ECLI:NL:GHSHE:2026:1810

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
20-001711-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en matiging ontnemingsmaatregel wegens productie amfetamineolie

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant inzake de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de productie van amfetamineolie.

De betrokkene werd eerder veroordeeld voor medeplegen van het bereiden en vervaardigen van amfetamineolie op een perceel in [plaats]. Het hof stelde vast dat de betrokkene slechts één dag aanwezig was op de productielocatie en een beperkte rol had als productiemedewerker. Op basis hiervan werd het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €1.000, aanzienlijk lager dan het eerdere bedrag van ruim €19.000.

De rechtbank had een betalingsverplichting van €17.152 opgelegd, maar het hof mat deze vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaar en negen maanden met 10%, waardoor de betalingsverplichting werd vastgesteld op €900.

Het hof berekende de totale winst uit de productie van amfetamineolie op ruim €171.000, maar hield rekening met de concrete bijdrage van de betrokkene. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 9 dagen, gebaseerd op de betalingsverplichting.

Het arrest werd gewezen door mr. C.P.J. Scheele, mr. C.A. van Roosmalen en mr. G.M. Goes, waarbij mr. Van Roosmalen niet kon ondertekenen.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1.000 en mat de betalingsverplichting tot €900 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Parketnummer : 20-001711-22
Uitspraak : 9 juli 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 15 juli 2022 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-865110-18 OWV tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 19.058,00 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor een bedrag van € 17.152,00.
Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen nu de betrokkene geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Subsidiair heeft de verdediging verweren gevoerd betreffende de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, alsmede betreffende de omvang van de betalingsverplichting.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen, omdat het zich met het vonnis niet kan verenigen.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkorte arrest gehecht.
Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij het arrest van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 27 mei 2022 onder parketnummer 20-003842-19 veroordeeld ter zake van – kort en zakelijk weergegeven – het in de periode van 18 september 2018 tot en met 3 oktober 2018 op een perceel aan [adres 2] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen van een materiaal bevattende amfetamine (amfetamineolie) en het voorbereiden en/of bevorderen van het opzettelijk vervaardigen van amfetamine (respectievelijk het onder 1 en 2 bewezenverklaarde).
Op grond van de inhoud van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat in de periode van 18 september 2018 tot en met 3 oktober 2018 op het perceel aan [adres 2] een hoeveelheid amfetamineolie is geproduceerd en voorbereidingshandelingen zijn verricht ten behoeve van die productie, een en ander volgens de Leuckart-methode. In de schuur op het perceel heeft de politie kookopstellingen aangetroffen die zijn gebruikt voor de vervaardiging dan wel bewerking van de precursor BMK-olie door middel van het omzetten van de pre-precursoren APAA en MAPA met behulp van zoutzuur en/of zwavelzuur, waarna de BMK-olie is omgezet in ruwe amfetamineolie. In de woning op het perceel heeft de politie een (stoom) destillatieopstelling aangetroffen die is gebruikt voor het zuiveren van de ruwe amfetamineolie. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof voorts vast dat in de periode van 18 september 2018 tot en met 3 oktober 2018 op het perceel in [plaats] diverse grondstoffen zijn aangevoerd, goederen zijn afgevoerd en door verschillende betrokkenen in ploegendiensten is samengewerkt.
Door de politie zijn camera’s geplaatst op het perceel aan [adres 2] die van 17 september 2018 tot en met 30 september 2018 beelden hebben opgenomen. Op grond van die beelden stelt het hof vast dat de betrokkene in voornoemde periode één dag (23 september 2018) van omstreeks 10:43 uur tot het invallen van de duisternis op het perceel aanwezig is geweest. Ook [medeverdachte 1] was toen aanwezig op het perceel.
