ECLI:NL:GHSHE:2026:1635

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
20-002922-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 12a AmbtsinstructieArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in strafzaak met vrijspraak mishandeling en veroordeling belediging, bedreiging en rijden onder invloed

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Maastricht. Het hof vernietigde het vonnis omdat het proces-verbaal niet rechtsgeldig was vastgesteld en ondertekend. De vordering tot schadevergoeding werd ingetrokken door de benadeelde partij.

De verdachte werd vrijgesproken van mishandeling wegens onvoldoende overtuigend bewijs, ondanks dat het dossier wettig bewijs bevatte. Wel werd hij veroordeeld voor eenvoudige belediging van ambtenaren tijdens hun rechtmatige taak, bedreiging met een misdrijf tegen het leven en zware mishandeling, en rijden onder invloed met een alcoholgehalte van 770 microgram per liter uitgeademde lucht.

Het hof oordeelde dat het gebruik van pepperspray door een agent geoorloofd was en verwierp het vormverzuimverweer. Gelet op de ernst van de feiten, het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, legde het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden op met een proeftijd van 2 jaar, een geldboete van €1000,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 7 maanden, eveneens voorwaardelijk.

De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen werden afgewezen omdat dit niet opportuun werd geacht. Het arrest werd op 16 juni 2026 uitgesproken door het hof in aanwezigheid van de raadsheren en griffier.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van mishandeling, veroordeeld voor belediging, bedreiging en rijden onder invloed met geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzegging rijbevoegdheid.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002922-23
Uitspraak : 16 juni 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Wetboek Pro van Strafvordering)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 oktober 2023, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-114849-19 en 96-058465-20, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, onder de parketnummers 03-163158-18 en 03-700243-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
BRP-adres: [adres 1] ,
laatst opgegeven woon- of verblijfplaats: [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
  • in de zaak met parketnummer 03-114849-19: ‘
  • in de zaak met parketnummer 03-114849-19: ‘
  • in de zaak met parketnummer 96-058465-20: ‘
  • in de zaak met parketnummer 96-058465-20: ‘
  • in de zaak met parketnummer 96-058465-20: ‘
  • in de zaak met parketnummer 96-058465-20: ‘
  • in de zaak met parketnummer 96-058465-20: ‘
de verdachte hiervoor strafbaar verklaard en wegens het in de zaak met parketnummer 03-114849-19 onder de feiten 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder de feiten 1, 2 en 3 bewezenverklaarde aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden met aftrek en voor de duur van 12 maanden wegens het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 4 bewezenverklaarde. De politierechter heeft met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 5 bewezenverklaarde toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
De politierechter heeft in de zaak met parketnummer 03-114849-19 (feit 1) de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] integraal toegewezen tot een bedrag van € 333,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De verdachte is veroordeeld in de kosten van het geding, welke kosten aan de zijde van de benadeelde partij zijn begroot op nihil.
Ten slotte heeft de politierechter de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder onder de parketnummers 03-163158-18 en 03-700243-16 voorwaardelijk opgelegde straffen afgewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-114849-19 onder feit 1 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 333,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De politierechter heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen.
Het hof stelt vast dat namens de benadeelde partij een wensenformulier is ontvangen (d.d. 11 januari 2024), waarop is aangekruist dat de benadeelde partij de vordering in hoger beroep wenst aan te passen, met dien verstande dat de hoogte van het verzoek tot schadevergoeding met het volledige bedrag wordt verlaagd. Ter toelichting is op het wensenformulier aangetekend dat het bedrag reeds is uitgekeerd door de werkgever van de benadeelde partij.
Gelet op deze nihilstelling van de vordering door de benadeelde partij, beschouwt het hof, met de advocaat-generaal en de verdediging, de vordering tot schadevergoeding als ingetrokken. Derhalve is de vordering in hoger beroep niet meer aan de orde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft – naar het hof begrijpt – gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 4 en feit 5 tenlastegelegde en de overige tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en aan de verdachte zal opleggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en dat de verdachte daarnaast de bevoegdheid wordt ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straffen dienen te worden afgewezen, aldus de advocaat-generaal.
