Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1628

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
20-002256-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in diefstalzaak met vrijspraak en veroordeling tot gevangenisstraf

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter heeft het hof het eerste tenlastegelegde feit, diefstal uit een voertuig, niet bewezen geacht en de verdachte daarvan vrijgesproken. Het bewijs, waaronder DNA-sporen en getuigenverklaringen, was onvoldoende overtuigend om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte de dader was.

Voor het tweede tenlastegelegde feit, diefstal van een tas met sportspullen en een armband, heeft het hof het tenlastegelegde bewezen verklaard. Dit werd onderbouwd met camerabeelden waarop verdachte zichtbaar was en zijn eigen bekentenis dat hij de goederen wilde retourneren. Het verweer dat hij de goederen van een vriend had ontvangen werd verworpen.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest. Tevens werd de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf met één jaar verlengd. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, het justitiële verleden en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder psychiatrische problematiek en verslaving.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze uitkomst.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van de eerste diefstal en veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf voor de tweede diefstal met verlenging van de proeftijd.

Uitspraak

Gezien

Parketnummer : 20-002256-25
Uitspraak : 23 juni 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 augustus 2025, parketnummer 03-189469-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 03-000760-24, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
  • diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak (feit 1);
  • diefstal (feit 2 primair)
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts is de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden bevolen, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 2 september 2024 onder parketnummer 03-000760-24.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
Namens de verdachte is vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te Sittard, althans in Nederland, een tas met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2.
hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2025 tot en met 12 juni 2025 te Roermond, althans in Nederland, een tas met sportspullen en/of een armband, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 juni 2025 te Roermond, althans in Nederland, een tas met sportspullen, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van feit 1
Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal, maar met de verdediging, is het hof van oordeel dat het bewijs tekortschiet dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Aangever [aangever 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat zijn sporttas op 26 mei 2025 uit zijn voertuig is ontvreemd. In de auto van aangever werd een schroevendraaier aangetroffen, die niet aan aangever toebehoorde. Uit het daaropvolgende DNA-onderzoek aan het sporenmateriaal op de schroevendraaier is gebleken van een DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren, van wie zeker één man, Uit het DNA-mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid waarvan de verdachte de mogelijke donor van het DNA is. Ter terechtzitting in eerste aanleg op 25 augustus 2025 heeft de verdachte verklaard dat hij niet de dader is van de auto-inbraak in Sittard en dat de schroevendraaier waarop DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met zijn DNA, wel door hem is gebruikt maar in een heel ander verband, namelijk voor het ophangen van een spiegel bij Moveoo. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 26 mei 2025 glasgerinkel hoorde en vervolgens een man bij een voertuig zag staan. De getuige nam waar dat deze man in het voertuig bukte, naar zijn oordeel met het oogmerk aldaar goederen weg te nemen. De door de getuige gegeven beschrijving van de betreffende persoon is evenwel zo algemeen van aard dat deze niet zonder meer de gevolgtrekking toelaat dat het de verdachte betrof. Ten slotte heeft de verdachte verklaard dat hij op het moment van de diefstal bij [getuige 2] in Weert verbleef, welke verklaring door [getuige 2] is bevestigd door middel van een schriftelijke getuigenverklaring. Het hof is van oordeel dat in het licht van het voorgaande het voorhanden bewijs onvoldoende overtuigingskracht heeft om wettig en overtuigend vast te stellen dat de verdachte degene is geweest die het voertuig heeft opengebroken en de tas heeft ontvreemd.
Het hof is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde inbraak in het voertuig, zodat het hof de verdachte derhalve zal vrijspreken van hetgeen hem onder 1 is tenlastegelegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.primair
hij in de periode van 10 juni 2025 tot en met 12 juni 2025 te Roermond, een tas met sportspullen en een armband, die aan [aangever 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde feit bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte wetenschap had van de diefstal van de goederen, en dat hij deze goederen – tezamen met de bijbehorende aankoopbewijzen – heeft ontvangen van een vriend die de goederen had gestolen, met het oogmerk deze te retourneren bij [winkel] en op die wijze geld te verkrijgen.
Het hof overweegt als volgt ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde feit.
Aangever heeft verklaard dat hij op 10 juni 2025 zijn voertuig heeft geparkeerd aan de zijkant van zijn woning, in het eerste parkeervak gelegen aan de [straatnaam 1] . De buren van aangever beschikken over een camerasysteem, dat zicht heeft op de [straatnaam 2] waar aangever, zo volgt uit het proces-verbaal van aangifte, woont. Op de camerabeelden van 11 juni 2025 om 04:44 uur ’s-middags is een persoon zichtbaar in de [straatnaam 2] die aan de portieren van voertuigen voelt, alsmede een tas van [winkel] vasthoudt, welke tas en de zich daarin bevindende goederen toebehoorden aan aangever en uit diens voertuig werden ontvreemd. Ter terechtzitting in eerste aanleg op 25 augustus 2025 heeft de verdachte verklaard de persoon te zijn die op voornoemde camerabeelden zichtbaar is. Na kennisneming van de diefstal heeft aangever contact opgenomen met [winkel] – waar aangever de gestolen goederen had gekocht – teneinde het winkelpersoneel te attenderen op de mogelijkheid dat de verdachte de goederen aldaar zou proberen te retourneren. Op 12 juni 2025 heeft de verdachte zich bij de winkel gemeld met als doel de goederen te retourneren, waarbij hij in het bezit was van dezelfde tas die eerder op de camerabeelden van 11 juni 2025 zichtbaar was. Gelet op de bekentenis van de verdachte dat hij de persoon is die waarneembaar is op de camerabeelden van 11 juni 2025, alsmede zijn erkenning dat hij zich naar de winkel is gegaan om de goederen in te leveren, is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. In dat verband heeft het hof verder overwogen dat de verklaring van de verdachte dat een vriend van hem de goederen heeft gestolen, op geen enkele wijze steun vindt in het dossier en ook overigens niet aannemelijk is geworden.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om bij een eventuele veroordeling niet een hogere gevangenisstraf op te leggen dan de gevangenisstraf van 3 maanden die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 februari 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een vermogensdelict.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent naar voren gekomen dat de verdachte kampt met omvangrijke psychiatrische problematiek. Daarnaast is de verdachte verslaafd aan verdovende middelen.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof zal een lagere straf opleggen dan gevorderd door de advocaat-generaal nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Het hof is ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie te Limburg van 22 juni 2025, tot gedeeltelijke tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de rechtbank te Limburg van 2 september 2024 onder parketnummer 03-000760-24 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, van oordeel, dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar moet worden verlengd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geld.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van 2
(twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de rechtbank Limburg van 2 september 2024 parketnummer 03-000760-24, met een termijn van 1 (één) jaar.
Aldus gewezen door:
mr. S. Riemens, voorzitter,
mr. J.C. Gillesse en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.E. Joosen, griffier,
en op 23 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.