ECLI:NL:GHSHE:2026:1626

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
20-001400-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Integrale vrijspraak wegens ontoerekeningsvatbaarheid bij brandstichting

Op 2 december 2023 ontstond brand in het appartement van verdachte te Breda. Verdachte werd aanvankelijk veroordeeld door de politierechter voor opzettelijke brandstichting met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en verdachte integraal vrijgesproken.

Het hof baseerde zich op de verklaringen van verdachte, die aannemelijk maakten dat het incident een ongeluk was zonder gebruik van brandbare stoffen zoals deodorant. Er was geen technisch brandonderzoek verricht en het opsporingsonderzoek was summier, waardoor onvoldoende bewijs was voor opzet.

Daarnaast werd vastgesteld dat verdachte leed aan schizofrenie en ten tijde van het incident psychotisch en volledig ontoerekeningsvatbaar was. Deskundigen bevestigden dat verdachte de risico’s van zijn handelen niet kon overzien. Hierdoor kon geen verwijt worden gemaakt en werd ook het subsidiair tenlastegelegde, brand door schuld, verworpen.

Het hof heeft het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke straf opgeheven en verklaarde verdachte vrij van alle tenlasteleggingen.

Uitkomst: Verdachte wordt integraal vrijgesproken wegens ontoerekeningsvatbaarheid en gebrek aan bewijs voor opzet of schuld.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001400-24
Uitspraak : 17 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-057556-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
blijkens de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 23 februari 2026 sedert 26 januari 2024 ingeschreven te [adres 1] ,
blijkens opgave van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep thans verblijvende te [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze voorwaardelijke straf heeft de politierechter naast algemene voorwaarden tevens bijzondere voorwaarden verbonden, zijnde een meldplicht bij de verslavingsreclassering van [verslavingskliniek] , een ambulante behandelverplichting door [GGZ] of een soortgelijke zorgverlener (met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname) en het verlenen van medewerking aan psychodiagnostisch onderzoek, waarbij aan de reclassering de opdracht is gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. De politierechter heeft bevolen dat de voormelde bijzondere voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde en subsidiair gevorderd dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde en de verdachte ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde zal ontslaan van alle rechtsvervolging.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte bij een bewezenverklaring zal ontslaan van alle rechtsvervolging zonder oplegging van enige maatregel. De verdediging heeft te kennen gegeven dat tevens aansluiting kan worden gezocht bij het requisitoir van de advocaat-generaal voor wat betreft de gevorderde vrijspraak ter zake van het subsidiair tenlastegelegde.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 2 december 2023 te Breda ( [adres 3] ) opzettelijk brand heeft gesticht in een aldaar gelegen (gedeelte van een) woning en/of pand ( [adres 3] ) door een waxinelichtje aan te steken en/of dat waxinelichtje op een bank, althans een meubelstuk, te leggen en/of te plaatsen en/of vervolgens/daarbij een hoeveelheid deodorant, althans een hoeveelheid brandbare en/of ontvlambare (vloei-)stof, te spuiten naar/op, althans in de richting van, dat brandend waxinelichtje, althans die deodorant, althans een hoeveelheid brandbare en/of ontvlambare vloeistof, in aanraking te brengen met dat brandend waxinelichtje, althans in elk geval open vuur in aanraking te brengen met die deodorant, althans een hoeveelheid brandbare en/of ontvlambare (vloei)stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten die bank en/of dat meubelstuk en/of een of meerdere andere voorwerpen en/of delen van die woning en/of dat pand, te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 december 2023 te Breda ( [adres 3] ) grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam in een aldaar gelegen (gedeelte van een) woning en/of pand ( [adres 3] ) een waxinelichtje heeft aangestoken en/of dat waxinelichtje op een bank, althans een meubelstuk, heeft gelegd en/of geplaatst en/of vervolgens/daarbij een hoeveelheid deodorant, althans een hoeveelheid brandbare en/of ontvlambare vloeistof, heeft gespoten naar/op, althans in de richting van, dat brandend waxinelichtje, althans die deodorant, althans een hoeveelheid brandbare en/of ontvlambare (vloei)stof, in aanraking heeft gebracht met dat brandend waxinelichtje, althans in elk geval open vuur in aanraking heeft gebracht met die deodorant, althans een hoeveelheid brandbare en/of ontvlambare (vloei)stof, (mede) ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat die bank en/of dat meubelstuk en/of een of meerdere andere voorwerpen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval, dat er brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor die bank en/of dat meubelstuk en/of een of meerdere andere voorwerpen en/of delen van die woning en/of dat pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, ontstond.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Integrale vrijspraak
