ECLI:NL:GHSHE:2026:1687

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
20-002361-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf 36 maanden voor poging tot doodslag met afwijzing noodweerexcesverweer

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank Limburg bevestigd waarbij verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag. De rechtbank sprak verdachte partieel vrij van poging tot moord wegens onvoldoende bewijs voor voorbedachte raad. Het hof verwierp het beroep op (putatief) noodweerexces en oordeelde dat verdachte zich niet mocht verdedigen tegen een met kettingen bewapende aangever, omdat verdachte dit niet wist tijdens het steekincident.

De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer, camerabeelden, forensisch medisch onderzoek en het inbeslaggenomen mes. Het slachtoffer liep meerdere steekwonden op, waarvan sommige nabij vitale organen, maar het letsel was niet levensbedreigend. De verklaringen van het slachtoffer werden als betrouwbaar beoordeeld ondanks enkele tegenstrijdigheden met getuigenverklaringen.

De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd deels toegewezen: € 510 aan materiële schade en € 3.000 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Diverse schadeposten werden niet-ontvankelijk verklaard omdat onvoldoende verband met het bewezenverklaarde was vastgesteld of onvoldoende onderbouwd. Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op aan verdachte met gijzeling als dwangmiddel.

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen vanwege de ernst van het bewezenverklaarde feit en de opgelegde straf. Het vonnis werd verder bekrachtigd met aanvulling en verbetering van de motivering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002361-25
Uitspraak : 24 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 3 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-064965-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
thans verblijvende in [detentieadres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte partieel vrijgesproken van de ‘poging tot moord’ omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor voorbedachte raad, het overige primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘poging tot doodslag’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Verder heeft de rechtbank de vordering van de [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.959,58, bestaande uit € 4.959,58 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Tot slot heeft de rechtbank het inbeslaggenomen mes (G1784182) verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 8.019,58.
Namens de verdachte heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’. Ten aanzien van het overige tenlastegelegde heeft de raadsman primair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel.
De bewijsvoering en de overwegingen over de strafbaarheid van de verdachte behoeven verbetering en aanvulling. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsmiddelen van de rechtbank in zijn geheel vervangen door de hierna opgenomen bewijsmiddelen.
Aanvulling van de bewijsoverweging
De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangever en zijn vriend [getuige] onbetrouwbaar zijn en in zijn geheel buiten beschouwing dienen te worden gelaten. De verdediging heeft zich op dat standpunt gesteld aangezien [getuige] heeft verklaard dat aangever vlak voor het steekincident tegen hem heeft gezegd ‘dat is die gast’, terwijl aangever zelf heeft verklaard de verdachte niet meer gezien te hebben nadat ze allebei [café 1] uitkwamen. Die verklaringen zijn tegenstrijdig en uit de camerabeelden blijkt voorts dat er nog een ander moment van contact is geweest tussen aangever en verdachte voor het steekincident en na het uit [café 1] zetten. De aangever heeft verklaard dat het voor hem ‘gewoon klaar’ was na het moment van contact voor de deur van [café 1] , terwijl zij hun kettingen nog om hun handen hebben gewikkeld.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Aangever heeft verklaard zich door de shock en door de drank sommige dingen van die avond niet meer te kunnen herinneren (aangifte op 1 maart 2025 en ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 augustus 2025). Het hof komt dit niet onaannemelijk voor.
Aangever heeft in de kern consistent verklaard. Tijdens zijn aangifte hij verklaard dat hij op het moment dat hij langs [café 2] liep opeens werd gestoken. Hij heeft niemand zien aankomen. Ook in zijn aanvullende verklaring verklaart hij dat hij verdachte niet zag aankomen. Deze verklaringen worden ondersteund door de beschrijving van de camerabeelden en ook door de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat aangever van achteren is gestoken. Het hof acht de verklaringen van aangever dan ook betrouwbaar en bezigt ze tot bewijs. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd doet aan het voorgaande niet aan af.
