ECLI:NL:GHSHE:2026:1630

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
20-002770-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77x Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot moord, veroordeling poging tot doodslag met jeugddetentie en bijzondere voorwaarden

Op 9 januari 2025 vond te Rosmalen een schietincident plaats waarbij de verdachte meerdere malen op het slachtoffer schoot. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 8 maanden jeugddetentie en legde een PIJ-maatregel op. In hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis en sprak de verdachte vrij van poging tot moord, maar veroordeelde hem voor poging tot doodslag.

Het bewijs bestond uit camerabeelden, getuigenverklaringen, forensisch DNA-onderzoek van sigarettenpeuken en een kogelhuls, en vondsten van kleding en schoenen die overeenkwamen met de schutter op de beelden. De verdachte werd geïdentificeerd als de schutter NN02, ondanks zijn verweer en de onduidelijkheid over medeplegen.

Het hof oordeelde dat de verdachte met voorwaardelijk opzet handelde door tweemaal te schieten, en dat de PIJ-maatregel niet passend was gezien zijn leeftijd, beperkte justitiële verleden en gebrek aan behandelbereidheid. De straf werd gesteld op 24 maanden jeugddetentie, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden gericht op ambulante behandeling en reclasseringstoezicht.

De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen wegens niet-opportuunheid. De verdachte werd vrijgesproken van medeplegen wegens onvoldoende bewijs van nauwe samenwerking. Het hof achtte het proces eerlijk en de bewijsvoering overtuigend, ondanks het ontbreken van een verhoor van de aangever.

De uitspraak werd op 16 juni 2026 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen, waarbij het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het arrest in hoger beroep werd uitgesproken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden jeugddetentie, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, vrijgesproken van poging tot moord en medeplegen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002770-25
Uitspraak : 16 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 31 oktober 2025 met parketnummer 01-032110-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, met parketnummer 13-171997-24, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2007,
thans gedetineerd in [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken ten aanzien van het primair impliciet primair tenlastegelegde (poging tot moord) en het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde (poging tot doodslag) en is de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde ‘
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) bevolen, zulks voor de duur van 3 jaren.
De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder onder het parketnummer 13-171997-24 voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 50 uren afgewezen.
De benadeelde partij [slachtoffer] is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en voor wat betreft de proceskosten heeft de rechtbank geoordeeld dat een ieder de eigen kosten draagt.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en een bedrag van € 500,- aan proceskosten.
De rechtbank heeft de benadeelde partij bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve is de vordering in hoger beroep niet aan de orde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het primair (impliciet primair) tenlastegelegde bewezen zal verklaren, dit zal kwalificeren als ‘medeplegen poging moord’ en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede dat het hof aan de verdachte een PIJ-maatregel zal opleggen. De vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde straf, dient in de visie van de advocaat-generaal te worden afgewezen.
De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf zal afwijzen.
Het vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal – voor zover thans nog aan de orde – worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 januari 2025 te Rosmalen , gemeente ’s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, door met een vuurwapen een of meerdere malen op/in de richting van die [slachtoffer] te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling kon of mocht leiden:
hij op of omstreeks 9 januari 2025 te Rosmalen , gemeente ’s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen een of meerdere malen op/in de richting van, althans in de nabijheid van het lichaam van, die [slachtoffer] te schieten.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak primair impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord
Anders dan de advocaat-generaal, maar met de rechtbank en de verdediging, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van een poging tot moord, nu – kort gezegd – op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake was van kalm beraad en rustig overleg alvorens er door de verdachte op aangever [slachtoffer] is geschoten. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van de onder primair – impliciet primair – tenlastegelegde poging tot moord.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 januari 2025 te Rosmalen , gemeente ’s-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, door met een vuurwapen meerdere malen in de richting van die [slachtoffer] te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, Districtsrecherche ‘s-Hertogenbosch, onderzoek ‘Ariana’, opgesteld door verbalisant van politie [verbalisant 1] , gesloten 11 augustus 2025, nummer: PL2100-2025005686, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 261. De inhoud van de bewijsmiddelen is – waar nodig – zakelijk en samengevat weergegeven:
1.
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof, op 2 juni 2026, voor zover inhoudende:
U, voorzitter, houdt mij voor dat u uit mijn antwoorden op vragen van de jongste raadsheer en de advocaat-generaal afleidt dat ik aanwezig was bij het tenlastegelegde schietincident. Ja, dat klopt. Ik was daar toen bij aanwezig.
2.
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 17 oktober 2025, voor zover inhoudende:
Op 9 januari 2025 was ik op de [locatie] in Rosmalen . Uit de aangetroffen sigarettenpeuken kunt u opmaken dat ik daar was.
3.
Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 6 augustus 2025 (dossierpagina’s 258-261), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :
V: = verbalisant
A: = aangever
V: Waarvan wil jij aangifte doen?
A: Van dat er op mij geschoten is.
V: Kun je mij vertellen wat er is gebeurd?
A: Ik kwam aan op de plek waar ik moest zijn, ik zag een auto heel langzaam met licht uit
achter me aankomen die parkeerde twee of drie parkeerplaatsen verder, achter mij, toen ging
hij weer in zijn achteruit, toen kwam hij weer richting mij. Ik was aan het kijken omdat hij
met gedoofde lichten op mij afkwam, ik was toen al heel scherp. Er stapten drie mannen uit
en zij begonnen achter me aan te rennen. Ik denk dat ze helemaal in het zwart gekleed
waren. Maar het ging heel snel. Ik kon maar 1 seconde kijken, voor de rest was het alleen
maar rennen.
V: Wat heeft het incident met jou gedaan?
A: Het heeft me echt laten nadenken over het leven. Ik stond nooit bij dingen stil, maar als
je zoiets meemaakt. Ik schrok er echt van toen [naam 1] mij die filmpjes liet zien, dat kwam wel
even binnen.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 april 2025 (dossierpagina’s 40-46), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 8 april 2025 was ik doende met een doorzoeking in een woning gelegen aan [adres 2]
. In deze woning is verdachte [verdachte] woonachtig.
Tijdens het onderzoek ontving het onderzoeksteam camerabeelden waarop voor en tijdens het incident 4 verdachten te zien zijn. Een van deze verdachten werd aangeduid als NN02.
In de bovengenoemde woning werd, in de slaapkamer van verdachte [verdachte] , kleding gevonden die sterk overeenkwam met de kleding die op de camerabeelden door verdachte NN02 gedragen werd.
In dit proces-verbaal van bevindingen wordt de kleding die op de beelden gedragen wordt door NN02 vergeleken met de kleding die werd aangetroffen in de slaapkamer van verdachte [verdachte] .

