ECLI:NL:GHSHE:2026:187

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
24/317 tot en met 24/319
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, eerste lid, onder c, Btw-richtlijnArt. 31, tweede en derde lid, Wet OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing teruggaaf omzetbelasting over terbeschikkingstelling woonruimte aan werknemers

Belanghebbende, een in Litouwen gevestigd uitzendbureau, verzocht om teruggaaf van omzetbelasting die zij betaalde over de door haar aan werknemers verstrekte huisvesting in Nederland. De inspecteur wees deze verzoeken af, wat door belanghebbende werd aangevochten bij de rechtbank en vervolgens bij het gerechtshof.

Het geschil betrof de vraag of de inhoudingen op het loon van werknemers voor de huisvesting een vergoeding vormen voor een belaste prestatie. Belanghebbende stelde dat het verband tussen de vergoeding en het gebruik van de woonruimte onvoldoende rechtstreeks was, omdat de vergoeding afhankelijk was van het aantal gewerkte uren en niet van het daadwerkelijke gebruik.

Het hof oordeelde dat er wel degelijk een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de terbeschikkingstelling van woonruimte en de vergoeding, omdat de inhouding op het loon gebaseerd is op een duidelijke overeenkomst en eenvoudig te berekenen is. Het feit dat familie en vrienden zonder extra vergoeding kunnen verblijven, doet hieraan niet af.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hof wees tevens verzoeken tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/317 tot en met 24/319
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Litouwen),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 22 januari 2024, nummers BRE 22/2364, 22/2366 en 22/2367, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft drie verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting ingediend. De inspecteur heeft de verzoeken bij separate beschikkingen afgewezen.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn verstrekt aan de wederpartij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [persoon] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is een in Litouwen gevestigd uitzendbureau. Zij stelt personeel ter beschikking aan onder anderen in Nederland gevestigde opdrachtgevers.
2.2.
Het personeel dat in Nederland ter beschikking wordt gesteld betreft voornamelijk
productiemedewerkers. Het personeel is woonachtig in Litouwen en verblijft tijdelijk in Nederland tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden.
2.3.
Belanghebbende biedt huisvesting aan het uitgezonden personeel, onder inhouding
van een bedrag op het loon. De inhouding bedraagt € 3 (2018) respectievelijk € 2,50 (2019) per gewerkt uur tot een maximum van 173 uur per maand. Werknemers zijn niet verplicht om van de huisvesting gebruik te maken. Indien zij geen gebruik maken van de aangeboden huisvesting, dienen zij zelf huisvesting te zoeken en belanghebbende betaalt daarvoor geen vergoeding.
2.4.
Belanghebbende neemt de huisvesting af bij derden; de onderkomens zijn niet bij
belanghebbende in eigendom. Het betreft vakantiewoningen en eengezinswoningen waar meerdere werknemers kunnen worden gehuisvest.
2.5.
In hoger beroep heeft belanghebbende een kopie van diverse arbeidsovereenkomsten alsmede van door de desbetreffende werknemer ondertekende verklaringen overgelegd. In de verklaring over 2018 staat onder meer:

B- Housing costs
When [belanghebbende] provides you with housing, you agree with the [belanghebbende] housing rules provided. You also agree with the fact that [belanghebbende] will deduct the rent from you monthly salary.
These costs will be clear and transparent and at all times retrievable at the office.
Dutch law states the below percentages will be used to calculate your monthly costs for housing:
- Minimum wage A maximum of 25% of your salary can be used for the housing costs;
- Above minimum wage -4 A minimum of 25% can be used for the housing costs.”
In de verklaring over 2019 staat onder meer:

B- Housing costs
[belanghebbende] will be an intermediary between you and the housing company.
[belanghebbende] can provide housing for you under the following conditions:
You have read, understood, agreed and act as indicated in the [belanghebbende] Housing rules given to you.
The rent will be € 2.50 per hour worked with a maximum of € 433 (173 hours x € 2.50) per month.
The cost will be clear and transparent and at all times retrievable at the office.
You authorize [belanghebbende] to make payment on your behalf for the rent.
The amount paid will be offset with your salary payment a an advance payment.”
2.6.
Met de teruggaafverzoeken verzoekt belanghebbende om teruggaaf van de door
derden aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van onder meer de
huisvesting. De teruggaafverzoeken zijn gebaseerd op artikel 31, tweede en derde lid, van de
Wet OB.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of belanghebbende met het huisvesten van personeel een dienst verricht tegen vergoeding.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de beschikkingen en tot verlening van een teruggaaf van € 27.097. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