Primair tenlastegelegde (opzettelijke brandstichting)
Het hof stelt op grond van het procesdossier vast dat er op 2 december 2023 een brand heeft gewoed in een appartement in [adres 3] (
toevoeging hof: de woning die de verdachte huurde). [naam 1] heeft vervolgens aangifte gedaan van brandstichting. Uit de fotobladen blijkt dat het appartement voor een groot deel is beschadigd en de brand aanzienlijke schade teweeg heeft gebracht. Op het moment dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse kwamen, troffen zij de verdachte aan op het grasveld voor de woning.
Over de mogelijke toedracht van de brand zijn in het procesdossier wisselende lezingen weergegeven, die op essentiële punten uiteenlopen. Verbalisant [verbalisant 1] trof de verdachte ter plaatse aan en uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verdachte tegen hem zou hebben verteld dat hij last had van vlooien in zijn bank en dat hij de vlooien weg wilde krijgen met azijn en een waxinelichtje. De verdachte zou voorts tegen verbalisant [verbalisant 1] hebben verteld dat hij het waxinelichtje op de bank had gezet, de bank met deodorant had bespoten en dat het ‘best kon’ dat dit vlam had gevat en dat de bank daardoor was gaan branden.
Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte echter een wezenlijk andere verklaring afgelegd. Ten overstaan van de politierechter heeft de verdachte verklaard dat hij last had van schimmel en dat hij parasieten wilde bestrijden. De verdachte had daarom water, azijn en een waxinelichtje op een glazen salontafel met een dolfijn neergezet. De salontafel bevond zich op ongeveer een meter afstand van de bank. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij niet wist dat als dit overloopt, het naar boven spuugt en op de bank kon komen. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij last had van schimmel en dat hij de geur en insecten wilde bestrijden. Na een zoekslag op het internet had de verdachte lavendel en azijn in een aluminium bakje gedaan en daarop had hij een waxinelichtje gelegd. De verdachte had dit op de salontafel met de dolfijn gezet, die zich aan de linkerzijde van de bank bevond. Vervolgens werd de wax warm, liep de wax over uit het bakje op de lavendel en de azijn en onderstond er een vuurbal die omhoogkwam en op de bank terechtkwam. De verdachte heeft ten overstaan van het hof stellig ontkend dat hij op enig moment met deodorant heeft gespoten en hij heeft benadrukt dat het incident een ongeluk is geweest.
Voor wat betreft de vaststelling van de feiten en omstandigheden neemt het hof de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep als uitgangspunt. Het hof acht de verklaringen van de verdachte aannemelijk. In lijn met deze verklaringen gaat het hof ervan uit dat de verdachte geen deodorant (of een andere brandbare/ontvlambare (vloei-)stof) heeft gespoten in de richting van het brandend waxinelichtje, in aanraking heeft gebracht met het brandend waxinelichtje of in aanraking heeft gebracht met open vuur.
Het hof is van oordeel dat niet kan worden aangesloten bij de weergave van de verbalisanten, zoals is opgenomen in de processen-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . De verdachte heeft zijn verhaal immers vrijwel direct na het incident aan hen verteld, toen hij mogelijk hoog in zijn emoties zat en in verwarde toestand verkeerde. De verdachte is vervolgens ook niet uitgenodigd voor een regulier verhoor bij de politie waar deze informatie kon worden geverifieerd. Daarnaast is er geen (technisch) brandonderzoek verricht op grond waarvan de oorzaak van de brand zou kunnen worden vastgesteld en zou kunnen worden geconstateerd of er brandbare stoffen in de woning van de verdachte aanwezig waren. Ook overigens zijn geen bewijsmiddelen aanwezig die betrekking hebben op, dan wel dienstig kunnen zijn bij de vaststelling van, de oorzaak van de desbetreffende brand. Al met al is naar het hof sprake geweest van een vrij summier opsporingsonderzoek, hetgeen beperkingen oplevert bij de beoordeling van het aan de verdachte gemaakte verwijt zoals in de tenlastelegging verwoord.
Juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring van opzettelijke brandstichting te komen, is vereist dat vast komt te staan dat het opzet van de verdachte op die brandstichting gericht is geweest en dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Met betrekking tot het opzet op de brandstichting stelt het hof voorop dat het opzet enkel gericht hoeft te zijn op de brandstichting en niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen daarvan (