De verklaring van de vriend van aangever, [getuige] , is niet gebezigd voor het bewijs, zodat het hof zich niet genoodzaakt ziet daarop te responderen.
Het verweer van de raadsman wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen.
Bewijsmiddelen [1]
Op zaterdag 1 maart 2025, omstreeks 02.30 uur, stonden [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op het Pancratiusplein in Heerlen toen er een persoon (
het hof begrijpt: [benadeelde partij] )op hen af kwam lopen, die zei: "Ik ben gestoken'. Verbalisanten zagen vervolgens op zijn rechterzij een snijwond van ongeveer 3 centimeter breed en er stroomde bloed uit. Het slachtoffer was emotioneel en in paniek. Ook zagen zij een flinke rode plek ter hoogte van de rechterbovenarm. Nadat het slachtoffer zijn trui uit deed, zagen verbalisanten dat hij een steekwond had op zijn rechterbovenarm en in zijn buik. [2]
[verbalisant 3] heeft de camerabeelden van de steekpartij op 1 maart 2025 ter hoogte van [café 2] " bekeken en het volgende gerelateerd: [3]
Op de beelden van [café 2] was te zien dat de verdachte, omstreeks 02:36 uur zich op het terras, in de buurt van de tap. bevond. Hij hield zich tussen de menigte op en leek zich, vanaf een afstand, op iemand of iets te focussen. Hij haalde ondertussen een glinsterend voorwerp, gelijkend op een mes, uit zijn tas. Op een gegeven moment verscheen het slachtoffer links in beeld en was te zien hoe de verdachte zich vanuit de menigte richting het slachtoffer bewoog en hij op het moment dat het slachtoffer langs twee vrouwen liep, schuin achter hem ging staan en toen met zijn rechterarm richting de rechterzijde van het slachtoffer toestak. Dit gebeurde met een flinke uithaal met zijn rechterarm richting het slachtoffer.
Op 1 maart 2025 heeft [benadeelde partij] aangifte gedaan van poging tot moord/doodslag. Hij verklaarde het volgende: [4]
"Ik stond in [café 1]
(het hof begrijpt telkens: [café 1] )om bij de ingang munten te kopen. De man die mij later gestoken heeft was al in [café 1] en kwam naar buiten. In het begin had ik een vriendelijk gesprek met hem. Op enig moment begon de ruzie. Volgens mij begon hij te slaan en heb ik volgens mij maar 1 keer teruggeslagen. Die man bleef maar slaan, maar ik kon die slagen met mijn dekking nog goed afweren. Daarop werden wij door de beveiligers uit [café 1] gezet. Voor de deur van [café 1] , in ieder geval buiten [café 1] , sloeg die man mij nog een paar keer. Ik ben vervolgens richting [café 3] gelopen en liep daarna langs [café 2] . Opeens werd ik gestoken. Ik heb ook niemand zien aankomen, dus ik denk dat die man van achteren naar mij toe is gekomen. Ik voelde het opeens warm worden aan mijn arm en buik. Toen wist ik dat ik gestoken was en zag veel bloed door mijn kleding komen. Ik ben toen meteen naar politieagenten gerend. In het ziekenhuis werden 4 steekwonden geconstateerd, waarvan 2 keer in de rechteroksel, 1 keer rechterbovenarm en l keer in mijn buik. De arts vertelde dat de buikwond oppervlakkig was en de wonden in de oksel dicht bij een slagader. In mijn bovenarm is mogelijk een spier geraakt met het mes."
Aangever [benadeelde partij] heeft op 4 maart 2025 aanvullend verklaard: [5]
”Ik heb de verdachte niet eens zien aankomen. Hij was er opeens en toen voelde ik de steken. Er zijn veel spieren geraakt en het herstel zou lang gaan duren. De arts zei dat ik geluk heb gehad bij mijn buik omdat hij hier veelal in het vet heeft gestoken, anders had hij mijn darmen geraakt. Het letsel onder mijn oksel is net langs een slagader gegaan.”