4.1.
Tussen partijen is in geschil of tussen de terbeschikkingstelling van woonruimte door belanghebbende aan de werknemer en de vergoeding die tussen belanghebbende en de werknemer is overeengekomen een voldoende rechtstreeks verband bestaat. Belanghebbende betwist dit, omdat de vergoeding niet afhangt van het gebruik van de woonruimte, maar van het aantal gewerkte uren. Tijdens ziekte en verlof mag de werknemer in de woonruimte blijven, maar betaalt hij geen vergoeding. Een werknemer die (tijdelijk) minder uren werkt, betaalt een lagere vergoeding terwijl hij toch onverminderd gebruik mag maken van de woonruimte. Ook familie en vrienden mogen in de woning verblijven zonder extra vergoeding, aldus belanghebbende. De inspecteur neemt het tegenovergestelde standpunt in.
4.2.
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) dat voor de kwalificatie als dienst die onder bezwarende titel wordt verricht in de zin van artikel 2, eerste lid, onder c, Btwrichtlijn enkel sprake hoeft te zijn van een rechtstreeks verband tussen de verrichte dienst en de daadwerkelijk door de belastingplichtige ontvangen tegenprestatie. Van een dergelijk rechtstreeks verband is sprake wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst (HvJ EU 21 december 2023, Administration de l’enregistrement, des domaines et de la TVA, EU:C:2023:1024, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
4.3.
Het rechtstreekse verband tussen de prestatie en de tegenprestatie wordt echter verbroken wanneer de vergoeding op volstrekt vrijwillige en willekeurige wijze wordt toegekend, zodat het in de praktijk onmogelijk is om het bedrag ervan vast te stellen, of wanneer het bedrag van de vergoeding moeilijk kwantificeerbaar of onzeker is gelet op de omstandigheden rond de vaststelling ervan (zie het onder 4.2 aangehaalde arrest, punt 36).
4.4.
Het hof stelt vast dat de vergoeding die belanghebbende voor de terbeschikkingstelling van de woonruimte vraagt, is gebaseerd op de overeenkomst die belanghebbende met de werknemer heeft gesloten. De inspecteur heeft in dit verband onweersproken gesteld dat als een werknemer in het geheel niet werkt, geen huisvesting wordt verstrekt. Er is dus sprake van een juridische band, een rechtsbetrekking, tussen de dienstbetrekking en de huisvesting. Een werknemer die gebruikmaakt van het aanbod van belanghebbende om huisvesting voor hem te regelen, gaat akkoord met de inhouding van de vergoeding op zijn loon. De hoogte van de vergoeding is bij de inhouding op het loon eenvoudig te berekenen, namelijk € 3 (dan wel € 2,50) per gewerkt uur, en is niet willekeurig. Het is de werknemer bij aanvang duidelijk dat de vergoeding afhangt van het aantal uren dat hij werkt, dus de werknemer kan de vergoeding eenvoudig berekenen en controleren. Dat familie en vrienden zonder extra vergoeding in de woonruimte kunnen verblijven, is niet relevant. Een vergoeding voor de terbeschikkingstelling van woonruimte pleegt niet af te hangen van het aantal personen dat in deze ruimte verblijft.
4.5.
Dat het uiteindelijk in te houden bedrag afhangt van het aantal gewerkte uren, is onvoldoende om het rechtstreekse verband tussen de terbeschikkingstelling en de vergoeding te verbreken. Het hof verwijst naar het recente arrest van het HvJ EU van 23 oktober 2025, T.P.T., ECLI:EU:C:2025:816, waarin het HvJ EU oordeelde dat zelfs in een situatie waarin de betaling van een vergoeding afhangt van veroordeling van de wederpartij in de kosten van een gerechtelijke procedure, de eventueel te betalen vergoeding wel degelijk de tegenprestatie vormt voor de juridische dienst. Hiervan uitgaande, is het verband in de situatie van belanghebbende voldoende rechtstreeks om de ingehouden bedragen aan te merken als vergoeding voor een belaste prestatie, zijnde de verstrekking van huisvesting.
Tussenconclusie
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.7.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.8.
Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door A. van Dongen, voorzitter, L.D.M.A. Reijs en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van T.S.K.L. Tjon, als griffier.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon A. van Dongen
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.