hof: gemeen gevaar voor goederen). Bij de beantwoording van de vraag of uit de handelwijze van de verdachte voorwaardelijk opzet op brandstichting kan worden afgeleid, moet het gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarnaast dient de verdachte wetenschap te hebben van die kans en dient hij die kans ten tijde van de gedraging bewust te hebben aanvaard.
Het hof is met de verdediging en de advocaat-generaal, gelet op de inhoud van de verklaringen van de verdachte en het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte opzet heeft gehad op de brandstichting, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte heeft met klem ontkend dat hij met deodorant of een andere brandbare of ontvlambare (vloei-)stof heeft gespoten op het waxinelichtje of het daarmee in aanraking heeft gebracht, welke verklaring het hof aannemelijk acht. Ook overigens bevat het procesdossier voor dat verwijt onvoldoende aanknopingspunten. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Subsidiair tenlastegelegde (brand door schuld)
Subsidiair is aan de verdachte brand door schuld tenlastegelegd. ‘Schuld’ aan brand is meer dan alleen het veroorzaken of toelaten dat de brand op enigerlei wijze ontstaat. Schuld omvat ook een verwijt: de verdachte had anders, beter, kunnen handelen en hij had anders moeten handelen. Een dergelijk verwijt, dat een normatief karakter heeft, kan niet gemaakt worden wanneer de verdachte door een psychische stoornis tot zijn daad is gekomen en hij voor dat handelen volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.
De verdachte is in het kader van de onderhavige strafzaak onderzocht door GZ-psycholoog [psycholoog] en psychiater [psychiater] . Naar aanleiding van dit onderzoek hebben beiden een rapport opgesteld.
Uit de rapportage van GZ-psycholoog [psycholoog] d.d. 25 oktober 2025 blijkt dat de verdachte lijdt aan schizofrenie, in combinatie met een stoornis in het gebruik van cannabis en mogelijk van N-ethylpentylone. De verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde psychotisch en het contact met de realiteit was ernstig verstoord. Gezien de problematiek van de verdachte is het zeer aannemelijk dat hij erg impulsief en angstig was en dat hij de gevolgen of de risico’s van zijn handelen niet heeft kunnen overzien of voorzien. De deskundige adviseert om het tenlastegelegde feit niet toe te rekenen aan de verdachte.
Het rapport van psychiater [psychiater] d.d. 31 oktober 2025 vermeldt onder meer dat bij de verdachte sprake is van een ernstig chronische psychotische stoornis met infestatiewanen, grootheidsideeën en paranoïde wanen in het kader van schizofrenie. Daarnaast is er bij de verdachte sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis, van lichte ernst. Voorts blijkt uit het rapport dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit psychotisch was en volledig in de ban was van zijn infestatiewaan. Daarnaast was de verdachte door zijn oordeel- en kritiekstoornissen en incoherentie niet goed in staat de risico’s van de situatie goed in te schatten en zijn gedrag te organiseren, waardoor hij geen zicht op en/of de beschikking over gedragsalternatieven had. De deskundige adviseert om het tenlastegelegde feit niet toe te rekenen aan de verdachte.
GZ-psycholoog [psycholoog] en psychiater [psychiater] zijn ter terechtzitting in hoger beroep als deskundigen gehoord. Bij deze gelegenheid hebben [psycholoog] en [psychiater] hun advies in het kader van het eerder door hen verricht gedragskundig onderzoek toegelicht en bevestigd.
Het hof neemt hetgeen de deskundigen in de Pro Justitia rapportages en de daarop gegeven toelichting ter zitting omtrent de verdachte hebben bevonden over en stelt op basis van die bevindingen vast dat er sprake is van een psychische stoornis bij de verdachte als hiervoor omschreven. Ook voor wat betreft de toerekenbaarheid volgt het hof de adviezen van de psycholoog en de psychiater en neemt deze over.
Dientengevolge is het hof, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het tenlastegelegde. Derhalve kan de verdachte geen verwijt worden gemaakt en kan niet worden gesteld dat hij grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam heeft gehandeld. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het subsidiair tenlastegelegde.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Bij vonnis van 14 mei 2024 heeft de politierechter aan de voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden verbonden. De politierechter heeft bevolen dat de bijzondere voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Het hof zal dit bevel, strekkende tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het door de reclassering uit te oefenen toezicht, opheffen, nu het hof de verdachte integraal vrijspreekt van het tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het door de politierechter gegeven bevel strekkende tot dadelijke uitvoerbaarverklaring van de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het door de reclassering uit te oefenen toezicht.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. R de Bree, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem, griffier,
en op 17 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.