ECLI:NL:GHSHE:2026:161

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
20-003295-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag door aanrijding van een scooterrijder met een personenauto

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De verdachte is beschuldigd van poging tot doodslag door als bestuurder van een Ford Focus een scooterrijder aan te rijden. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, en een rijontzegging van 12 maanden. De benadeelde partij, de scooterrijder, had een schadevergoeding geëist van in totaal € 11.947,01, maar de rechtbank had deze vordering gedeeltelijk toegewezen. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis zou bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit, maar het hof heeft de verklaring van de benadeelde partij als betrouwbaar aangemerkt. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk de scooterrijder heeft aangereden, waarbij de kans op de dood van de scooterrijder aanmerkelijk was. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.071,50, bestaande uit materiële en immateriële schade, en heeft de verdachte veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Tevens is de voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Parketnummer : 20-003295-23
Uitspraak : 21 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-099070-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het aan de verdachte tenlastegelegde feit bewezenverklaard en gekwalificeerd als ‘poging tot doodslag’ en aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.812,50, bestaande uit € 312,50 aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 aan vergoeding van immateriële schade, en voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Tevens is de verdachte veroordeeld in de gemaakte en nog te maken kosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal toewijzen tot een bedrag van € 9.071,50 en voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.
De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak van het aan de verdachte tenlastegelegde feit bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de raadsman verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren of, subsidiair, om (ten aanzien van deze vordering) te beslissen conform het vonnis waarvan beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met aanvulling en verbetering van de gronden, behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. In zoverre wordt het vonnis vernietigd.
Het hof zal, mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, zoals opgenomen in het vonnis waarvan beroep, verbeteren en aanvullen. Omwille van de leesbaarheid zal het hof deze bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen in het geheel vervangen. Bijgevolg komt de bewezenverklaring door de eerste rechter uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs. Dit laat onverlet dat het hof zich in belangrijke mate kan vinden in de bewijsvoering van de rechtbank. Tot slot vult het hof de in het vonnis opgenomen toepasselijke wettelijke artikelen aan met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
In hetgeen de raadsman in hoger beroep met betrekking tot de bij een veroordeling aan de verdachte op te leggen straf heeft aangevoerd, ziet het hof geen reden om aan de verdachte een andersoortige of lichtere straf op te leggen dan de door de rechtbank opgelegde straf. Datzelfde geldt voor de inhoud van het in het dossier gevoegde e-mailbericht d.d. 18 december 2025 van reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker] , waaruit volgt dat het reclasseringstoezicht goed verloopt, de verdachte zijn afspraken nakomt en er geen aanwijzingen zijn voor recidive.
Wel stelt het hof vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in hoger beroep met ruim zes weken is overschreden. Immers, namens de verdachte is op 6 december 2023 appel ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep, terwijl de einduitspraak van het hof dateert van 21 januari 2026. Hoewel het hof constateert dat deze overschrijding van de redelijke termijn niet aan de verdediging is te wijten, stelt het hof ook vast dat deze overschrijding gering is. Gelet hierop, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden en zullen daaraan geen verdere strafmatigende consequenties worden verbonden.
De bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2023088797, gesloten d.d. 16 april 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 78). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 april 2023, pagina’s 40 tot en met 45, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
(p. 40)
Op 10 april 2023 werd aangever [benadeelde partij] aangereden terwijl hij op zijn scooter reed. Hij werd aangereden door de bestuurder van een Ford Focus, voorzien van het kenteken [kenteken] . Dit werd gemeld door een getuige bij de politiemeldkamer. Zie hiervoor onderstaande meldingstekst.