Op de beelden van 23 september 2018 is te zien dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] omstreeks 10:42 uur het perceel verlaten. Bij het verlaten van het perceel laat [medeverdachte 3] de toegangspoort open. Binnen een minuut loopt [medeverdachte 1] het perceel op met een witte tas in de hand. De betrokkene volgt hem en sluit de poort achter zich. Vervolgens is te zien dat de betrokkene en [medeverdachte 1] handschoenen aantrekken en dat [medeverdachte 1] met een maatkan en soeplepel in de hand richting de woning loopt. Ook is te zien dat [medeverdachte 1] buiten een emmer leegt, waarna een flinke rookontwikkeling te zien is. Even later dragen de betrokkene en [medeverdachte 1] drie keer een zware gevulde emmer met een blauw deksel van de schuur naar de woning. [medeverdachte 1] haalt ook een maatkan en soeplepel uit de schuur en loopt daarmee naar de woning. Gedurende de dag bewegen de betrokkene en [medeverdachte 1] zich voort tussen de schuur – alwaar BMK-olie en amfetamineolie werd vervaardigd – en de woning – alwaar ruwe amfetamineolie werd gezuiverd –, maar ze lijken voornamelijk in de woning bezig te zijn.
In het hiervoor vermelde arrest van 27 mei 2022 heeft het hof overwogen dat de productie van amfetamine(olie) op het perceel in [plaats] slechts heeft kunnen plaatsvinden door een nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokkenen die op het perceel aanwezig en werkzaam waren en dat iedere betrokkene in het productieproces een schakel vormde ter verwezenlijking van het eindproduct.
Het hof stelt vast dat de betrokkene bij voormeld arrest is vrijgesproken van het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van amfetamine. Desalniettemin acht het hof aannemelijk dat de betrokkene met zijn bijdrage aan en rol bij het productieproces van amfetamine(olie), zoals hiervoor is beschreven, geld heeft verdiend. Het is het hof immers ambtshalve bekend dat productiemedewerkers (koks en/of werkers) in drugslabs veelal een geldelijke vergoeding ontvangen voor hun bijdrage aan het productieproces.
Het hof is dan ook van oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van het bij voormeld arrest onder 1 bewezenverklaarde – te weten het in de periode van 18 september 2018 tot en met 3 oktober 2018 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen van amfetamine – voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen. Bij de vaststelling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel (zie hierna) heeft het hof rekening gehouden met de concrete bijdrage die de betrokkene aan het productieproces heeft geleverd, de rol die hij daarbij heeft gehad en de frequentie waarmee de betrokkene op de productielocatie aanwezig en werkzaam is geweest.
Dat in de onderhavige zaak geen financieel onderzoek is gedaan naar de inkomenspositie van de betrokkene en dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene grote geldbedragen op zak had, zoals de verdediging heeft aangevoerd, doet niet af aan voormeld oordeel van het hof. Artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt namelijk dat de rechter het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De verdediging heeft primair bepleit dat het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ dusdanig veel onjuistheden en afwijkingen bevat dat deze niet als grondslag kan dienen voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat de ontnemingsvordering om die reden dient te worden afgewezen en een nieuw rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden opgesteld op grond waarvan de verdediging een nieuw standpunt ten aanzien van de berekening kan innemen. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de betrokkene maximaal een dagvergoeding van € 1.000,00 heeft ontvangen.
Het hof stelt voorop dat, gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan dient te worden van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald of zou kunnen behalen. Indien er verschillende daders zijn en de omvang van het voordeel dat elk van die daders heeft verkregen niet aanstonds valt vast te stellen, zal de rechter op basis van alle hem/haar bekende omstandigheden van het geval moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan ieder van hen moet worden toegerekend. Daarbij geldt dat – ingeval er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een andere toerekening dan in gelijke delen – dit ertoe
kanleiden dat het totale voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend. Maar een andere verdeelsleutel kan evenzeer passend zijn. Welke verdeelsleutel moet worden gehanteerd, zal telkens afhangen van de omstandigheden van het geval.
Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, maar met de verdediging, is het hof van oordeel dat niet zonder meer aannemelijk is dat de betrokkene als zogenoemde productiemedewerker in het drugslab gelijkelijk heeft meegedeeld in de winst uit dat lab als de leidinggevenden en/of opdrachtgevers. Dat de betrokkene bij het hiervoor vermelde arrest van 27 mei 2022 is veroordeeld ter zake van het medeplegen van het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen van amfetamine(olie), maakt dit oordeel niet anders. Het enkele feit dat formeel juridisch een bewezenverklaring van ‘medepleger’ is gevolgd, betekent immers niet dat als vanzelfsprekend een zelfde voordeel als aan andere ‘medeplegers’ aan de betrokkene moet worden toegerekend. Uitgangspunt blijft het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. Uit het dossier blijkt niet dat de betrokkene een grotere rol heeft gehad bij het bewezenverklaarde produceren van amfetamine(olie) dan die van productiemedewerker.