Zwarte jas

Op de beelden droeg NN02 een zwarte jas met capuchon. De jas was aan de voor- en achterzijde voorzien van een wit logo. In de kledingkast op de slaapkamer van verdachte [verdachte] werd een zwarte jas met capuchon van het merk ‘The North Face’ aangetroffen. De jassen vertonen sterke overeenkomsten.
Het witte logo komt overeen met het witte logo op de jas die NN02 op de beelden droeg.
Het logo op de linkerzijde van de borst en de rechterachterzijde ter hoogte van de schouder komen overeen met de jas die NN02 op de beelden droeg.
De capuchon komt overeen met de capuchon van de jas die NN02 op de beelden droeg.

NN02 gleed op beelden onderuit

Op de camerabeelden is te zien dat NN02 weggleed en hierbij ten val kwam. NN02 kwam hierbij met de rechterzijde van zijn lichaam op de grond terecht. De jas van het merk ‘The North Face’, welke in de kledingkast van verdachte [verdachte] werd aangetroffen, heeft een beschadiging op rechter heuphoogte.

Zwarte schoenen met grijze zool

Op de camerabeelden is te zien dat NN02 zwarte schoenen droeg, deze schoenen hadden een grijze zool. In de slaapkamer, achter het bed van verdachte [verdachte] , werd een paar zwarte sneakers van het merk ‘Sketchers’ aangetroffen. Deze sneakers hadden een grijze zool en tonen overeenkomsten met de sneakers welke NN02 op de beelden droeg.
De schoenen van verdachte [verdachte] hebben dezelfde grijze zool, hetzelfde zwarte vlak met daarboven nog een grijs vlak. Dit komt overeen met de schoenen die NN02 op de beelden droeg.

Reflecterend deel schoenenOp de camerabeelden was te zien dat de schoen van NN02 aan de voorzijde, bovenop en aaneen zijkant reflecteert wanneer verdachte in het licht van de lamp loopt. Ik zag dat de schoenaangetroffen op de slaapkamer van verdachte [verdachte] een sterk overeenkomendreflecterend deel had. Dit reflecterende deel was donker van kleur en lichtte op bij hetmaken van een foto.

Modder op schoenen

Ik zag dat er modder op de schoenen, afkomstig van de slaapkamer van verdachte [verdachte] , zat. De modder zat aan dezelfde zijde als de beschadiging van de jas van verdachte [verdachte] . De modder zat aan de rechterzijde van de schoen, evenals de beschadiging van de jas van verdachte [verdachte] . NN02 kwam op zijn rechterzijde terecht toen hij op de camerabeelden ten val kwam.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2025 (dossierpagina’s 57-59), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
Op 9 januari 2025 waren wij werkzaam in de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Omstreeks 01.10 uur kregen wij een melding van een verdachte situatie aan de [locatie] te Rosmalen .
Melder 1 hoorde twee harde knallen wat op schoten leek.
Melder 2 hoorde twee harde knallen wat op schoten leek.
Beide melders zagen een grijze auto op hoge snelheid wegrijden. Van de grijze auto was
geen kenteken bekend.
Een van de melders had beelden van zijn camera. Hierop zagen wij dat er een Toyota
voorzien van het kenteken: [kenteken 1] , op de parkeerplaats geparkeerd stond.
Wij zagen dat een grijze auto vanaf het doodlopende gedeelte aangereden kwam, achter het
houten huisje stopte en zijn verlichting doofde.
Op dat moment stapte er een persoon uit de Toyota en drie personen uit de grijze auto.
Wij zagen dat hierop vier personen begonnen te rennen in de richting van [adres 3]
en uit beeld verdwenen.
Deze melder zei dat hij twee knallen had gehoord en dat deze op schoten leken.
Wij zagen op de beelden dat even later drie personen weer terug gerend kwamen en daarna
de grijze auto er met hoge snelheid vandoor reed.
6.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2025 (dossierpagina’s 60-62), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Ik hoorde en zag dat ik via de app Whatsapp filmpjes binnenkreeg welke waren opgenomen
door de beveiligingscamera van de woningbouw welke op de [locatie] hangt.
Ik zag dat hierop stond dat er eerst een auto de [locatie] op rijdt en naast de aanwezige
fietsenstalling parkeert.
Dit is de Toyota voorzien van kenteken [kenteken 1] . Bekend vanuit de mutatie welke de
collega’s opmaakte.
Enkele tellen later rijdt een tweede auto de [locatie] op. Deze rijdt in de richting van de
hogere nummers maar na enkele tellen zag ik dat de auto draait.
Ik zag dat deze uit beeld verdween omdat deze achter de fietsenstalling stopte.
Ik zag meteen hierop dat er vanachter de fietsenstalling een persoon tevoorschijn komt
welke wegrent in de richting van het adres [adres 3] .
Ik zag dat deze achtervolgd werd door drie andere personen welke op ongeveer drie, zes en
negen meter achter hem aan rennen.
Ik zag dat de tweede persoon, zijnde de eerste achtervolger, tijdens de achtervolging in zijn
rechterjaszak gaat.
Daar iets uitpakt en vervolgens met het voorwerp richt alsof hij gaat schieten.
Vandaag op 15 januari 2025 was ik samen met een speurhondengeleider op de
plaats delict. Ik zag dat de speurhond ter hoogte van het adres [adres 3] , alwaar het
slachtoffer en de verdachte heen renden, een huls gevonden had.
7.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2025 (dossierpagina’s 67-69), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Naar aanleiding van vermoedelijk een schietincident op 9 januari 2025, omstreeks 01.03 uur, werd er op 15 januari 2025 een plaats delict onderzoek gedaan op locatie De [locatie] in Rosmalen .
Met inzet van een speurhond van eenheid landelijke expertise en Operaties werd er onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van hulzen.
Door de speurhond werd eenmaal een huls aangetroffen in het gras ter hoogte van
perceelnummer 1.
8.
De kennisgeving van inbeslagneming, registratienummer: PL2l00-2025005686-7 (dossierpagina 70), voor zover inhoudende:

Inbeslagneming

Plaats : [adres 3]
binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch
Datum : 15 januari 2025
Omstandigheden : Aangetroffen op PD door speurhond