Naam melder: [getuige]
Datum: 10-04-2023
15:02u: Oproep aangenomen
15:03u: Roosendaal/Takspui; McDonald’s
15:03u: Auto rijdt een scooter omver
15:03u: Auto is ervandoor
15:03u: MTV
(het hof begrijpt: motorvoertuig met kenteken)[kenteken]
15:03u: Scooter is nog TP
(het hof begrijpt: ter plaatse)
(p. 41)
15:07u: RDW: Blauwe Ford Foicus (
het hof begrijpt: Focus) op naam van: [getuige 2] , geboren [geboortedatum getuige]
15:08u: De scooterrijder is zich aan het verstoppen
15:13u: Scooterrijder betreft [benadeelde partij] , geboren [geboortedatum benadeelde partij]
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2023, pagina’s 30 en 31, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
(p. 30)
Op 10 april 2023 kwam ik ter plaatse samen met verbalisant [verbalisant 4] . Ter plaatse zou een persoon op een scooter zijn aangereden door een personenauto. Toen wij verbalisanten ter plaatse kwamen bij de Mc Donalds, gevestigd op de Takspui, zagen wij [benadeelde partij] staan. Ik zag dat de kleding van [benadeelde partij] beschadigd was en ik zag dat hij mank liep. Ik hoorde dat hij zei dat hij pijn had. Ik zag dat er naast hem een beschadigde scooter stond. Ik zag dat er diverse personen om hem heen stonden. Ik hoorde dat [benadeelde partij] zei dat hij net opzettelijk was aangereden door iemand genaamd [verdachte] . Dit is iemand die hij uit zijn jeugd kent vanuit woonwijk de [woonwijk] . Ik hoorde dat [benadeelde partij] zei dat hij op weg was met zijn scooter en ter hoogte van de McDonald’s zag dat [verdachte] daar in de buurt was in een auto, Ford, blauw van kleur. Ik hoorde dat [benadeelde partij] zei dat [verdachte] hem voorbij reed met zijn auto en dat hij zelf met zijn scooter stil stond op het fietspad. Vervolgens draaide de auto om, reed het fietspad op en reed daar met hoge snelheid “over [benadeelde partij] heen”. Ik hoorde dat [benadeelde partij] zei dat hij voelde dat de auto over zijn arm heen reed.
Ik zag dat de melder, zijnde [getuige] , zich meldde. Ik hoorde dat hij zei dat hij zag dat [benadeelde partij] aangereden werd door een voertuig van het merk Ford. Hij zag dat de Ford recht op [benadeelde partij] af reed.
Vervolgens kwam [getuige 3] . Ik hoorde dat ze zei, dat zij ook gezien had dat [benadeelde partij] werd aangereden door voornoemde auto. Zij zag dat [benadeelde partij] met de scooter op het fietspad reed en dat er een auto kwam aangereden. Zij zag dat de auto omdraaide en vervolgens met volle vaart tegen [benadeelde partij] op de scooter aanreed. Zij hoorde een harde klap.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2023, pagina’s 27 tot en met 29, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
(p. 27)
Op 10 april 2023 omstreeks 15.00 uur kregen wij de opdracht om te gaan naar de Takspui, thv de McDonald’s in Roosendaal. Daar zag melder dat een scooterrijder aangereden was door een auto. De scooterrijder zou nu achterna gezeten worden door een Peugeot. Het slachtoffer belde ook in naar 112 en vertelde dat hij aangereden was.
Ter plaatse zag ik dat het slachtoffer [benadeelde partij] betrof. Hij vertelde dat hij aangerend (
het hof begrijpt: aangereden) was door een donkere Ford, de bestuurder was ene [verdachte] . [verdachte] kent hij van vroeger. Ik vroeg hoe [verdachte] met zijn achternaam heette. Hij zei dat hij hem op Facebook had. Ik zag dat [benadeelde partij] in zijn telefoon ging zoeken en hier het profiel van [verdachte] liet zien. Ik hoorde dat hij zei: “dit is [verdachte] ”.
4.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 april 2023, pagina 18, voor zover inhoudende als de verklaring van aangever [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum benadeelde partij] :
Plaats delict: Takspui, Roosendaal
Pleegdatum: 10 april 2023
Tijdstip aanvang verhoor: 10 april 2023 om 15:30 uur
Ik was vandaag met de scooter op weg naar huis. Toen ik ter hoogte van de McDonald’s was, zag ik dat er een blauwe Ford reed. Ik zag dat de bestuurder [verdachte] betrof. [verdachte] draaide zijn auto om en kwam achter mij aangereden. Ik reed op dat moment op het fietspad. Ik hoorde dat hij met vol gas op mij afreed en mij aanreed. Hij reed mij opzettelijk aan. Ik dacht dat hij mij dood zou rijden. [verdachte] ken ik van vroeger uit de wijk.