Gelet op hetgeen de algemene ervaring leert, acht het hof aannemelijk dat de betrokkene voor zijn bijdrage aan het productieproces wel een geldelijke vergoeding heeft ontvangen. Omdat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor de hoogte van deze vergoeding, heeft het hof de vergoeding en dus het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel naar schatting vastgesteld.
Het hof acht aannemelijk dat de vergoeding die de productiemedewerkers voor hun bijdrage aan het productieproces hebben ontvangen, gerelateerd is aan de winst naar aanleiding van de verkoop van de in het lab in [plaats] geproduceerde amfetamineolie. Het hof zal daarom eerst die geschatte winst vaststellen. Vervolgens zal het hof naar schatting vaststellen wat de hoogte van de vergoeding voor de betrokkene (als productiemedewerker) is geweest.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de politie op het perceel in [plaats] verschillende geopende en lege verpakkingen met daarin resten van APAA en MAPA heeft aangetroffen. Ervan uitgaande dat deze verpakkingen geheel gevuld waren met deze stoffen, is op voornoemd perceel in totaal (ten minste) ongeveer 538 kilogram APAA en NAPA omgezet in BMK-olie (dat vervolgens is omgezet in ruwe amfetamineolie).
Op het perceel heeft de politie voorts 127 liter BMK-olie alsmede 6,20 liter amfetamineolie aangetroffen. Het hof acht aannemelijk dat de voor het overige op het perceel geproduceerde (zuivere) amfetamineolie aan derden is verkocht. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat, naast de hiervoor genoemde 6,20 liter amfetamineolie, geen amfetamineolie is aangetroffen op het perceel en voorts dat op de hiervoor genoemde camerabeelden te zien is dat in de periode van 17 september 2018 tot en met 30 september 2018 door verschillende betrokkenen jerrycans met blanke vloeistof zijn afgevoerd van het perceel.
Voor de vaststelling van de geschatte winst (opbrengsten minus kosten) van de in het lab in [plaats] geproduceerde amfetamine(olie), heeft het hof de uit het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ volgende uitgangspunten gehanteerd:
Ten aanzien van de opbrengsten:
  • Voor de productie van 1 liter BMK-olie is 1,6 kilogram APAA en/of MAPA nodig.
  • Uit 1 liter BMK-olie kan ongeveer 0,9 liter (zuivere) amfetamineolie worden vervaardigd.
  • De verkoopprijs van 1 liter zuivere amfetamineolie bedraagt € 1.200,00.
Ten aanzien van de kosten:
  • De kostprijs voor het vervaardigen van 1 liter BMK-olie uit APAA en/of MAPA bedraagt € 150,00.
  • Voor het omzetten van BMK-olie naar zuivere amfetamineolie zijn de chemicaliën mierenzuur, zoutzuur, formamide en caustic soda nodig. Deze chemicaliën kosten geld. Voor het produceren van 1 liter zuivere amfetamineolie is een bedrag van € 47,60 aan de hiervoor genoemde chemicaliën nodig.
  • Voor de kosten van de op het perceel in [plaats] gebruikte hardware/apparatuur is uitgegaan van een bedrag van € 15,50 per liter geproduceerde amfetamineolie.
Voorts is het hof met de rechtbank en de verdediging van oordeel dat kosten zijn gemaakt voor de aanschaf van propaan. Daarbij is het hof, zoals de rechtbank, uitgegaan van 20 kilogram propaan per dag en een prijs van € 50,00 per 10 kilogram propaan. Dit betekent dat naar schatting per dag € 100,00 aan kosten voor propaan zijn gemaakt. Gedurende de bewezenverklaarde periode van 16 dagen is aldus naar schatting in totaal € 1.600,00 aan propaan betaald.
Tot slot stelt het hof vast dat in de onderzoeksperiode een bedrag van € 3.575,00 is betaald voor de aflossing en rente met betrekking tot de productielocatie in [plaats] (een recreatiewoning).
