ECLI:NL:GHSHE:2026:1873

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
20-001440-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder B OpiumwetArt. 2 onder C OpiumwetArt. 3 onder C OpiumwetArt. 420bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling medeplegen drugshandel en witwassen tot 36 maanden gevangenisstraf

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 16 juli 2026 het vonnis van de rechtbank Limburg bevestigd in hoger beroep. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet (feit 1, 2 en 3) en witwassen (feit 4). Het hof voegde de verklaring van de verdachte in hoger beroep toe aan de bewijsmiddelen en verving de bewijsoverweging van de rechtbank.

De verdachte gaf toe in de tenlastegelegde periode drugs te hebben verhandeld, waaronder cocaïne, amfetamine, hennep en hasj. Het hof oordeelde dat de verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de aangetroffen drugs in zijn auto en bij een medeverdachte, mede op basis van DNA-sporen, observaties en geotagging. Partiële vrijspraak werd uitgesproken voor een deel van de amfetamine die niet aan de verdachte kon worden toegerekend.

Ten aanzien van het witwassen werd vastgesteld dat het contante geldbedrag van €124.580,00 in de oude slaapkamer van de verdachte lag, waar ook persoonlijke documenten en een simkaarthouder met zijn telefoonnummer werden aangetroffen. De verdachte gaf geen verklaring over de herkomst van het geld, waardoor het hof aannam dat het afkomstig was uit enig misdrijf.