Volgnummer 1

Goednummer : PL2100-2025005686-2297384
Object : Munitie (Mund Huls)
Spoor identificatienr. : AAIC6014NL
9.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 januari 2025 (dossierpagina’s 94-133), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
Op 17 januari 2025, was ik doende met onderzoek Ariana. Dat betreft een schietincident wat plaats had gevonden op 9 januari 2025, omstreeks 01.00 uur aan de [locatie] te Rosmalen . Tijdens het buurtonderzoek werden er diverse camerabeelden veiliggesteld door de politie. Het bedrijf [naam 2] , gevestigd aan [adres 4] beschikte over camerabeelden die veilig werden gesteld door de politie.
Samenvatting constaterend uit de camerabeelden
Ik zag onderstaande op de camerabeelden:
• Ruim één uur voor het incident staat een Opel Corsa geparkeerd op een parkeerplaats aan
de Westeind. Er zaten vier personen in het voertuig. Twee daarvan stonden een tijd achter
een bus verscholen en hielden zicht op de [locatie] .
• Het kenteken van de Opel Corsa betrof de [kenteken 2] . Volgens ons Integrale
Bevragingssysteem betrof dit een grijze Opel Corsa, sinds 22 januari 2024 op naam van
[medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2002 te [geboorteplaats 2] .
• De bijrijder (NN02) en de passagier die rechtsachter zat (NN03) uit het voertuig zicht
hielden op de [locatie] . Als er personen of voertuigen aan kwamen gereden, liepen zij
weg of schuilden.
• Dat de bijrijder (NN02) rookte en deze sigaret vermoedelijk uit maakte bij de Opel Corsa
die geparkeerd stond op een parkeerplaats aan de [adres 4] .
• De Opel Corsa herkenbaar was aan een geblindeerd/ witte achterruit.
• De Opel Corsa een aantal keren wegreed zonder verlichting aan, waar kort daarna een
voertuig over het [straatnaam] reed ook zonder verlichting aan en de aangrenzende wijk in
reed.
• De Toyota Aygo komt terug gereden bij de [locatie] en parkeerde in een van de
parkeervakken.
• Ongeveer één minuut later kwam de Opel Corsa de [locatie] in gereden.
• De Opel Corsa keert het voertuig en er stappen drie personen (bijrijder en twee passagier)
uit. Tegelijkertijd stapt de bestuurder van de Toyota Aygo uit.
• De bestuurder van de Toyota Aygo en de andere drie personen uit de Opel Corsa rennen
achter elkaar aan richting [adres 3] .
• De bijrijder van de Opel Corsa komt ten val en kort daarna rennen de drie inzittenden terug
naar de Opel Corsa.
• De Opel Corsa rijdt weg in de richting [adres 4] .
10.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 januari 2025 (dossierpagina’s 136-144), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :
Op 17 januari 2025, deed ik onderzoek naar de camerabeelden afkomstig van de locatie: [adres 5] . Deze camera bevindt zich aan de voorzijde van de woning op adres [adres 5] . Deze camera heeft zicht op de straat [locatie] te Rosmalen en een gebouw gelijkend op [beschrijving] .
Analyse beelden
01:03:48-01:06:24
Ik zag dat er links achter het houten hok een voertuig (voertuig 1) met verlichting aan kwam rijden en op het eerste parkeervak links van het houten hok parkeerde en de koplampen doofde.
Ik zag dat er een man (man 1) op de bestuurdersstoel zat van voertuig 1 en dat zijn gezicht
oplichtte. Ik zag dat er om 01:04:53 een voertuig (voertuig 2) zonder verlichting links achter het houten hok aankwam rijden en achter de eerste geparkeerde auto doorreed en links uit beeld reed.
Ik zag dat de man in het geparkeerde voertuig (voertuig 1) met zijn hoofd het langsrijdende voertuig (voertuig 2) volgde en vervolgens zag ik zijn gezicht weer oplichtte als hij voor zich uitkeek. Ik zag dat om 01:05:32 hetzelfde voertuig (voertuig 2) met gedoofde koplampenlinks weer in beeld reed en achter het houtenhok tot stilstand kwam, waarbij de achterzijde van het voertuig (voertuig 2) nog zichtbaar was.
Ik zag dat de man (man 1) in het geparkeerde voertuig (voertuig 1) zijn portier aan bestuurderszijde opende, het gras oprende en tegelijkertijd het portier dicht gooide en doorrende langs de voorzijde van het houtenhok en rechts rennend uit beeld verdween.
Ik zag dat er direct drie mannen (man 2, 3 en 4), met steeds een aantal meters tussen de personen en de wegrennende man (man 1) uit het geparkeerde voertuig (voertuig 1), achter de wegrennende man (man 1) aanrende. Ik zag dat de eerste van de achtervolgende mannen (man 2), die direct achter de eerste wegrennende man rende, rechts van het houten hok één of meerdere armen, al rennend, voor zich uitstrekte.
11.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 mei 2025 (dossierpagina’s 248-250), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
V: Vraag verbalisanten
A: Antwoord getuige
V: Wij zijn bij je aan de deur geweest in verband met een incident op 9 januari 2025. Kun je
Zo uitgebreid mogelijk vertellen wat je gezien hebt die avond?
A: Ik had als eerste twee knallen gehoord. Daarna zag ik drie mannen aan het rennen.
Ze waren allemaal zwart gekleed. Ik kon geen gezichten zien, maar wel het pistool en een
grijze auto. Toen zijn ze weggegaan met die auto. Het waren drie mannen en nog een man
die reed. In totaal waren ze dus met z’n vieren. Meteen na de knallen ben ik naar
buiten gegaan om te kijken wat er was gebeurd. Die drie mannen waren aan het rennen.
Ik hoorde ze iets zeggen van “loesoe”. Ik zag het pistool. Ze kwamen achter de woning
vandaan. Hij had het pistool op zijn linkerkant ter hoogte van zijn heup
12.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 mei 2025 (dossierpagina’s 253-255), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Verdachte [verdachte] werd aangehouden in zijn woning, gelegen aan de [adres 2] . Aansluitend werd er een doorzoeking gedaan op genoemd adres.
De slaapkamer van verdachte [verdachte] werd doorzocht. In de kledingkast werd een jas aangetroffen. Deze jas kwam sterk overeen met de jas welke door een van de verdachten werd gedragen.
Op de camerabeelden was te zien dat de verdachte, ten tijde van de poging, ten val kwam en hierbij op zijn rechterzijde terecht kwam.
Wij zagen dat de jas, aangetroffen op de slaapkamer van verdachte [verdachte] , op de
rechterzijde, op heuphoogte, een beschadiging had.
Ik bekeek de camerabeelden opnieuw. Ik zag dat de verdachte, waarvan later bleek dat dit verdachte [verdachte] betreft, rokend aan het ijsberen was. Ik zag dat de jas van verdachte op deze beelden nog geen beschadiging had. Ik zag op de beelden dat verdachte in een voertuig plaatsnam, rechts naast de bestuurder, op de passagiersstoel, waarna het voertuig wegreed.
Ik zag dat het voertuig tot stilstand kwam en dat verdachte uitstapte aan de passagierszijde, op dezelfde plek als waar hij eerder instapte. Verdachte rende achter het slachtoffer aan en kwam hierbij ten val.
13.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2025 (dossierpagina’s 134-135), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 9] :
In proces-verbaalnummer OB1R025006-23 zijn beelden beschreven van [adres 4]
[adres 4] . In dit proces-verbaal is een persoon beschreven als NN02. Op de beelden is te
zien dat NN02 op 08-01-25 omstreeks 23:57 uur uit een voertuig stapt. Dit voertuig betreft
een Opel voorzien van kenteken [kenteken 2] .
In dit proces-verbaal wordt beschreven dat NN02 op 09-01-25 omstreeks 00:01 uur terug
richting de Opel liep en op de bijrijdersstoel van de Opel ging zitten. In dit proces-verbaal
staat beschreven dat er op dat moment geen gloed van sigaretten of rook te zien is en dat
NN02 vermoedelijk op dat moment de sigaret al had uitgemaakt.
Aantreffen peuken
Op 17 januari 2025 werden op de parkeerplaats ter hoogte van waar de Opel voorzien van
kenteken [kenteken 2] stond op de beschreven beelden, meerdere sigarettenpeuken
aangetroffen.
Ik bekeek de beelden vanaf 09-01-25 00:00:45 uur. Ik zag dat de persoon omschreven als
NN02 rokend met een sigaret in zijn rechterhand richting de Opel voorzien van kenteken
[kenteken 2] liep.
Ik zag dat NN02 voor het voertuig door liep richting de bijrijderszijde van het voertuig. Ik
zag dat NN02 de bijrijdersportier van het voertuig opent. Ik zag dat NN02 op dat moment de
sigaret in zijn mond heeft.
Ik zag vervolgens dat NN02 in het voertuig zit en een trek neemt van zijn sigaret. Ik zag de
gloed van de sigaret Ik zag dat NN02 hierop rook uitblaast. Ik zag dat verdachte vervolgens
tijdens het uitblazen van de rook de portierdeur opent, zijn rechterarm waarmee hij de
sigaret vasthield naar buiten zwaait, en vervolgens de portierdeur sluit. Naar aanleiding van
deze bevindingen is het aannemelijk dat NN02 zijn sigarettenpeuk buiten de auto gooit.
De aangetroffen sigarettenpeuken op de parkeerplaats zijn aangetroffen op dezelfde plek als
waar NN02 vermoedelijk zijn sigarettenpeuk buiten de auto gooit.
14.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 januari 2025 (dossierpagina’s 145-147), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] :
Op 17 januari 2025 kregen wij het verzoek van een collega van district recherche
’s-Hertogenbosch om peuken middels DNA-kit veilig te stellen naar aanleiding van een schietpartij in deze zaak. De sigaretpeuken lagen op een parkeerplaats op [adres 4] in Rosmalen .
Ter plaatse aangekomen aan [adres 4] zagen wij,
dat er vier sigaretpeuken op het parkeervak op de grond lagen.
Ik heb de derde peuk van de vier veiliggesteld terwijl ik de bijgevoegde handschoenen en
het mondkapje droeg welke in het DNA-kit zaten. Ik heb de peuk veiliggesteld in DNA-kit
voorzien van het nummer: 744485. De DNA-kit is voorzien van het SIN-nummer:
AAQU6644NL.
Ik heb de vierde peuk van de vier veiliggesteld terwijl ik de bijgevoegde handschoenen en
het mondkapje droeg welke in het DNA-kit zaten. Ik heb de peuk veiliggesteld in DNA-kit
voorzien van het nummer: 699588. De DNA-kit is voorzien van het SIN-nummer:
AAOL0251NL.
15.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 maart 2025 (dossierpagina’s 153-154), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 12] :