Bij de eerste hulp in het [ziekenhuis 1] werden bij [benadeelde partij] de volgende letsels vastgesteld: [6]
Op de spoedeisende hulp werden meerdere steekwonden geobjectiveerd. Een rechtsonder in de buik. Twee in de oksel aan de rechterkant en een aan de buitenzijde van de rechter schouder. Laatstgenoemde verliep tot op het onderliggende bot terwijl de overige oppervlakkig waren. De wonden werden gereinigd en gesloten met hechtingen.
Op 4 maart 2025 heeft er bij [benadeelde partij] een Forensisch Medisch Onderzoek plaatsgevonden. Hieruit kwam het volgende naar voren: [7]
Het slachtoffer is van achteren gestoken. Hierbij heeft het slachtoffer onder andere steekverwondingen opgelopen in de buik en in de oksel.
Er zijn radiologisch geen huiddefecten zichtbaar echter gezien de contour van de onderhuidse zwellingen en letsels aan het spierweefsel is er verdenking op een huiddefect aan de buitenzijde van de bovenarm, doorlopend doorheen het onderhuidse vetweefsel, het spierweefsel, het onderhuidse vetweefsel tot aan/in/doorheen de huid aan de binnenzijde van de rechterbovenarm. Dit traject heeft een lengte van circa 11,3 cm. Voorts is er ook verdenking op een huiddefect hoog in de rechterflank/oksel doorlopend tot in het onderhuidse vetweefsel van de rechterflank. Dit traject heeft een lengte van circa 5,9 cm.
Het radiologisch zichtbare traject door de bovenarm bevindt zich niet in de directe omgeving van een slagader of zenuwbanen. Indien de bloedvaten die in de bovenarm lopen geraakt worden, ontstaat letsel aan de bloedvaten en treedt er bloedverlies op. Bloedverlies als gevolg van letsel aan een slagader kan zonder snel medisch handelen, leiden tot shock en mogelijk de dood. Indien de zenuwbanen die in de bovenarm lopen geraakt worden, ontstaat letsel aan de zenuwen wat kan leiden tot functieverlies van de arm.
Het traject in de rechterflank beperkt zich tot de onderhuids weke delen, de borstholte wordt niet bereikt. Door de beperkte diepte van het traject is er geen letsel aan de vitale organen ontstaan en is het levensbedreigend risico minimaal. Indien dit traject dieper zou hebben gelopen kan er beschadiging ontstaan aan de ribben, met de daar lopende slagaders, en nog iets dieper de longvliezen dan wel longweefsel. Deze kunnen leiden tot een klaplong en/of een bloeding die bij uitblijven van medisch handelen leiden tot functieverlies van de ademhaling en/of shock en mogelijk de dood.
Onder de verdachte is een mes inbeslaggenomen onder goednummer 1784182. [8]
Uit het proces-verbaal vooronderzoek lab blijkt dat [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zagen dat het lemmet van het mes (goednummer 1784182) een lengte van ongeveer 13,5 centimeter had. [9]
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard: [10]
“Bij het terras van [café 2] in Heerlen heb ik op 1 maart 2025 aangever met een mes gestoken. Ik heb toen de keuze gemaakt: de aanval is de beste verdediging.”
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard: [11]
“Op het moment van steken loopt hij niet mijn richting uit.”
Aanvulling van de strafbaarheid van de verdachte
In hoger beroep is namens de verdachte nog aangevoerd dat op de camerabeelden te zien is dat de aangever en zijn vriend ( [getuige] ) zich bewapend hadden met hun kettingen. Zowel de aangever als zijn vriend hadden hun ketting immers afgedaan en deze ketting om hun hand gewikkeld. De verdediging heeft daarbij aangevoerd dat dit in eerste aanleg niet eerder is vastgesteld. Aangever had zich dus niet alleen met een stuk glas bewapend maar ook met een ketting en droeg deze onder de luifel. Verdachte mocht zich hiertegen op dat moment verdedigen.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Ook het hof heeft bij het bekijken van de camerabeelden tijdens de terechtzitting in hoger beroep, waargenomen dat aangever en zijn vriend [getuige] na het verlaten van club [café 1] hun kettingen hebben afgedaan en om hun hand hebben gewikkeld.
