ECLI:NL:GHSHE:2026:1834

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
20-000513-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 416 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring intrekking hoger beroep wegens gebrek aan belang

De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld voor overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994, met een taakstraf, hechtenis en rijontzegging. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in. De behandeling van het hoger beroep begon op 23 september 2025, maar werd aangehouden vanwege een medische ingreep bij de verdachte.

Op 29 mei 2026 trok de verdachte het hoger beroep in. Het Openbaar Ministerie stemde hiermee in en er was geen vordering tot schadevergoeding door het slachtoffer. Het hof oordeelde dat de verdachte geen belang meer had bij behandeling van het hoger beroep en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 416, tweede lid, Sv.

De beslissing werd op 24 juni 2026 uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Hiermee kwam een einde aan de procedure in hoger beroep zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk na intrekking wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000513-25
Uitspraak : 24 juni 2026

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 11 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-242621-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht’ (zoals primair tenlastegelegd), veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Met de behandeling van de onderhavige strafzaak is op de terechtzitting van 23 september 2025 een aanvang genomen. Op deze zitting heeft echter geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, omdat de zaak toen op verzoek van de verdediging is aangehouden (omdat de verdachte verhinderd was wegens een operatieve ingreep in het ziekenhuis).
Het hoger beroep van de verdachte is vervolgens bij ‘akte intrekken hoger beroep’ d.d. 29 mei 2026 ingetrokken.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Zij heeft ter terechtzitting van 10 juni 2026 gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, wegens gebrek aan belang daarbij.
Ontvankelijk van het hoger beroep
Uit de ‘intrekking’ van het hoger beroep door de verdachte op 29 mei 2026 is het hof gebleken dat de verdachte geen belang meer hecht aan een behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep. Echter, het namens de verdachte ingestelde hoger beroep is ‘ingetrokken’ nadat de terechtzitting in hoger beroep op 23 september 2025 is aangevangen.
In aanmerking genomen dat:
 ter terechtzitting van 23 september 2025 geen sprake was van een behandeling van de strafzaak ten gronde;
 alleen de verdachte tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat de verdachte, blijkens de intrekking van het hoger beroep, geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep;
 het Openbaar Ministerie met deze intrekking heeft ingestemd;
 geen sprake is van een door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding,
zal het hof, nu het belang van de verdachte noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het hoger beroep, toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en zal het hof het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. G.J. Hanssen en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 24 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.