De raadsman pleitte voor vrijspraak op feit 4 en een lagere straf, maar het hof vond de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden passend gezien de ernst van de feiten en de normhandhaving. De verbeurdverklaring van twee iPhones en verpakkingsmateriaal werd gehandhaafd.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van drugshandel en witwassen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001440-25
Uitspraak : 16 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 mei 2025 in de strafzaak met parketnummer 03-133210-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
  • ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 1);
  • ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 2);
  • ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 3), en
  • ‘witwassen’ (feit 4, primair),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank de twee onder de verdachte inbeslaggenomen iPhones en het verpakkingsmateriaal verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen onder aanvulling van de gronden waarop het berust.
De raadsman van de verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit. Voorts heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het onder feit 4 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust.
Gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, zal het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aanvullen met de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep. Voorts behoeft de bewijsoverweging, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling en verbetering. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsoverweging van de rechtbank in het geheel vervangen.
In hetgeen de raadsman in het kader van het straftoemetingsverweer naar voren heeft gebracht – inhoudende het primaire verzoek tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast eventueel een of meerdere taakstraffen, dan wel het subsidiaire verzoek tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk – ziet het hof geen aanleiding de door de rechtbank opgelegde straf te vernietigen. Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, zoals door de rechtbank is opgelegd, passend en geboden is.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof zal de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aanvullen met
‘De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 2 juli 2026’,voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik in de tenlastegelegde periode heb gehandeld in drugs. Ik heb in die periode gewerkt. Het klopt dat ik met ‘werken’ bedoel dat ik heb gedeald.
U, voorzitter, houdt mij voor dat er op 19 januari 2024 door een verbalisant bij een flat aan de [straat 1] te [plaats] iets dat op een drugsdeal lijkt werd waargenomen. Een man uit de flat is in een daarbij geparkeerde Volkswagen Golf ingestapt en verliet na enkele seconden de auto. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik daarna als bestuurder van deze Volkswagen Golf ben aangehouden en vraagt mij of ik nabij de flat drugs heb verhandeld. Dat klopt.
Ik heb gehandeld in cocaïne en soms in iets anders.
Het klopt dat ik de Volkswagen Golf van mijn vriendin gebruikte voor de handel in drugs.
Het klopt dat de op 26 maart 2024 in de Volkswagen Golf aangetroffen hennep en hasjiesj van mij waren. Ik verkocht ook hennep en hasjiesj.
Verbetering van de bewijsoverweging
Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte op 19 januari 2024 ongeveer 35,3 of 35,4 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad. Van de overige tenlastegelegde hoeveelheden cocaïne en amfetamine dient de verdachte te worden vrijgesproken. Deze verdovende middelen zijn aangetroffen in de woning van medeverdachte [medeverdachte] waar de verdachte nooit binnen is geweest, alsook in de Volkswagen Golf waar de verdachte op de datum van het aantreffen van de verdovende middelen geen beschikking over had. Het enkele feit dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op diverse tassen en gripzakjes waarin de verdovende middelen zaten, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over deze verdovende middelen en de hoeveelheden daarvan. Immers, de tassen en gripzakjes werden steeds hergebruikt door verschillende dealers. Subsidiair heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van de ongeveer 4,105 kilogram amfetamine in de woning van [medeverdachte] , nu daar geen DNA van de verdachte op is aangetroffen.
Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het onder feit 4 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Het contante geldbedrag is weliswaar aangetroffen in de oude slaapkamer van de verdachte in de woning van zijn ouders, doch hij verbleef daar niet meer. Uit de omstandigheid dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op de elastiekjes rondom het contante geldbedrag, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van dat geldbedrag. DNA blijft immers lang op rubberen voorwerpen als elastiekjes bestaan en aldus valt niet uit te sluiten dat hij de elastiekjes eerder heeft aangeraakt.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Feit 1 en feit 3
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder in het bijzonder de door de verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, is het hof van oordeel dat de verdachte in de periode van 1 december 2023 tot en met 26 maart 2024 tezamen en in vereniging met anderen heeft gedeald in cocaïne en amfetamine (feit 1) en dat de verdachte op 26 maart 2024 opzettelijk ongeveer 795,2 gram hasjiesj en 1.208,2 gram hennep aanwezig heeft gehad (feit 3).
Feit 2
Op 19 januari 2024 is de verdachte aangehouden na, zo verklaarde hij ter terechtzitting in hoger beroep, een drugsdeal aan de [straat 1] te [plaats] . Na de aanhouding van de verdachte is bij hem in totaal 45 ponypacks met een totaal brutogewicht van 35,4 gram cocaïne aangetroffen.
Vervolgens werden op 14 maart 2024 in de diepvries in de woning van medeverdachte [medeverdachte] in [plaats] onder meer vier gesealde pakketten met daarin ruim 4 kilogram amfetamine en een Jumbo tas met daarin 28 zakjes amfetamine met een totaal gewicht van ongeveer 2.785,83 gram amfetamine aangetroffen. Op de binnen- en buitenzijde van de sluiting van de gripzak, de beide hengsels van de Jumbo tas en het gebied van de knoop van drie transparante zakjes is DNA van de verdachte aangetroffen. Op de binnen- en buitenzijde van de sluiting van de gripzak en op de hengsels van de Jumbo tas is ook DNA van [medeverdachte] aangetroffen.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van verdovende middelen als bedoeld in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet is vereist dat moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en dat die verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden, in die zin dat hij de feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover beschikkingsmacht had.