De raadsman van de verdachte heeft in de zaak met parketnummer 03-114849-19 vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. Met betrekking tot de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder de feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het in die zaak onder feit 4 tenlastegelegde heeft de raadsman primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en subsidiair vrijspraak bepleit. Aangaande het onder feit 5 tenlastegelegde, heeft de raadsman eveneens de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit. Voorts heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen, heeft de raadsman betoogd dat het hof de vorderingen zal afwijzen, dan wel het Openbaar Ministerie daarin niet-ontvankelijk zal verklaren.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de beslissing van de politierechter van het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 5 tenlastegelegde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 404, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen overtredingen, waarbij met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel is opgelegd. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Het vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, waarin het aantekening mondeling vonnis is opgenomen, niet door de politierechter is vastgesteld en ondertekend overeenkomstig artikel 327 van Pro het Wetboek van Strafvordering, zodat het rechtskracht mist.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
In de zaak met parketnummer 03-114849-19:
1.
hij op of omstreeks 4 maart 2019 te Maastricht opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden heeft beledigd door naar, althans in de richting (van het gezicht) van, die [benadeelde 1] te spugen en/of haar mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: “jij rode kankerhoer waar ben je”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 4 maart 2019 te Maastricht [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (meermalen) te slaan;
In de zaak met parketnummer 96-058465-20:
1.
hij op of omstreeks 25 februari 2020 te Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 770 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
2.
hij op of omstreeks 25 februari 2020 te Maastricht [benadeelde 4] , brigadier van politie, en/of [benadeelde 2] , brigadier van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 4] en/of [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik verbouw jullie allemaal” en/of “de volgende keer dat ik jullie zie dan breek ik jullie nek”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op of omstreeks 25 februari 2020 te Maastricht opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 3] , brigadier van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “Wil je mijn piemel vasthouden, ik heb een grote Marokkanen piemel, jij hebt maar een kleine piemel, vies klein flikkertje, je kunt bij mij langskomen”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
4.
hij op of omstreeks 25 februari 2020 te Maastricht, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, John. F. Kennedybrug, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 111 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat het recht tot strafvervolging wat betreft het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 4 tenlastegelegde wegens verjaring is komen te vervallen. Derhalve zal het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de strafvervolging van dat feit.
Vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-114849-19 onder feit 2 tenlastegelegde
Hoewel het dossier voldoende wettig bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen van de in de zaak met parketnummer 03-114849-19 onder feit 2 tenlastegelegde mishandeling, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
Hetgeen de raadsman ter zake van dit feit overigens ten verwere heeft aangevoerd, behoeft bijgevolg geen verdere bespreking.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-114849-19 onder feit 1 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder de feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
In de zaak met parketnummer 03-114849-19:
1.
hij op 4 maart 2019 te Maastricht opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden heeft beledigd door naar, althans in de richting (van het gezicht) van die [benadeelde 1] te spugen en haar mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: “jij rode kankerhoer waar ben je”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
In de zaak met parketnummer 96-058465-20:
1.
hij op 25 februari 2020 te Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 770 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
2.