Aanleiding instellen onderzoekOp 9 januari 2025, omstreeks 01.03 uur, vond er een vermoedelijk een schietincident plaats op de [locatie] te Rosmalen .

Op woensdag 15 januari 2025 werd met behulp van een speurhond van de
Landelijke Eenheid een onderzoek op het plaats delict gedaan, op de locatie [locatie] te
Rosmalen . Door de inzet van de hond werd op [adres 3] een huls aangetroffen.

Uitslag extern onderzoekOp 29 januari 2024, ontving ik, de deskundige rapportage voorzien van TMFI (The Maastricht Forensic Institute) zaaknummer TMFI2025.0460.

Op bemonsteringen van peuken, voorzien van SIN AAOL0251NL#01 en
AAQU6644NL#01, werd een enkelvoudig DNA-profiel van een man aangetroffen, welke
kunnen zijn van [verdachte] , Geboren op [geboortedag 1] 2007, SKN 12375498, waarvan de
frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.
16.
Een geschrift, te weten een rapport Forensisch DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute d.d. 29 maart 2025 (dossierpagina’s 155-158), opgemaakt door Dr. M. Hidding, Forensisch DNA-deskundige, voor zover inhoudende:

Sporenmateriaal

SIN
Omschrijving
AAOL0251NL
Peuk
AAQU6644NL
Peuk

Biologisch sporenonderzoek

Van de peuken is een deel van het filter bemonsterd (#01).