Noch daargelaten of de waargenomen handelingen ook anders kunnen worden geduid dan het zich bewapenen, verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij pas bij het bekijken van de camerabeelden zag dat de aangever en zijn vriend hun kettingen hebben afgedaan en om hun hand gewikkeld. Alleen al hierom faalt het door de raadsman gevoerde verweer dat verdachte zich mocht verdedigen tegen een met een ketting bewapende aangever.
Hetgeen door de rechtbank is overwogen over het noodweer, noodweerexces en putatief noodweer wordt door deze waargenomen handelingen dan ook niet anders. Immers verdachte wist tijdens het steken met het mes niet dat aangever (en zijn vriend) een ketting om zijn hand gewikkeld. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank dan ook over en verwerpt het verweer van de raadsman in al zijn onderdelen.
Vordering van de [benadeelde partij]
De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 12.717,58. De vordering valt uiteen in de volgende onderdelen:
i. materiële schade: € 6.217,58:
a. ambulancekosten à € 949,10;
b. zorgkosten à € 3.885,48;
c. bril à € 298,00
d. glazen bril à € 650,00;
e. carnavalskleding à € 50,00;
f. bodywarmer à € 325,00;
g. broek à 60,00;
immateriële schade: € 6.500,00
Het hof merkt op dat in het voegingsformulier als totale materiële schadevergoeding is gevorderd een bedrag van € 6.218,00. Het totaal van de gevorderde schadeposten bedraagt echter een bedrag van € 6.217,58. Het hof gaat dan ook uit van dit bedrag.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering toegewezen tot een bedrag van € 7.959,58, bestaande uit € 4.959,58 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging.
Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de materiële schade de navolgende standpunten ingenomen. De posten ambulancekosten en zorgkosten zijn niet voor toewijzing vatbaar en dienen door de benadeelde partij zelf gedragen te worden, aangezien de benadeelde partij niet verzekerd is. Het hebben van een zorgverzekering is een wettelijke verplichting. De posten bril en glazen bril dienen niet-ontvankelijk verklaard te worden aangezien er geen rechtstreeks verband bestaat tussen deze posten en het tenlastegelegde. Ten aanzien van de carnavalskleding is geen bankafschrift of een bon overlegd. Deze post is naar het oordeel van de raadsman onvoldoende onderbouwd, zodat verzocht wordt om deze niet-ontvankelijk te verklaren dan wel te matigen. Ten aanzien van de bodywarmer en de broek heeft de raadsman zich eveneens op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende onderbouwd zijn en aldus niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden. Niet is gebleken dat hier schade aan is ontstaan en er is geen aankoopbewijs overlegd.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze fors gematigd dient te worden. Allereerst gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij. Verder merkt de raadsman op dat de hoogte van de gestelde immateriële schade grotendeels wordt ingekleurd door de stelling dat de benadeelde partij PTSS heeft opgelopen naar aanleiding van dit incident. De verdediging is van oordeel dat dit onvoldoende onderbouwd is. De raadsman heeft – indien het hof van oordeel is dat er voldoende bewijs is geleverd van PTSS bij de benadeelde partij – een verzoek gedaan tot het horen van de psycholoog van [instelling] als getuige.
Oordeel van het hof
Ten aanzien van de opgegeven kostenposten ambulancekosten (a) en zorgkosten (b) acht het hof zich onvoldoende geïnformeerd. Het hof acht nadere informatie over de reden dat het slachtoffer destijds geen zorgverzekering had noodzakelijk, maar deze informatie is niet aangeleverd. De zaak aanhouden – om deze nadere informatie in te winnen – zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding vormen. Desalniettemin overweegt het hof dat ten aanzien van deze kostenposten een bedrag van € 385,00 als rechtstreekse schade dient te worden toegewezen. Dit bedrag is gelijk aan het indertijd geldende minimale eigen risico van een zorgverzekering. Voor het overige gedeelte zal het hof de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij in zoverre zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Met betrekking tot de kostenposten bril (c), glazen bril (d) en broek (g) is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat deze in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof zal de benadeelde partij daarom voor dit gedeelte niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.