hij op 25 februari 2020 te Maastricht [benadeelde 4] , brigadier van politie, en [benadeelde 2] , brigadier van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [benadeelde 4] en [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik verbouw jullie allemaal” en “de volgende keer dat ik jullie zie dan breek ik jullie nek”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op 25 februari 2020 te Maastricht opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 3] , brigadier van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “Wil je mijn piemel vasthouden, ik heb een grote Marokkanen piemel, jij hebt maar een kleine piemel, vies klein flikkertje, je kunt bij mij langskomen”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde belediging van verbalisant [benadeelde 1] . Daartoe is – samengevat en op de gronden zoals nader in pleitnota verwoord – aangevoerd dat de aangifte van verbalisant [benadeelde 1] geen steun vindt in het dossier. Daarnaast heeft verbalisant [benadeelde 1] in strijd met artikel 12a van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) gebruik gemaakt van pepperspray. Dit leidt er toe dat sprake is van een ernstig en onherstelbaar vormverzuim, zodat het door verbalisant [benadeelde 1] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen moet worden uitgesloten van het bewijs en mitsdien het overige bewijs tekortschiet, aldus zo begrijpt het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen reden om te twijfelen aan de juistheid of de betrouwbaarheid van het door verbalisant [benadeelde 1] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen of haar aangifte. Zij heeft – kort gezegd – gerelateerd dat de verdachte haar heeft beledigd door haar in het gezicht te spugen en door haar uit te schelden. Op de voet van artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is er aldus voldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen. En hoewel de wet zulks niet vereist, is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat het relaas van verbalisant [benadeelde 1] ondersteuning vindt in andere bewijsmiddelen. Zo bevat het dossier foto’s waarop op de schouder van het uniform van de verbalisant een klodder spuug kan worden waargenomen en daarnaast vindt de door verbalisant [benadeelde 1] geschetste toedracht van het incident steun in de beschrijving van de camerabeelden. De lezing van de verdachte, inhoudende dat zijn spuug per ongeluk op de verbalisant is terechtgekomen, omdat hij pepperspray uit zijn mond probeerde te krijgen, acht het hof ongeloofwaardig, te meer nu dit strijdig is met de waarneming van de agente, die verklaard heeft dat zij hoorde en zag dat de verdachte naar haar spuugde. Hieruit leidt het hof verdachtes opzet af en aldus gaat het hof aan de verklaring van de verdachte voorbij.
Met betrekking tot het vormverzuimverweer overweegt het hof als volgt.
Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte na zijn aanhouding in een politiebus naar het politiebureau is vervoerd. De verdachte bevond zich samen met zijn broer, naar het hof begrijpt, in een ophoudcompartiment in het politievoertuig. Naast de verdachte en zijn broer, werd er tevens een andere verdachte in het busje vervoerd. Aangekomen in het politiebureau, heeft verbalisant [benadeelde 1] de verdachte opgedragen het ophoudcompartiment te verlaten, zodat hij in een cel op het politiebureau kon worden ingesloten. De verdachte weigerde evenwel het voertuig te verlaten. Toen [benadeelde 1] de politiebus instapte om de verdachte daaruit te verwijderen, maakte de verdachte met kracht een schoppende beweging naar de agente. [benadeelde 1] heeft de verdachte toen nog een keer gezegd de politiebus uit te komen, hetgeen de verdachte nogmaals weigerde. Daarop heeft zij de verdachte gewaarschuwd, dat als hij de politiebus niet zou verlaten, zij pepperspray zou gebruiken. De verdachte zei ‘doe maar’ en bleef weigeren om het politievoertuig te verlaten. Daarop heeft [benadeelde 1] pepperspray gebruikt in het gezicht van de verdachte, waarna zij hem uit de politiebus kon verwijderen. Uit het proces-verbaal van bevindingen komt verder naar voren dat het vanwege de kleine ruimte in de politiebus niet mogelijk was om de verdachte daaruit met meer dan één verbalisant te verwijderen.
Op grond van het geheel aan bovenstaande feiten en omstandigheden, is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat het gebruik van pepperspray door verbalisant [benadeelde 1] geoorloofd was op grond artikel 12a van de Ambtsinstructie. Naar het oordeel van het hof mocht redelijkerwijs worden aangenomen dat de verdachte aanstonds ander geweld tegen personen zou gebruiken (artikel 12a, onder a, Ambtsinstructie), gelet op de omstandigheid dat hij reeds een schoppende beweging naar verbalisant [benadeelde 1] had gemaakt, waarbij verdachtes structurele weigering om het politievoertuig te verlaten, bovendien kan worden beschouwd als het zich trachten te onttrekken aan diens voorgeleiding of andere, verdere rechtmatige vrijheidsbeneming, te weten diens insluiting op het politiebureau (artikel 12a, onder b, Ambtsinstructie). Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Aldus is van een vormverzuim geen sprake en wordt het daartoe strekkende verweer verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 03-114849-19 onder feit 1 en het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.
