ECLI:NL:GHSHE:2026:1685

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
20-000708-25 (OWV)
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 onder B OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen maatregel ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens hennepkwekerij

De betrokkene werd door de politierechter veroordeeld voor medeplichtigheid aan een overtreding van de Opiumwet en kreeg een maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd van €7.304,00. In hoger beroep betwistte de betrokkene dit bedrag en stelde dat er geen financieel voordeel was genoten of dat het bedrag verminderd moest worden.

Het hof nam de verklaring van de betrokkene over dat zij en een medeveroordeelde €4.000,00 hadden geleend in ruil voor het plaatsen en exploiteren van een hennepkwekerij in hun woning. Hoewel dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel kon worden beschouwd, bracht het hof in aanmerking dat er een vaststellingsovereenkomst was gesloten met het energiebedrijf waarin een betalingsregeling van €4.915,69 was getroffen voor de kosten van weggenomen energie en bijkomende kosten.

Hierdoor concludeerde het hof dat de betrokkene per saldo geen financieel voordeel had genoten uit de hennepkwekerij. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en wees de ontnemingsvordering af. De betalingsverplichting en de gijzelingstermijn werden daarmee komen te vervallen.

Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen omdat geen financieel voordeel is genoten door de betrokkene.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000708-25 (OWV)
Uitspraak : 25 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen de uitspraak van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 februari 2025 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-331225-24 (OWV) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij uitspraak waarvan beroep heeft de politierechter het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 7.304,00 en aan de betrokkene (hoofdelijk) een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag. Voorts heeft de politierechter de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd vastgesteld op 146 dagen.
Namens de betrokkene is tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof de uitspraak van de politierechter zal bevestigen. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof, indien het niet zal overgaan tot hoofdelijke oplegging van de betalingsverplichting, een pondspondsgewijze verdeling zal hanteren.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van € 0,00. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat het door de rechtbank geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden verminderd met een bedrag van € 3.900,00, zodat een bedrag van (€ 7.304,00 - € 3.900,00 =) € 3.404,00 resteert. Meer subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om de betalingsverplichting vast te stellen op € 3.404,00.
Uitspraak waarvan beroep
Het hof zal de beroepen uitspraak vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het zich daarmee niet kan verenigen.
Afwijzing van de ontnemingsvordering
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 februari 2025 onder parketnummer 03-331225-24 veroordeeld ter zake van medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod. Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken dat de betrokkene uit dit bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft verkregen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De betrokkene heeft – kort gezegd – verklaard dat zij en de medeveroordeelde een bedrag van € 4.000,00 hebben geleend van een persoon genaamd ‘ [betrokkene] ’. In ruil daarvoor is er een hennepkwekerij in hun woning geplaatst en geëxploiteerd. Het hof zal deze verklaring van de betrokkene als uitgangspunt nemen, nu het hof, mede gelet op de door de verdediging op 10 juni 2026 aan het hof toegezonden stukken, geen reden heeft om daaraan voorbij te gaan.
Het hof is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel kan worden vastgesteld op een bedrag van € 4.000,00. Vast staat immers dat de betrokkene in het kader van een met [betrokkene] gesloten afspraak een geldbedrag van € 4.000,00 heeft ontvangen, in ruil waarvoor een hennepkwekerij in de woning van de betrokkene is geplaatst en geëxploiteerd. Dat de betrokkene en medeveroordeelde het verschuldigde bedrag later aan [betrokkene] zouden hebben terugbetaald en elders een nieuwe schuld zouden zijn aangegaan, doet aan het voorgaande niets af.
Het hof heeft echter eveneens acht geslagen op de in het dossier aanwezige vaststellingsovereenkomst d.d. 10 januari 2023, waaruit volgt dat de medeveroordeelde een betalingsregeling heeft getroffen met [bedrijf] voor een bedrag van € 4.915,69 ter zake van weggenomen energie, arbeidskosten, materiaal en administratiekosten. Met de politierechter is het hof van oordeel dat voornoemd bedrag op het wederrechtelijk verkregen voordeel (ad € 4.000,00) in mindering dient te worden gebracht. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de betrokkene per saldo geen financieel voordeel heeft genoten uit de hennepkwekerij.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de ontnemingsvordering afwijzen.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;
wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door:
mr. G.M. Goes, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 25 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Burgmeijer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.