Ten aanzien van de kostenposten carnavalskleding (e) en bodywarmer (f) is het hof voldoende gebleken dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreekse schade is ontstaan bij de benadeelde partij. Het hof acht voor voornoemde posten respectievelijk een bedrag van € 25,00 en € 100,00 redelijk en toewijsbaar.
Ten aanzien van de gestelde immateriële schade stelt het hof vast dat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Uit het dossier, de door de benadeelde partij overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof immers gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel, in de vorm van meerdere steekwonden heeft opgelopen. Het hof stelt de door de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde geleden immateriële schade, gelet op de omstandigheden van het geval en met het oog op de schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, naar billijkheid vast op een bedrag va
€ 3.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de immateriële schade te worden afgewezen.
Met betrekking tot het door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van de psycholoog van [instelling] als getuige overweegt het hof dat het niet aan het verzoek toekomt, aangezien het hof bij de vaststelling van de immateriële schade niet heeft meegewogen dat er bij de benadeelde partij mogelijk sprake is van PTSS. De voorwaarde welke aan het verzoek is verbonden, is aldus niet vervuld.
Wettelijke rente
Zoals gevorderd zal ook worden toegewezen het toewijsbare bedrag te vermeerderen de wettelijke rente vanaf 1 maart 2025, zijnde de datum van het ontstaan van de laatste schade, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 3.510,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis
De raadsman heeft verzocht tot opheffing van het bevel voorlopige hechtenis
Het hof ziet geen aanleiding het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen nu de ernstige bezwaren en gronden – zoals reeds bepaald bij het bevel voorlopige hechtenis – nog steeds aanwezig zijn, alsmede gelet op het veroordelend arrest van heden en de door het hof opgelegde straf. Het is voor de samenleving onacceptabel indien de verdachte tegen wie ter zake het bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden is opgelegd niet onverwijld in voorlopige hechtenis zou worden gehouden. Het verzoek van de raadsman wordt zodoende afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht:

vordering van de [benadeelde partij] :

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.510,00 (drieduizend vijfhonderdtien euro) bestaande uit € 510,00 (vijfhonderdtien euro) aan materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schadeaf;
verklaart de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 4.449,58 (vierduizend vierhonderdnegenenveertig euro en achtenvijftig eurocent) aan materiële schadeniet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.510,00 (drieduizend vijfhonderdtien euro) bestaande uit € 510,00 (vijfhonderdtien euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen;
toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 1 maart 2025;
wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans en mr. D.S. Yap, griffiers,
en op 24 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Hierna wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Limburg, District Parkstad-Limburg (onderzoek Badhoak), zaakregistratienummer PL2300-2025033381, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 6] , brigadier, gesloten d.d. 19 april 2025, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde digitale dossierpagina’s 1-263.
2.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2025, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , p. 22-24.
3.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2025, opgemaakt door [verbalisant 3] , p. 87-92.
4.Proces-verbaal aangifte van [benadeelde partij] van 1 maart 2025, pagina 35-37.
5.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [benadeelde partij] d.d. 4 maart, pagina 38-42.
6.Het geschrift, inhoudende de medische gegevens, van [arts 1] , assistent-chirurg, van [ziekenhuis 1] , d.d. 27 maart 2025, p. 53-54.
7.Het geschrift, inhoudende een rapportage Forensisch radiologisch onderzoek van [ziekenhuis 2] van [arts 2] , d.d. 14 juli 2025.
8.Kennisgeving van inbeslagneming, p. 254.
9.Proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 11 maart 2025, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , p. 224-227.
10.Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 augustus 2025.
11.Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 juni 2026.