5.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 11 april 2023, pagina’s 19 tot en met 21, voor zover inhoudende als de verklaring van aangever [benadeelde partij] :
(p. 19)
Tijdstip aanvang verhoor: 11 april 2023 om 14:58 uur
Op 10 april 2023 was ik onderweg naar mijn moeder. Zij woont in [plaatsnaam] . Toen ik naar mijn moeder toe ging, reed ik langs de McDonald’s in Roosendaal.
V: Wat is er bij de McDonald’s gebeurd?
A: Ik zie iemand op mij af komen rijden van het fietspad. Ik heb toen geprobeerd om weg te komen. Ik ben toen over het gras en over het voetpad terug de weg op gereden. De auto deed hetzelfde. Ik heb toen in plaats van links te gaan rechtdoor gereden. Dit omdat ik anders bang was dat ik helemaal onder de auto terecht zou komen. Hier heb ik nog geprobeerd om de stoep op te komen. Op dat moment heeft de auto mij geraakt.
V: Wat voor auto was het?
A: Een blauwe Ford Focus.
V: Herkende je de bestuurder?
A: Ja.
(p. 20)
V: Waar herkende je de bestuurder van?
A: Hij heeft vroeger bij mij in de wijk gewoond. Ik ken hem gewoon van zien.
V: Wat is de naam van de bestuurder?
A: [verdachte] ofzo.
V: Hoe herkende je [verdachte] ?
A: Ik zag hem van dichtbij. Hij was kaal. Hij was herkenbaar.
Ik heb erg veel pijn en ook letsel aan dit voorval over gehouden. Ik had een scooter die ik geleend had van een vriend. Deze is helemaal totaal los. Ik heb letsel overgehouden aan mijn linker vingers. Mijn rechter arm is de auto overheen gereden. Daar zitten grote blauwe plekken op. Ik heb gekneusde ribben en pijn aan mijn rechtervoet. Ik heb last van mijn stuitje en last van mijn nek. Ik ben ook erg duizelig.
6.
Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris d.d. 7 januari 2025, voor zover inhoudende als de verklaring van [benadeelde partij] :
Raadsheer-commissaris: U heeft op 11 april 2023 aangifte gedaan tegen [verdachte] .
Raadsheer-commissaris: Op de beelden is te zien dat de blauwe Ford u eerst voorbijreed terwijl u op de stoep stond. Wat deed u daar?
Getuige: Die meneer was eerst bij het stoplicht rakelings voorbij gereden. Het begon niet bij de bocht van de McDonald’s. Het begon bij een stoplicht daarvoor. Hij vloog langs mij met een grote snelheid, waardoor ik schrok en ik was bang. Ik ging naar rechts het fietspad op. De auto was achter mij aangekomen. Ik stopte om te kijken wie er in die auto zat. Ik bleef daardoor stil staan, toen zag ik [verdachte] . [verdachte] is in dezelfde wijk opgegroeid, dus ik herken hem uit duizenden.
7.
Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL2000-2023088797-26 d.d. 15 april 2023, pagina’s 70 tot en met 72, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
(p. 70)
Ten behoeve van dit onderzoek bekeek ik de camerabeelden, die door McDonald’s, gevestigd aan het Takspui te Roosendaal, waren aangeleverd.
Ik zag dat het videofragment HCVR_ch25_main_20230410145810_20230410145859 voorzien was van een datum/tijdstempel waarop stond: 10-04-2023

Tijd: 14:58:19 uur

Ik zag op de camerabeelden dat het slachtoffer, zittend op een scooter, rechtsboven in beeld aan kwam rijden. Mij is ambtshalve bekend dat zich aldaar een fietspad bevindt. Ik zag dat de bestuurder van de scooter, later bleek aangever [benadeelde partij] , het voertuig tot stilstand bracht ter hoogte van de bocht in het Takspui, en van het voertuig afstapte.