Resultaat van het (vergelijkend) DNA-onderzoek

Bemonstering
DNA-profiel
Mogelijke donor van DNA
Filter peuk
AAOL0251NL#01
Enkelvoudig DNA-profiel van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.
[verdachte]
Filter peuk
AAQU6644NL#01
Enkelvoudig DNA-profiel van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.
[verdachte]
17.
Een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, d.d. 15 juli 2025 (dossierpagina’s 242-244), nummer 2025.01.24.039, opgemaakt door de NFI-deskundige ing. R. Hermsen , inhoudende het relaas van rapporteur:

Overzicht te onderzoeken materiaal

SIN Omschrijving SVO zoals op aanvraag
AAIC6014NL Munitie (Huls)

Resultaat / conclusie

De afvuursporen in de huls AAIC6014NL worden verwacht wanneer deze is verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool, merk Steyr, model S9 of M9, van het kaliber 9mm Parabellum.
18.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 november 2025 (los gevoegd), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 13] :
In dit proces-verbaal van bevindingen wordt een aanvulling gegeven op het fragment met
bestandsnaam: Fragment 6: 00000003138000000.mp4 (
hof: bewijsmiddel 9).
Op het moment dat ik de beelden per frame bekijk en er wordt ingezoomd op het beeld rechtsboven, zijn er twee lichtflitsen en een rookpluim te zien na de tweede lichtflits. Dit is te zien vlak voor het moment dat de voorste verdachte die achter [slachtoffer] aanrent onderuit glijdt.
Als men de beelden per frame bekijkt en inzoomt op het incident is duidelijk te zien dat:
• er met iets gericht wordt op slachtoffer [slachtoffer]
• dat daarbij twee lichtflitsen te zien zijn
• en dat er na de laatste lichtflits een rookpluim te zien is.
19.
De eigen waarneming van het hof gedaan ter terechtzitting van 2 juni 2026 met betrekking tot de ter terechtzitting getoonde camerabeelden, die meermalen al dan niet vertraagd en ingezoomd zijn afgespeeld, voor zover inhoudende:
Het hof neemt op de camerabeelden waar de parkeerde Toyota Yaris van aangever [slachtoffer] . Achter de Toyota komt vanaf de linkerzijde een grijze Opel aangereden en deze keert buiten beeld aan de rechterzijde om, waarna de Opel komt teruggereden en achter de Toyota Yaris stopt. Op dat moment stapt de bestuurder van de Toyota Yaris uit en rent hij weg in de richting van en langs de woningen aan de [locatie] . Op datzelfde moment stapt de bijrijder van de Opel uit en hij rent de bestuurder van de Toyota achterna, waarbij hij heel kort achter de bestuurder van de Toyota aan zit. Vrijwel meteen stappen er twee andere personen vanuit de achterzijde uit de Opel en zij rennen de bestuurder van de Toyota en de bijrijder van de Opel achterna. De bestuurder van de Toyota, gevolgd door de bijrijder van de Opel en de twee andere personen rennen achter het gebouwtje en verdwijnen dan voor een enkel ogenblik uit beeld. Vervolgens komt aan de linkerzijde van het huisje weer een persoon in beeld gerend, gevolgd door een tweede persoon. Het hof neemt waar dat de tweede persoon achter de eerste persoon aanrent en dat hij zijn arm vanuit zijn schouder vooruit strekt in de richting van de eerste persoon. Het hof neemt vervolgens een lichtflits waar. De eerste en de tweede persoon rennen ondertussen door en dan neemt het hof ter hoogte van de lantaarn een tweede lichtflits waar, alsmede kort daarna op die plek een rookwolk. De tweede persoon komt vervolgens ten val, waarbij hij met zijn rechterzijde op de grond terechtkomt.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman – samengevat en op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat er überhaupt is geschoten. De camerabeelden zijn onvoldoende duidelijk om een dergelijke conclusie op te baseren en de verklaring van getuige [getuige] , die verklaard heeft over het zien van een vuurwapen, is onbetrouwbaar. Daarbij is er geen verband vastgesteld tussen de aangetroffen huls en het vermeende schietincident. Zo er al is geschoten, dan kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de schutter is geweest. Immers, kan aan de hand van de camerabeelden niet tot een herkenning van de schutter worden gekomen en daarnaast kan niet worden vastgesteld wie, van de drie achtervolgende personen op de camerabeelden, heeft geschoten, omdat zij op enig moment allen achter het gebouw uit beeld verdwijnen. De in de woning van de verdachte aangetroffen jas en schoenen, waarvan wordt gesteld dat deze overeenkomsten vertonen met de jas en de schoenen van de schutter en waarbij de beschadiging op de jas van de verdachte passend kan zijn bij de val van de schutter, zijn onvoldoende onderscheidend om de verdachte als schutter aan te wijzen en overigens heeft de verdachte een verklaring gegeven voor de beschadiging op zijn jas.
Voor het geval het hof mocht oordelen dat de verdachte wel de schutter is geweest, heeft de raadsman betoogd dat het bewijs van (voorwaardelijk) opzet op de dood tekortschiet, nu niet kan worden vastgesteld dat er gericht op aangever [slachtoffer] is geschoten.
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank aangaande de vaststelling van de feiten en omstandigheden als uitgangspunt, nu het hof zich daarmee in overwegende mate kan verenigen. Het hof overweegt derhalve grotendeels in lijn met – en waar nodig in aanvulling op – de rechtbank het volgende.
Op 9 januari 2025 rond 01:00 uur stopt [slachtoffer] met zijn auto, een Toyota Aygo, aan de [locatie] in Rosmalen en parkeert hij in een parkeervak. Ongeveer twee minuten later stopt een Opel Corsa met gedoofde lichten achter de auto van [slachtoffer] . Zodra de Opel Corsa tot stilstand is gekomen stapt [slachtoffer] onmiddellijk uit zijn auto en begint hij te rennen in de richting van de woningen aan de [locatie] . Drie inzittenden uit de Opel Corsa stappen uit en zij rennen achter [slachtoffer] aan in de richting van [adres 3] . De persoon die in het dossier wordt omschreven als NN02 stapt als eerste uit de deur van de bijrijder en hij rent direct achter [slachtoffer] aan. Deze persoon bevindt zich daarbij op enkele meters afstand van [slachtoffer] . Binnen enkele seconden nadat de achtervolging door NN2 is aangevangen, is op de camerabeelden waar te nemen dat deze persoon een voorwerp in zijn rechterhand vastheeft, hij zijn rechterarm vanuit de schouder naar voren strekt in de richting van aangever, waarop ter hoogte van dat voorwerp vervolgens een lichtflits is te zien. [slachtoffer] en de persoon rennen ondertussen door richting [adres 3] en kort daarna is ter hoogte van de lantaarnpaal op de hoek een tweede lichtflits te zien, gevolgd door een rookwolk, waarna NN02 ten val komt op zijn rechter zij. De achtervolging wordt gestaakt en er wordt “loesoe” geroepen. Enkele seconden later komen de drie personen terug gerend en stappen in de Opel Corsa, waarna deze wegrijdt.
Anders dan de raadsman, lijdt het naar het oordeel van het hof geen enkele twijfel dat er op 9 januari 2025, omstreeks 01.00 uur, een schietincident heeft plaatsgevonden aan de [locatie] te Rosmalen . Door meerdere getuigen, wonend aan de [locatie] , is immers verklaard dat zij twee schoten of knallen hebben gehoord. Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij, nadat zij twee knallen had gehoord, drie mannen buiten zag rennen en dat één van de mannen een pistool vasthad. Ter hoogte van [adres 3] heeft de politie een kogelhuls aangetroffen, waarvan onderzoek heeft uitgewezen dat deze door een
