit arrest onderworpen is geweest aan de door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden bij de uitvoering van de opgelegde voorwaarden in mindering zal worden gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie te Oost-Brabant van 4 februari 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 24 februari 2022, parketnummer 96-288581-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijf weken.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 22 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.M. Hilverda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.