Tijd 14:58:30 uur

Vanaf de linkerzijde in het beeld komt een donkerkleurige Ford Focus het beeld in rijden. Dit voertuig rijdt op dat moment in eerste instantie in de richting van het slachtoffer, die nog steeds nabij de scooter staat. Zichtbaar is dat de bestuurder van de Ford Focus op het moment dat hij ter hoogte van het slachtoffer rijdt een abrupte stuurbeweging maakt en verder rijdt richting de parkeerplaats aan het Takspui. Ter hoogte van de inrit van deze parkeerplaats keert de bestuurder van de Ford Focus en rijdt hij opnieuw richting het slachtoffer, dat op dat moment op zijn scooter
(p. 71)
stapt.
De bestuurder van de Ford Focus rijdt gericht in de richting van het slachtoffer, waarbij hij het voertuig het trottoir op stuurt richting het slachtoffer. Het slachtoffer rijdt hierop op zijn scooter weg van de Ford Focus, en steekt de weg over. Op het moment dat het slachtoffer dit doet, rijdt de Ford Focus nog steeds achter hem aan, waarna de bestuurder van de Ford Focus het slachtoffer, zittend op zijn scooter, van achter aanrijdt. Hierbij komt het slachtoffer ten val, en rijdt de bestuurder van de Ford Focus het voertuig het trottoir, en daarna het gras op, om hierna weer terug te sturen richting de weg. Hierna rijdt de Ford Focus het beeld uit.
8.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2023, pagina’s 15 en 16 van het aanvullend politiedossier, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op verzoek onderstaand aanvullende bevindingen met betrekking tot de camerabeelden, door mij eerder beschreven in dit dossier. Zie hiervoor het proces-verbaal van bevindingen met volgnummer 26.
Op de camerabeelden is duidelijk te zien dat de bestuurder van het voertuig, te weten een Ford Focus, het voertuig keert om met hoge snelheid richting het slachtoffer te rijden. Hierbij is zichtbaar dat het voertuig van de verdachte al slingerend en met hoge snelheid het trottoir op rijdt in de richting van het slachtoffer. Op het moment dat zichtbaar is dat het slachtoffer de doorgaande weg op rijdt om weg te komen van de aanstormende auto, is zichtbaar dat de bestuurder van de auto een scherpe stuurbeweging naar rechts maakt, om zo weer op de doorgaande weg terecht te komen. Hierbij is de snelheid nog steeds erg hoog en is duidelijk te zien dat de personenauto hevig hobbelend het trottoir af rijdt op zeer korte afstand van het slachtoffer. Het slachtoffer stuurt zijn scooter hierna richting het trottoir aan de overzijde van de weg, waarna zichtbaar is dat de personenauto met de rechter voorzijde tegen de achterzijde van de scooter aan rijdt. Zichtbaar is dat de scooterrijder direct ten val komt. Het lijkt erop dat de auto met het rechtervoorwiel over de scooter heen rijdt.
9.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 april 2023, pagina’s 50 tot en met 53, voor zover inhoudende als de verklaring van [getuige 2] :
(p. 50)
Dit verhoor is opgebouwd in de vraag- en antwoordconstructie. Hierbij worden de volgende afkortingen gebruikt:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verbalisant (
het hof begrijpt: getuige)
V: Sinds wanneer staat de auto, voorzien van het kenteken [kenteken] , op je naam? (17-09-2021)
A: Sinds een jaar.
V: Wie rijdt er nu in de in de auto, voorzien van het kenteken [kenteken] ?
A: Dat is [verdachte] .
(p. 51)
V: Waar is de auto nu?
A: Deze is bij [verdachte] .
V: Is jouw auto in gebruik bij [verdachte] ?
A: Ja.
V: Hoe lang is je auto al in gebruik bij [verdachte] ?
A: [verdachte] maakt ruim een half jaar gebruik van mijn auto.
A: Heeft hij nog steeds de beschikking over de auto?
A: Ja.
V: Wie rijdt er daadwerkelijk met de auto?
A: Dat is [verdachte] .
De bewijsoverwegingen
1.