Het hof is van oordeel dat op grond van de aangetroffen DNA-sporen van de verdachte op de specifiek bemonsterde plekken zowel op als in de Jumbo tas, de observaties van de politie, de verklaring van de verdachte dat hij in de tenlastegelegde periode handelde in (hard)drugs en de contacten tussen de verdachte en [medeverdachte] die betrekking hadden op (de handel in) drugs kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de ongeveer 2.785,83 gram amfetamine in de diepvries van [medeverdachte] en dat hij daar beschikkingsmacht over had. In dat kader overweegt het hof dat op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte vaker nabij de woning van [medeverdachte] is geweest. [verbalisant] heeft immers op 13 maart 2024 – een dag voor het aantreffen van de amfetamine in de diepvries van [medeverdachte] – waargenomen dat de verdachte [medeverdachte] heeft opgehaald en vervolgens weer heeft afgezet bij zijn woning aan de [adres 2] te [plaats] en dat [medeverdachte] daarna een groot voorwerp, lijkend op een vacumeermachine of centrifugeermachine, vanuit de auto van de verdachte naar zijn woning bracht. Daarnaast kon uit de gegevens van de onder de verdachte inbeslaggenomen iPhone 15 middels ‘geotagging’ worden vastgesteld dat de verdachte met deze telefoon op 6 januari 2024 twee foto’s van brokken met vermoedelijk cocaïne had gemaakt, waarbij de coördinaten van deze foto’s hoorden bij het adres van de woning van [medeverdachte] . Het alternatieve scenario van de verdachte, inhoudende dat zijn DNA op de verpakkingen terecht zou zijn gekomen omdat deze verpakkingen hergebruikt werden en daarnaast dat zijn DNA daarop terecht zou zijn gekomen door het handelen in harddrugs op een ander moment, acht het hof gelet op de hiervoor overwogen omstandigheden niet aannemelijk geworden.
Evenals de rechtbank acht het hof niet bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen ongeveer 4,105 kilogram amfetamine aanwezig heeft gehad. Op de vier gesealde pakketten met daarin de amfetamine is immers geen DNA van de verdachte aangetroffen en ook overigens kan het hof op grond van het politiedossier de wetenschap bij de verdachte van deze 4,105 kilogram amfetamine niet vaststellen. Het hof bevestigt de partiële vrijspraak van de rechtbank op dit onderdeel.
Daarnaast is op 26 maart 2024 onderzoek ingesteld aan de Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [kenteken] . De Volkswagen Golf werd op 26 maart 2024 in beslag genomen voor de woning van de [adres 1] in [plaats] , het ouderlijk huis van de verdachte. Er werd op diverse plaatsen in de auto hennep en hasj aangetroffen. Daarnaast werd 60,2 gram cocaïne aangetroffen in twee boterhamzakjes in het voorvakje van een blauwe rugzak, 913,3 gram cocaïne aangetroffen achter de passagiersstoel in een bigshopper met daarin 23 boterhamzakjes met ponypacks, 341,9 gram cocaïne aangetroffen in drie plastic zakjes en 374,5 gram cocaïne aangetroffen in 25 plastic zakjes. Er is DNA van de verdachte aangetroffen op de gehele schouderbanden, inclusief de draaglus van de blauwe rugzak, op de gehele drie lipjes, inclusief de koortjes van de ritssluiting van de blauwe rugzak, op het hele gebied van de knoop van het zakje dat is aangetroffen in het voorvakje van de blauwe rugzak en op de gehele twee hengsels van de bigshopper. De verdachte heeft voorts verklaard dat de Volkswagen Golf van zijn vriendin was, dat hij deze gebruikte om te handelen in drugs en dat de aangetroffen hennep en hasj in de Volkswagen Golf van hem waren.
Het hof is van oordeel dat:
- op grond van de aangetroffen DNA-sporen van de verdachte op de specifiek bemonsterde plekken in de Volkswagen Golf waarin de cocaïne is aangetroffen;
- de verklaring van de verdachte inhoudende dat hij in de tenlastegelegde periode handelde in (hard)drugs;
- dat de in de Volkswagen Golf op meerdere plekken aangetroffen hennep en hasj van hem zijn;
- dat hij de Volkswagen Golf gebruikte om te handelen in drugs;
- dat deze auto is aangetroffen voor de woning van zijn ouderlijk huis,
hij wetenschap had van de aanwezigheid van ongeveer 1.689,9 gram cocaïne in de Volkswagen Golf en dat hij daar beschikkingsmacht over had. Het alternatieve scenario van de verdachte, inhoudende dat hij de auto uitleende aan andere dealers en hij op het moment van inbeslagname van de auto geen wetenschap had van de cocaïne en de hoeveelheden daarvan in de auto, acht het hof niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft immers niet willen verklaren aan wie hij de Volkswagen Golf uitleende, wanneer dat gebeurde en hoe de sleuteloverdracht plaatsvond. Daarnaast is door de politie gedurende het onderzoek enkel de verdachte als bestuurder van de Volkswagen Golf waargenomen.
Gelet op de aanwezige DNA-sporen van andere personen op de verpakkingen waarin de amfetamine op 14 maart 2024 en de cocaïne op 26 maart 2024 werden aangetroffen, de contacten tussen de verdachte en [medeverdachte] – waaronder ook op 19 januari 2024 – en het contact onder de naam ‘ [betrokkene] ’ met betrekking tot de handel in harddrugs, acht het hof evenals de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 2.785,83 gram amfetamine en 35,3 gram en 1689,9 gram cocaïne telkens tezamen en in vereniging opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Feit 4
Op 26 maart 2024 werd in de woning aan de [adres 1] in [plaats] , het ouderlijk huis van de verdachte, in de (oude) slaapkamer van de verdachte in totaal € 124.580,00 aan contant geld aangetroffen. Het geld werd gebundeld aangetroffen in een Louis Vuitton dustbag en in een schoenendoos. Op verschillende elastiekjes waarmee het geld in bundels bij elkaar werd gehouden is het DNA van de verdachte aangetroffen.
Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over dit contant geldbedrag. In dat kader overweegt het hof dat op de betreffende slaapkamer waar het geldbedrag is aangetroffen op het bureau een paspoort van de verdachte lag, alsmede vijf papieren documenten en één brief waarop de naam van de verdachte stond. Twee van deze brieven dateerden van september en oktober 2023 (dossierpagina 40). Ook lag er een Lebara-simkaarthouder op het bureau, waarvan het telefoonnummer dat op de simkaarthouder stond overeen kwam met één van de op 19 januari 2024 onder de verdachte inbeslaggenomen telefoons. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze omstandigheden voldoende dat de verdachte nog regelmatig aanwezig was in zijn slaapkamer in zijn ouderlijk huis. De alternatieve verklaring van de verdachte, inhoudende dat zijn DNA op de elastiekjes waarmee het geld in bundels bij elkaar werd gehouden is aangetroffen omdat hij deze elastiekjes wel eens eerder heeft aangeraakt, acht het hof dan ook niet aannemelijk geworden. Het hof is dan ook van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over het in zijn oude slaapkamer aangetroffen contant geldbedrag.
Het hof ziet zich voorts voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen ten aanzien van dit geldbedrag. Het hof stelt in dat kader voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het hof leidt uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting, waaronder de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, af dat de verdachte gedurende enkele maanden heeft gehandeld in cocaïne, amfetamine, hennep en hasj. Verder is uit onderzoek naar de legale inkomsten en het vermogen van de verdachte over de periode van januari 2019 tot en met december 2023 gebleken dat de verdachte flink onder de NIBUD-norm leeft (dossierpagina 135 en 136). Op grond daarvan acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit blijkt dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft geen enkele verklaring over de herkomst van het geldbedrag gegeven. Hij heeft daarvan ook direct afstand gedaan. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het geldbedrag ter hoogte van € 124.580,00 onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Gelet op het vorenoverwogene acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 26 maart 2024 te [plaats] een geldbedrag ter hoogte van € 124.580,00 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf.

BESLISSING

Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 16 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.