Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1625

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
20-002420-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak mishandeling levensgezel wegens onvoldoende bewijs

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis vernietigd en verdachte vrijgesproken van mishandeling van zijn levensgezel. De politierechter had verdachte veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft het bewijs onderzocht en vastgesteld dat de verklaringen van de aangeefster wisselend en gerelativeerd waren, waarbij zij aangaf uit woede aangifte te hebben gedaan en haar eerdere verklaringen wilde intrekken. De verklaringen van verdachte waren consistent en geloofwaardig, en de feiten wezen niet overtuigend op mishandeling.

Het hof concludeerde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte opzettelijk pijn of letsel had toegebracht. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde mishandeling.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijswaardering en het ontbreken van voldoende bewijs voor een veroordeling in strafzaken.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van mishandeling wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002420-24
Uitspraak : 23 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-186861-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1983,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als: ‘mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, volgens de maatstaf van 2 uren per dag, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft aan het voorwaardelijk strafdeel naast de algemene voorwaarde ook bijzondere voorwaarden verbonden.
Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 juni 2024 te [pleegplaats] , althans in Nederland, zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door die [aangeefster]
- bij de keel te pakken en daar vervolgens in te knijpen, en/of
- te duwen tegen het lichaam.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt ten aanzien van het tenlastegelegde, anders dan de advocaat-generaal en in navolging van het standpunt van de verdediging, dat op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte aangeefster heeft mishandeld.
Aangeefster heeft wisselend verklaard: na haar aangifte heeft zij ten overstaan van de raadsheer-commissaris haar verklaring vergaand gerelativeerd. Uit de verklaring van aangeefster bij de raadsheer-commissaris volgt dat zij uit woede aangifte heeft gedaan van mishandeling om verdachte erbij te lappen. Aangeefster vertelt dat zij niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard en de aangifte wil intrekken. Aangeefster en de verdachte hadden ruzie over de betrokkenheid van Veilig Thuis. Aangeefster heeft de verdachte geduwd en geslagen, waarna de verdachte haar heeft geduwd. In tegenstelling tot wat zij bij de politie heeft verklaard, verklaart aangeefster dat de verdachte haar niet bij haar keel heeft vastgepakt.
De verklaringen van de verdachte bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep over de toedracht van het incident zijn naar het oordeel van het hof consistent, coherent en authentiek. De verdachte heeft – in de kern – verklaard dat hij in een hevige discussie was met aangeefster over de betrokken instanties en dat zij in zijn persoonlijke ruimte stond, wijzend met haar vinger in zijn gezicht. Vervolgens heeft de verdachte aangeefster van hem afgeduwd. Het hof acht de verklaringen van de verdachte geloofwaardig en stelt vast dat de verklaringen van de verdachte en de verklaring van aangeefster bij de raadsheer-commissaris in hoge mate op elkaar aansluiten met betrekking tot de gang van zaken tijdens het incident van 6 juni 2024.
Het hof is van oordeel dat – hoewel de verdachte aangeefster van zich af heeft geduwd – niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. In het licht van het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn of letsel bij aangeefster, zodat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. K.J. van Dijk, voorzitter,
mr. S. Riemens en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K. Holleman, griffier,
en op 23 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.