De betrouwbaarheid van aangever [benadeelde partij]
Zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verklaring van aangever [benadeelde partij] dat hij de verdachte heeft herkend als de bestuurder van de Ford Focus met kenteken [kenteken] die betrokken was bij het bewezenverklaarde, niet betrouwbaar is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat op grond van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat [benadeelde partij] tijdens zijn verhoren niet alles heeft verteld en daarbij meermaals aantoonbaar niet naar waarheid heeft verklaard. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van aangever met betrekking tot (zijn herkenning van de verdachte als) de bestuurder van de Ford Focus – te weten “Hij heeft vroeger bij mij in de wijk gewoond.”, “Ik ken hem gewoon van zien.” en “Ik zag hem van dichtbij. Hij was kaal. Hij was herkenbaar.” – zeer algemeen en onvoldoende onderscheidend zijn. In dat verband heeft de raadsman ook aangevoerd dat, hoe langer het geleden is dat je iemand hebt gezien, hoe minder goed het mogelijk is om diegene te herkennen. Tot slot heeft de raadsman ter onderbouwing van het hiervoor genoemde standpunt aangevoerd dat de omstandigheden ten tijde van het tenlastegelegde – het regenachtige weer, de afstand tussen [benadeelde partij] en de auto, de weerspiegeling van de autoruit, het feit dat er nog een bijrijdersstoel tussen zat en het korte tijdsbestek waarin de gebeurtenis zich heeft afgespeeld – het onmogelijk maakten voor [benadeelde partij] om de bestuurder van voornoemde Ford Focus te herkennen. Gelet op het voorgaande is de kans groot dat [benadeelde partij] zich heeft vergist, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Evenals de rechtbank acht het hof de verklaring van aangever [benadeelde partij] dat hij de verdachte heeft herkend als de bestuurder van de Ford Focus met kenteken [kenteken] die betrokken was bij het bewezenverklaarde, wel betrouwbaar. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [benadeelde partij] kort (binnen een half uur) na de aanrijding direct en uit eigen beweging heeft verklaard dat de verdachte de bestuurder was van de Ford Focus in kwestie en dat hij hem kent van vroeger uit de wijk. [benadeelde partij] is hierna nog tweemaal gehoord – bij de politie en bij de raadsheer-commissaris – en heeft daarbij opnieuw de naam van de verdachte genoemd als degene die ten tijde van het bewezenverklaarde de Ford Focus bestuurde. Het hof stelt vast dat, hoewel aangever op de verschillende momenten dat hij is gehoord zijn verklaring heeft aangevuld met nieuwe informatie, de kern en strekking van zijn verklaring telkens hetzelfde waren. Daar komt bij dat de verklaring die [benadeelde partij] direct na de aanrijding heeft afgelegd, onder meer over de blauwe Peugeot die eveneens op de plaats delict aanwezig zou zijn geweest, overeenkomt met de inhoud van de 112-melding door getuige [getuige] en daarin steun vindt. De verklaring van [benadeelde partij] wordt bovendien ondersteund door de verklaring van de eigenaar van de Ford Focus met kenteken [kenteken] , zijnde getuige [getuige 2] . Hij verklaarde op 14 april 2023 dat de Ford Focus met kenteken [kenteken] zowel op dat moment als in ruim het halve jaar voordien in gebruik was bij de verdachte. Zoals volgt uit de navolgende overwegingen onder ‘De bruikbaarheid van de verklaring van getuige [getuige 2] d.d. 14 april 2023 in het licht van artikel 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces’, is het hof van oordeel dat deze verklaring van getuige [getuige 2] , waaruit kan worden afgeleid dat zijn Ford Focus met kenteken [kenteken] op 10 april 2023 in gebruik was bij de verdachte, voor het bewijs kan worden gebezigd.
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [benadeelde partij] stelt het hof op grond van de uitwerking van de camerabeelden in het dossier, die het hof in raadkamer nogmaals heeft bekeken, voorts vast dat [benadeelde partij] zich voorafgaand aan de aanrijding op zeer korte afstand van de Ford Focus bevond, stilstond en in de richting van de voorbijrijdende Ford Focus keek, zodat het aannemelijk is dat hij goed zicht heeft gehad op de bestuurder van de auto. Daar komt bij dat [benadeelde partij] tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij de Ford Focus met kenteken [kenteken] bij het stoplicht voor de McDonald’s reeds opmerkte, omdat deze hem rakelings en met hoge snelheid voorbij reed, waarop [benadeelde partij] was gestopt om te kijken wie er in de auto zat en toen de verdachte herkende.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de verklaring van [benadeelde partij] , dat hij de verdachte heeft herkend als de bestuurder van de Ford Focus met kenteken [kenteken] ten tijde van het tenlastegelegde, betrouwbaar is. Het hof ziet in hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen reden om aan deze verklaring te twijfelen.