(semi-)automatisch werkend pistool is verschoten. Deze huls is aangetroffen in de directe nabijheid van de plek, waarvan op de camerabeelden is te zien dat de achtervolger zijn arm strekt in de richting van aangever [slachtoffer] , waarna een lichtflits aan de voorzijde van het voorwerp en een rookwolk zijn te zien. Een dergelijke lichtflits en rookwolk zijn kenmerkende verschijnselen van het afvuren van een vuurwapen. Naar het oordeel van het hof zijn de op de camerabeelden waarneembare lichtflitsen, gelet op het geheel aan bewijsmiddelen, dan ook afkomstig van schoten uit een vuurwapen. Aldus kan worden vastgesteld dat er (minst genomen) tweemaal op aangever [slachtoffer] is geschoten.
De raadsman heeft bepleit dat de verklaring van getuige [getuige] onbetrouwbaar is en moet worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd – gewezen op de psychische problematiek van de getuige en de omstandigheid dat de getuige, gehoord bij de raadsheer-commissaris, heeft verklaard dat zij zich niets meer kan herinneren met betrekking tot het tenlastegelegde.
Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat getuige [getuige] ten overstaan van de politie een gedetailleerde en betrouwbare verklaring heeft afgelegd. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van haar waarnemingen, te meer omdat haar verklaring objectief steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het hof noemt in het bijzonder de camerabeelden, waarop drie rennende personen zijn waargenomen, gelijk de getuige heeft verklaard. Ook hetgeen het hof hierboven omtrent de lichtflitsen en de rookwolk, als zijnde kenmerkende verschijnselen van het afvuren van een vuurwapen, en de aangetroffen huls heeft overwogen, biedt steun aan en is passend bij de waarneming van de getuige, dat één van de personen een vuurwapen vasthad. Onder verwerping van het verweer van de raadsman, acht het hof de verklaring van de getuige betrouwbaar en bezigt het hof deze tot het bewijs.
De raadsman heeft in dit verband voorts betoogd dat de getuige [getuige] bij gelegenheid van haar verhoor door de raadsheer-commissaris geen enkele inhoudelijke vraag van de verdediging heeft beantwoord, zodat de verdediging haar verklaring niet heeft kunnen toetsen. Nu haar verklaring in overwegende mate van belang is voor de bewijsconstructie, kan daarvan geen gebruik worden gemaakt, zonder dat dit strijd oplevert met het in artikel 6 van Pro Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) vervatte recht op een eerlijk proces, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.
De getuige is op 27 mei 2026 op verzoek van de verdediging bij de raadsheer-commissaris gehoord. De raadsman was bij dat verhoor aanwezig en hij is toen in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen aan de getuige en heeft dat ook gedaan. De getuige heeft de vragen van de raadsman beantwoord en in de kern verklaard dat zij zich het tenlastegelegde incident niet meer kan herinneren vanwege geheugenverlies, al dan niet verband houdend met psychische problematiek, waarvoor zij behandeling ondergaat. De enkele omstandigheid dat een getuige de aan hem of haar gestelde vragen niet (volledig) beantwoordt omdat de getuige – al dan niet vanwege tijdsverloop – onvoldoende concrete herinneringen heeft aan wat de getuige met betrekking tot wat aan verdachte is tenlastegelegd, heeft waargenomen of ondervonden, brengt evenwel niet zonder meer met zich mee dat een effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken. Nu de raadsman in de gelegenheid is gesteld om de getuige te bevragen en de getuige de vragen van de raadsman heeft beantwoord, zij het dat zij heeft verklaard dat zij zich het incident niet meer kan herinneren, is het hof van oordeel dat de verdediging een behoorlijke en effectieve gelegenheid tot ondervraging van de getuige is geboden, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De verdediging heeft in hoger beroep eveneens verzocht om aangever [slachtoffer] als getuige te horen. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 28 mei 2026, kon evenwel niet tot een verhoor van de getuige worden gekomen, omdat hij volgens informatie van de wijkagent in Marokko verblijft en zijn adresgegevens onbekend zijn. De raadsheer-commissaris heeft de Marokkaanse autoriteiten via het IRC verzocht om een adresverificatie uit te voeren. Echter, de resultaten daarvan zijn niet voor de aanvang van de terechtzitting van 2 juni 2026 ontvangen.
Het bovenstaande is ter terechtzitting van het hof besproken, waarop de raadsman te kennen heeft gegeven dat hij geen afstand doet van de getuige, omdat de mogelijkheid bestaat dat na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, doch voordat het hof arrest wijst, de getuige alsnog wordt gevonden en – na heropening van het onderzoek – tot een verhoor van de getuige kan worden gekomen. Desgevraagd heeft de raadsman evenwel te kennen gegeven, dat als de getuige niet voor het wijzen van het arrest wordt gevonden, de verdediging zich daarbij neerlegt.
Nu het hof geen bericht van de raadsman of het kabinet van de raadsheer-commissaris heeft ontvangen dat de adresgegevens van de getuige alsnog zijn achterhaald, gaat het hof er - gelet op de woorden van de raadsman - vanuit dat er van de zijde van de verdediging niet langer aanspraak wordt gemaakt op een ondervragingsgelegenheid van de getuige en de verdediging derhalve afstand heeft gedaan van de getuige. Bij dat oordeel heeft het hof tevens betrokken het e-mailbericht van de raadsman van 29 mei 2026, waarin de raadsman te kennen heeft gegeven dat, hoewel de verdediging formeel geen afstand doet van de getuige, zij geen aanhoudingsverzoek doet, teneinde de getuige te doen horen, omdat in de visie van de verdediging het belang van de verdachte bij afdoening van de zaak prevaleert.
Het hof heeft zich in voormeld verband nog rekenschap gegeven van het volgende.
De verklaring van getuige [getuige] behelst in de kern dat zij drie mannen heeft zien rennen en dat één van hen een vuurwapen vasthad. Aangever [slachtoffer] heeft enkel verklaard dat hij zijn auto is uitgestapt en dat hij voor drie mannen is weggerend. Het ging volgens aangever heel snel en vanwege het rennen heeft hij verder niets gezien. De raadsman wenst aangever [slachtoffer] te bevragen omtrent wat hij heeft gezien en hoe hij het incident heeft ervaren.
Het hof stelt vast dat op de camerabeelden kan worden waargenomen dat er drie personen achter aangever [slachtoffer] aanrennen. Dit wordt niet door de verdediging betwist. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het schieten, te weten – kort gezegd – dat er twee knallen/schoten zijn gehoord, dat er ter plaatse een kogelhuls is aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat deze door een (semi-) automatisch pistool is verschoten en dat op de camerabeelden kan worden waargenomen dat de achtervolger iets vastheeft, zijn arm op schouderhoogte richting het slachtoffer brengt en er twee lichtenflitsen en een rookwolk kan worden waargenomen, is het hof van oordeel dat reeds op grond van die feiten en omstandigheden en derhalve zonder gebruikmaking van de getuigenverklaring van [getuige] in rechte kan worden vastgesteld dat er tweemaal is geschoten met een vuurwapen. De relevantie voor het bewijs van de verklaring van aangever [slachtoffer] is, gelet op diens summiere waarnemingen, beperkt in die zin dat daar enkel uit blijkt dat aangever ten tijde van het schietincident aanwezig was en dat hij toen de bestuurder was van de Toyota Yaris, hetgeen door de verdediging niet wordt betwist.