Aan de hand van de hiervoor uiteengezette uitgangspunten en vaststellingen (al dan niet op basis van een schatting) heeft de rechtbank de geschatte winst (opbrengsten minus kosten) van de in het lab in [plaats] geproduceerde amfetamine(olie) als volgt vastgesteld. Het hof verenigt zich met deze vaststelling van de rechtbank en maakt die tot de zijne.
Gelet op de op het perceel in [plaats] aangetroffen lege verpakkingen is 538 kilogram APAA en MAPA verbruikt voor de vervaardiging van BMK-olie. Voor de productie van 1 liter BMK-olie is 1.6 kg MAPA en/of APAA nodig. Dit betekent dat op het perceel in [plaats] in totaal 336.25 liter BMK-olie is geproduceerd (538 / 1.6). Na aftrek van de aangetroffen 127 liter BMK-olie resteert een hoeveelheid van 209,25 liter BMK-olie. Uit 1 liter BMK-olie kan ongeveer 0,9 liter (zuivere) amfetamineolie worden vervaardigd. Dit betekent dat in totaal 188,32 liter amfetamineolie is vervaardigd (209,25 x 0,9). Na aftrek van de aangetroffen 6,20 liter amfetamineolie resteert een hoeveelheid van 182,12 liter amfetamineolie. Uitgaande van een verkoopprijs van € 1.200,00 per liter zuivere amfetamineolie bedroeg de geschatte verkoopopbrengst van de in het lab in [plaats] geproduceerde amfetamine(olie) in totaal € 218.544,00.
Bij een hoeveelheid van 182,12 liter amfetamineolie gelden de volgende geschatte kosten:
BMK-olie (€ 166,67 x 182,12)
€ 30.353,94
Chemicaliën (€ 47,60 x 182,12)
€ 8.668,92
Productielocatie (overig)
€ 3.575,00
Hardware (€ 15,50 x 182,12)
€ 2.822,86
Propaangas
€ 1.600,00
Totaal (afgerond)
€ 47.020,72
Op grond van het voorgaande, stelt het hof de geschatte winst uit de verkoop van de in het lab in [plaats] geproduceerde amfetamine(olie) vast op een totaalbedrag van € 171.523,28 (€ 218.544,00 - € 47.020,72).
Het hof heeft hiervoor onder “Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel” overwogen dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in het bijzonder de camerabeelden, kan worden vastgesteld dat de betrokkene in de periode van 17 september 2018 tot en met 30 september 2018 één dag op het perceel in [plaats] aanwezig is geweest. Op die dag heeft de betrokkene zich onder meer bewogen tussen de schuur – alwaar BMK-olie en amfetamineolie werd vervaardigd – en de woning – alwaar ruwe amfetamineolie werd gezuiverd – en meermaals samen met [medeverdachte 1] een gevulde emmer van de schuur naar de woning gedragen. Met zijn handelen heeft de betrokkene een bijdrage (van voldoende gewicht) geleverd aan het productieproces op het perceel in [plaats] . Het hof acht aannemelijk en reëel dat de betrokkene voor deze bijdrage een geldelijke dagvergoeding van € 1.000,00 heeft ontvangen.
Het hof stelt het geschatte door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook vast op een bedrag van € 1.000,00.
Op te leggen betalingsverplichting
De verdediging heeft aangevoerd dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden en bepleit dat de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting om die reden dient te worden gematigd.
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM) het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de jegens hem aanhangig gemaakte ontnemingsvordering wordt beslist. Deze redelijke termijn bedraagt in beginsel twee jaren per aanleg/instantie en vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 8 oktober 2019. Op die datum heeft de officier van justitie aangekondigd dat een ontnemingsvordering aanhangig zal worden gemaakt. De behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in eerste aanleg is geëindigd op 15 juli 2022 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim negen maanden overschreden.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 28 juli 2022, met het instellen van hoger beroep tegen het vonnis waarvan beroep. De behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in hoger beroep eindigt heden, 9 juli 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met bijna twee jaren overschreden.
Aldus is sprake van een totale overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee jaren en ruim negen maanden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is het hof niet gebleken.
Gelet op deze overschrijding zal het hof de op te leggen betalingsverplichting matigen met 10% tot een bedrag van € 900,00.
Gijzeling
Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van de gijzeling voor elke volle € 100,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.
Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 9 dagen.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
1.000,00 (duizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 900,00 (negenhonderd euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 9 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 9 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.A. van Roosmalen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.