2.
De bruikbaarheid van de verklaring van getuige [getuige 2] van 14 april 2023 in het licht van artikel 6 EVRM (het recht op een eerlijk proces)
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat het gebruik voor het bewijs van de belastende verklaring van de getuige [getuige 2] van 14 april 2023, zoals de rechtbank heeft gedaan, in strijd is met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, vastgelegd in artikel 6 (lid 1 en lid 3 sub b) van het EVRM. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdediging de getuige [getuige 2] niet (behoorlijk en effectief) heeft kunnen ondervragen, terwijl de bewezenverklaring in eerste aanleg in beslissende mate steunt op de verklaring van deze getuige.
Het hof overweegt als volgt.
Met de raadsman stelt het hof vast dat de verdediging in de onderhavige zaak niet de mogelijkheid heeft gehad om de getuige [getuige 2] , die op 14 april 2023 een jegens de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd, (behoorlijk en effectief) te ondervragen over de door hem gedane uitlatingen jegens de verdachte. Weliswaar was het verzoek van de verdediging hiertoe in hoger beroep toegewezen, maar de getuige bleek na verschillende pogingen tot contact, onder meer via de politie en de raadsman van de verdachte, onbereikbaar, zoals volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 23 juni 2025.
Het hof dient vervolgens te beoordelen of, ondanks het ontbreken van een (behoorlijke en effectieve) ondervragingsmogelijkheid voor de verdediging, het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van het EVRM, is gewaarborgd. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat het hof de volgende drie aspecten, in onderlinge samenhang beschouwd, bij deze beoordeling dient te betrekken:
de reden dat het ondervragingsrecht met betrekking tot de belastende getuige niet kon worden uitgeoefend, waarbij, in het geval van een onbereikbare getuige, de inspanningen van de autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren, een rol spelen;
het gewicht van de verklaring van die getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en
het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Als gezegd, dienen de hiervoor genoemde beoordelingsfactoren in onderling verband te worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring in de bewijsconstructie groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.
Toepassing van voormelde factoren op de onderhavige zaak leidt het hof tot de volgende conclusies.
Allereerst stelt het hof vast dat de reden dat de verdediging de getuige [getuige 2] niet (behoorlijk en effectief) heeft kunnen ondervragen, gelegen is in het feit dat de getuige na verschillende pogingen tot contact in de periode van 5 november 2024 tot en met 1 juni 2025, onder meer via de politie, de onderverhuurders van de woning van de getuige en de raadsman van de verdachte, voor politie en justitie onbereikbaar bleek. Aanvankelijk zou de getuige in Nederland verblijven, maar heeft hij aan geen van de oproepingen om te worden gehoord gevolg gegeven. Vervolgens zou hij in het buitenland hebben verbleven en is ongewis gebleven of en wanneer de getuige (weer) in Nederland zou verblijven. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2025 concludeert de raadsheer-commissaris dat het bij deze stand van zaken onaannemelijk is dat de getuige [getuige 2] binnen aanvaardbare termijn een verklaring zal kunnen afleggen. Op grond van voornoemd proces-verbaal van bevindingen is het hof van oordeel dat via het kabinet raadsheer-commissaris alle redelijkerwijs te vergen inspanningen zijn verricht om een (behoorlijke en effectieve) ondervragingsgelegenheid te realiseren, zodat het ontbreken daarvan niet aan het hof/de Nederlandse autoriteiten kan worden toegerekend. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat er in deze zaak een goede reden bestaat waarom het ondervragingsrecht van de verdediging met betrekking tot de belastende getuige [getuige 2] niet kon worden uitgeoefend.