Het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straffen
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 4 maart 2019 en op 25 februari 2020 schuldig heeft gemaakt aan belediging van een ambtenaar in functie. De verdachte heeft in de aanloop naar zijn insluiting op het politiebureau verbalisant [benadeelde 1] gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening beledigd door naar haar te spugen en haar op grove wijze uit te schelden. Op 25 februari 2020 heeft de verdachte verbalisant [benadeelde 3] uitgescholden/beledigd. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij op 25 februari 2020 verbalisanten [benadeelde 4] en [benadeelde 2] heeft bedreigd met zware mishandeling en met een misdrijf tegen het leven gericht door onder andere te dreigen de nek van de agenten te breken. Door aldus te handelen heeft de verdachte agenten [benadeelde 1] en [benadeelde 3] in hun eer en goede naam aangetast, waarbij het hof het spugen in het gezicht bijzonder verwerpelijk acht. Met het bedreigen van de agenten [benadeelde 4] en [benadeelde 2] heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer en bij hen gevoelens van onveiligheid en onbehagen teweeggebracht. Personen met een publieke taak dienen – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – te kunnen functioneren, zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk hinderlijk en strafbaar gedrag. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich eveneens op 25 februari 2020 schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij onder invloed was van alcohol. Het betrof een alcoholgehalte van 770 microgram per liter uitgeademde lucht. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan de geldende verkeerswetgeving. Dit alles wordt de verdachte aangerekend.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder soortelijke feiten als de onderhavige.
Het hof heeft tevens gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte in dat verband – en samengevat weergegeven – naar voren gebracht dat de verdachte inmiddels een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. Na zijn detentie in Italië is de verdachte teruggekeerd naar Nederland en heeft hij hier werk gevonden. Zijn aandacht is thans gericht op zijn partner en kinderen.
Hoewel verdachtes strafblad, alsmede het aantal en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel aanleiding geeft tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ziet het hof, in het bijzonder gelet op het ruime tijdsverloop in deze zaak, aanleiding om thans aan het strafdoel van speciale preventie (het voorkomen van herhaling) bijzonder gewicht toe te kennen. Alles afwegende, zal het hof derhalve volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid en teneinde de kans op recidive te minimaliseren, ziet het hof daarnaast aanleiding om de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen te ontzeggen voor de duur van 7 maanden. Ook deze bijkomende straf zal het hof, vanuit het oogpunt van speciale preventie, voorwaardelijk doen zijn. Ten slotte acht het hof ter zake van dit feit de oplegging van een geldboete ter hoogte van
€ 1.000,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Bij de strafbepaling heeft het hof in ogenschouw genomen dat de redelijke termijn, zowel in de fase van eerste aanleg als in hoger beroep, is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft het hof ten faveure van de verdachte in de straftoemeting verdisconteerd, in dier voege dat het hof mede om die reden volstaat met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een geldboete, zonder daarnaast de oplegging van een taakstraf.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg heeft in eerste aanleg de navolgende vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen ingediend:
- een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 26 oktober 2018 onder parketnummer 03-163158-18;
- een taakstraf voor de duur van 80 uren, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 29 november 2017 onder parketnummer 03-700243-16.
Deze vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal en de raadsman hebben, gevorderd respectievelijk bepleit, dat het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging zal afwijzen, omdat de tenuitvoerlegging daarvan niet opportuun moet worden geacht.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Hoewel de verdachte zich voor het einde van de gestelde proeftijden schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten, zal het hof – in lijn met de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman – de vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen, nu de tenuitvoerlegging daarvan, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en het vorenoverwogene, niet opportuun moet worden geacht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 5 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart de officier van justitie ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging;
verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-114849-19 onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-114849-19 onder feit 1 en het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder de feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 03-114849-19 onder feit 1 en het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder de feiten 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.000,00 (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-058465-20 onder feit 1 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
7 (zeven) maanden;
bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissementsparket Limburg van 5 augustus 2020, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 26 oktober 2018, onder parketnummer 03-163158-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken;
wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissementsparket Limburg van 5 augustus 2020, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 29 november 2017, onder parketnummer 03-700243-16, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 80 uren.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 16 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Pelsser voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.