Aldus is het hof van oordeel dat door voornoemde getuigen is verklaard over feiten en omstandigheden die hetzij als zodanig niet door de verdediging worden betwist dan wel reeds door andere onderzoeksbevindingen in voldoende mate zijn komen vast te staan. Zo bezien is de bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate gebaseerd op die onderdelen van de verklaringen van de getuigen. Aldus is het hof van oordeel dat de procedure, mede gelet op de door de Hoge Raad genoemde en in dat kader te hanteren gezichtspunten, in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er voldoende bewijs in het dossier aanwezig is om vast te stellen dat de verdachte ook de schutter is geweest. Anders dan de raadsman, maar met de advocaat-generaal en in navolging van de rechtbank, is het hof van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het hof grondt dit oordeel op het geheel aan de in de bewijsmiddelen vervatte redengevende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, en het hof overweegt – andermaal deels met de rechtbank – in dat verband het volgende.
Op camerabeelden van ruim een uur voor het incident zijn de voornoemde Opel Corsa en
twee mannen te zien op een parkeerplaats bij het perceel [adres 4] . Dit betreft een locatie op korte afstand van en met zicht op de [locatie] (de plek waar later het schietincident plaatsvindt). De mannen roken op de parkeerplaats naast de Opel sigaretten, waarna zij in de bestuurders- en bijrijdersstoel plaats nemen. Op de plaats waar blijkens de camerabeelden door de bijrijder vanuit de auto een sigarettenpeuk wordt weggegooid, zijn later twee sigarettenpeuken aangetroffen met daarop het DNA van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank - nadat hij is geconfronteerd met de aangetroffen sigarettenpeuken - verklaard dat hij een van de personen was die op 9 januari 2025 bij de [locatie] in Rosmalen waren. Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte voorts verklaard dat hij ook bij het schietincident aanwezig was ongeveer een uur later aan de [locatie] in Rosmalen .
De politie heeft in de woning van de verdachte een jas en schoenen aangetroffen. Deze kledingstukken zijn aan de hand van de camerabeelden vergeleken met de jas en de schoenen van de schutter (NN2). De politie relateert dat de jas en de schoenen die bij de verdachte thuis zijn aangetroffen kenmerken vertonen die overeenkomen met de jas en schoenen die door de bijrijder (NN02) worden gedragen. Door de politie wordt gerelateerd dat onder meer de logo’s en de capuchon van beide jassen sterke overeenkomsten vertonen. Ook komt de kleur van de zolen van de schoenen en het reflecterende element op de schoenen overeen. De politie heeft voorts geconstateerd dat er modder zat op de in de woning van de verdachte aangetroffen schoenen. De modder zat aan de rechterzijde. Uit het dossier volgt dat op de plek waar de schutter de aangever achterna is gerend vanaf de parkeerplaats naar de hoek van de straat ter hoogte van [adres 3] , zich een grasstrook bevindt. Blijkens de camerabeelden is de schutter over het gras achter aangever [slachtoffer] aangerend. De onder de verdachte aangetroffen jas is bovendien beschadigd op rechter heuphoogte. Dit komt overeen met de plaats waar beschadiging te verwachten is bij een val op de rechter zij, zoals, blijkens de camerabeelden, bij NN02 gebeurt, zulks nadat hij voor de tweede maal een schot in de richting van aangever [slachtoffer] heeft gelost. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat zijn jas is beschadigd door een val met een motor. Het hof acht deze verklaring onaannemelijk. De verdachte is immers op geen enkel moment gedurende de procedure in staat of gewillig gebleken om deze verklaring op enigerlei wijze nader te concretiseren of te onderbouwen. Ook niet na daartoe bij de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep expliciet te zijn bevraagd. Ter zitting bij het hof heeft de verdachte verklaard zelf geen motor of motorrijbewijs te hebben. Op basis van het voorgaande komt het hof, met de rechtbank, tot het oordeel dat de persoon die in het dossier wordt aangeduid als NN02 de verdachte is en dat hij derhalve de schutter is geweest.
Het verweer van de raadsman, inhoudende dat aan de hand van de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat persoon NN2 de schutter is geweest, omdat aangever [slachtoffer] en de drie achtervolgers, waaronder NN2, op enig moment achter het gebouw uit beeld verdwijnen en derhalve niet kan worden vastgesteld dat de bijrijder constant als eerste persoon achter [slachtoffer] is aangerend, vindt naar het oordeel van het hof zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de bijrijder als eerste de Opel verlaat en achter aangever [slachtoffer] aanrent. Het hof heeft op de camerabeelden waargenomen dat de bijrijder, na de aangever, als eerste achter het gebouwtje uit beeld verdwijnt. Uit de beschrijving van de camerabeelden afkomstig van de woning aan [adres 5] (bewijsmiddel 10) komt naar voren dat de eerste achtervolger (man 2), direct achter [slachtoffer] aanrent en zijn arm strekt in de richting van [slachtoffer] , kort daarna volgen de twee andere mannen. Hieruit volgt dat de bijrijder (NN2) onafgebroken als eerste persoon achter [slachtoffer] is aangerend. Het hof heeft reeds vastgesteld dat dit de verdachte betreft.
Anders dan de raadsman, is het hof voorts van oordeel dat de verdachte, met het tweemaal schieten in de richting van aangever [slachtoffer] minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op diens dood. Het hof overweegt daartoe het volgende.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in het onderhavige geval de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat de verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop heeft toegenomen. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Door tweemaal met een vuurwapen in de richting van aangever [slachtoffer] te schieten, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever hierbij dodelijk zou raken. Naar algemene ervaringsregels roept het op korte afstand en rennend schieten met gestrekte arm en derhalve op gelijke hoogte van het bovenlichaam immers de aanmerkelijke kans, dat wil zeggen een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid, in het leven dat die ander daardoor in het bovenlichaam of het hoofd wordt geraakt en aldus komt te overlijden. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat het bovenlichaam en het hoofd kwetsbare lichaamsdelen betreft, met daarin vitale onderdelen, zoals de hersenen en bloedvaten.
Nu het algemene ervaringsregels betreft, heeft eenieder - en dus ook verdachte - wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het op voormelde wijze tweemaal schieten in de richting van aangever is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van diens dood, dat hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is het hof niet gebleken. Het hof acht derhalve poging tot doodslag bewezen.
