Belanghebbende, een in Litouwen gevestigd uitzendbureau, verzocht om teruggaaf van omzetbelasting die zij betaalde over de door haar aan werknemers verstrekte huisvesting in Nederland. De inspecteur wees deze verzoeken af, wat door belanghebbende werd aangevochten bij de rechtbank en vervolgens bij het gerechtshof.
Het geschil betrof de vraag of de inhoudingen op het loon van werknemers voor de huisvesting een vergoeding vormen voor een belaste dienst. Belanghebbende stelde dat de vergoeding niet afhankelijk is van het gebruik van de woonruimte, maar van het aantal gewerkte uren, en dat ook derden zonder extra vergoeding in de woning mogen verblijven.
Het hof oordeelde dat er een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de terbeschikkingstelling van woonruimte en de vergoeding, omdat de inhouding op het loon duidelijk en controleerbaar is en gebaseerd op een rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer. Het feit dat de vergoeding afhangt van gewerkte uren en dat familie zonder extra kosten kan verblijven, doorbreekt dit verband niet.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hof wees ook verzoeken om vergoeding van griffierecht en proceskosten af.