Aldus falen de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het hof zal de verdachte evenwel vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen, nu uit het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden afgeleid of en zo ja op welke wijze sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de overige betrokkene(n), zodat naar het oordeel van het hof het bewijs voor medeplegen tekortschiet.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en dat daarnaast aan de verdachte wordt opgelegd een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof zal volstaan met de oplegging van jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en dat het hof daarnaast geen PIJ-maatregel zal opleggen, maar de ambulante behandeling van de verdachte zal vormgeven, middels bijzondere voorwaarden, te verbinden aan het voorwaardelijke strafdeel, al dan niet in combinatie met een taakstraf.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 9 januari 2025 te Rosmalen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. De verdachte heeft tweemaal met een vuurwapen in de richting van aangever [slachtoffer] geschoten. Het feit dat aangever [slachtoffer] daarbij niet dodelijk is geraakt, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte is te danken, maar aan de aangever die zich onmiddellijk uit de voeten heeft gemaakt en aldus aan de verdachte heeft weten te ontkomen. Poging tot doodslag behoort tot een van de meest ernstige strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht en het hof acht dergelijk potentieel dodelijk vuurwapengeweld, mede gelet op de destijds jonge leeftijd van de verdachte, buitengewoon zorgwekkend. Feiten als het onderhavige leiden voorts tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Daarbij komt dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep voor het hof niet duidelijk is geworden waarom de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 april 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk wegens strafbare feiten is veroordeeld, zij het evenwel wegens andersoortige feiten, met name verkeersfeiten, zodat het hof met deze omstandigheid niet in strafverzwarende zin rekening zal houden.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dat verband naar voren gebracht dat hij in detentie agressie en emotie regulatietherapie volgt, waar hij naar eigen zeggen gebaat bij is.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Bij het bepalen van deze straf heeft het hof meegewogen, zoals hierna nader zal worden overwogen, dat aan de verdachte niet de PIJ-maatregel wordt opgelegd, maar dat het hof aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden zal verbinden, teneinde op die manier de - door het hof noodzakelijk geachte - behandeling van de verdachte vorm te geven.
In afwijking van het eerdere oordeel van de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal, zal het hof afzien van de oplegging van de PIJ-maatregel. Het hof heeft zich gebogen over de vraag of de oplegging van de PIJ-maatregel in onderhavige zaak aangewezen is. Hoewel uit de beschikbare rapportages, waaronder het Psychiatrisch en psychologisch onderzoek d.d. 1 juli 2025, volgt dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat, ziet het hof in de omstandigheden van het geval onvoldoende aanleiding om thans de PIJ-maatregel op te leggen.
Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte een relatief beperkte justitiële documentatie heeft, in die zin dat hij voorafgaand aan onderhavige verdenking, op een enkele veroordeling wegens de Opiumwet en verkeersfeiten na, niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Daarbij komt dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde bijna de leeftijd van achttien jaren had bereikt en derhalve ten tijde van het delict bijna en inmiddels meerderjarig is, hetgeen maakt dat de oplegging van de pedagogisch ingestoken PIJ-maatregel minder voor de hand ligt, dan ten tijde van zijn minderjarigheid het geval zou zijn geweest.
Voorts betrekt het hof in zijn oordeel dat de verdachte te kennen heeft gegeven niet te willen meewerken aan een gedwongen behandeling in het kader van een PIJ-maatregel. Hoewel een gebrek aan behandelmotivatie op zichzelf niet zonder meer aan de oplegging van een PIJ-maatregel in de weg staat, acht het hof het in dit geval onvoldoende aannemelijk dat een gedwongen behandeltraject in het kader van de PIJ-maatregel tot het gewenste resultaat zal leiden, mede gelet op de aard van de bij de verdachte vastgestelde stoornis en hetgeen overigens omtrent diens persoon uit de rapportages van de deskundigen naar voren is gekomen.
Het hof acht het evenwel van belang dat de behandeling en begeleiding van de verdachte op een andere wijze wordt vormgegeven. Uit het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte thans in detentie therapie volgt op het gebied van emotieregulatie en agressiebeheersing. Het hof acht het, ter voorkoming van toekomstige recidive, wenselijk en geboden dat de behandeling en begeleiding van de verdachte na zijn detentie wordt voortgezet. Ter zitting heeft de verdachte te kennen gegeven aan een behandeling in een ambulante setting te willen meewerken. Om die reden acht het hof termen aanwezig om aan het voorwaardelijke strafdeel de in het dictum nader te noemen bijzondere voorwaarden te verbinden, zodat op die wijze een juridisch kader wordt gecreëerd, waarbinnen de verdere ambulante behandeling en begeleiding van de verdachte kan plaatsvinden, zulks onder het toezicht van de reclassering.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissementsparket Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 26 september 2024 onder parketnummer 13-171997-24. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal en de raadsman hebben, gevorderd respectievelijk bepleit, dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen, omdat de tenuitvoerlegging niet opportuun geacht moet worden.
Hoewel de verdachte zich voor het einde van de gestelde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, zal het hof – in lijn met de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman – de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen, nu de tenuitvoerlegging daarvan, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, niet opportuun moet worden geacht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
24 (vierentwintig) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
6 (zes) maanden,niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich binnen 5 werkdagen na het onherroepelijk worden van dit arrest meldt bij de reclassering in het arrondissement Amsterdam. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt;
- meewerkt aan diagnostiek en zich ambulant laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij de behandeling (in ieder geval) gericht dient te zijn op emotie- en/of agressieregulatie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
geeft opdracht dat de Jeugdbescherming Regio Amsterdam toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 16 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Pelsser voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.