Ten tweede is het hof, anders dan de verdediging stelt, van oordeel dat de bewezenverklaring van het aan de verdachte tenlastegelegde feit niet uitsluitend of in beslissende mate is gestoeld op de verklaring van de getuige [getuige 2] van 14 april 2023, inhoudende dat de Ford Focus met kenteken [kenteken] op dat moment en het half jaar voordien in gebruik was bij de verdachte en dat de verdachte ook daadwerkelijk met deze auto reed. Deze verklaring van [getuige 2] , die door de verdediging wordt betwist, wordt immers ondersteund door de (hiervoor als betrouwbaar aangemerkte) verklaringen van aangever [benadeelde partij] , inhoudende dat hij de verdachte heeft herkend als de bestuurder van de Ford Focus met kenteken [kenteken] ten tijde van het bewezenverklaarde op 10 april 2023. De verdediging is in de gelegenheid gesteld en geweest om aangever [benadeelde partij] in de fase van hoger beroep te horen. Zo heeft [benadeelde partij] op 7 januari 2025 op alle vragen van de verdediging ten overstaan van de raadsheer-commissaris als getuige antwoord gegeven. Maar dat niet alleen. Daar komt namelijk bij dat de verklaring van [getuige 2] van 14 april 2023 in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Zo wordt zijn verklaring dat de verdachte al ruim een halfjaar gebruikmaakte van de Ford Focus met kenteken [kenteken] ondersteund door de processen-verbaal van bevindingen van respectievelijk 13 april 2023 (pagina’s 23 en 24 van het politiedossier) en 14 april 2023 (pagina’s 48 en 49 van het politiedossier), waaruit volgt dat de verdachte op 27 september 2021, 27 mei 2022 en 4 februari 2023 door de politie als de bestuurder van voornoemde Ford Focus is staande gehouden en/of gecontroleerd. Overigens, ook de verdachte zelf heeft ten overstaan van de rechter, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, verklaard dat hij de auto wel eens heeft gebruikt, zij het dat hij heeft ontkend dat dit op de pleegdatum zo was.
Het hof heeft ook geen reden om aan de juistheid van de verklaring van [getuige 2] te twijfelen. Daarbij heeft het hof niet alleen in aanmerking genomen dat deze verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en overige stukken in het politiedossier, zoals hiervoor is overwogen. Ook acht het hof het van belang dat de getuige, die tijdens het verhoor (nog) niet op de hoogte was van het tenlastegelegde, op de aan hem gestelde deels open vragen – “Wie rijdt er nu in de in de auto, voorzien van het kenteken [kenteken] ?”, “Waar is de auto nu?”, “Heeft hij nog steeds de beschikking over de auto” en “Wie rijdt er daadwerkelijk met de auto?” – direct en zonder voorbehoud alleen de naam van de verdachte noemde. Dat [getuige 2] later, op 12 mei 2023, aanvullend verklaarde dat naast [verdachte] ook twee à drie andere jongens gebruik zouden maken van die Ford Focus – jongens waarvan hij desgevraagd de namen niet wilde noemen – doet niets af aan zijn eerste verklaring. De tweede verklaring van [getuige 2] sluit immers evenmin uit dat het de verdachte is geweest die ten tijde van het onderhavige incident op 10 april 2023 de Ford Focus bestuurde.
De verdachte zelf heeft op zijn beurt verklaard dat hij de Ford Focus weliswaar wel eens heeft gebruikt, maar niet op 10 april 2023. Namen van kale collega’s of jongens die naast hem de Ford Focus toentertijd zouden (kunnen) gebruiken, heeft de verdachte – net als [getuige 2] – niet gegeven. De verdachte verwijt de politie dat geen onderzoek is gedaan naar zijn collega’s en naar de haardracht van zijn collega’s; volgens de verdachte lijkt hij op zijn collega’s, omdat hij kaal is. Wat daarvan ook zij, het hof stelt vast dat, toen het horen van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris niet mogelijk bleek, de verdachte geen namen heeft genoemd van zijn collega’s die van de Ford Focus gebruik zouden hebben (kunnen) maken. Nader onderzoek heeft mitsdien dan ook niet plaatsgevonden.
Met de onder i. en ii. weergegeven overwegingen brengt het hof tot uitdrukking dat de bewijsvoering voldoende steunbewijs bevat voor de verklaring van [getuige 2] d.d. 14 april 2023 en dat in die bewijsvoering voldoende compenserende factoren besloten liggen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid doordat zij steun geven aan de betrouwbaarheid van deze verklaring van [getuige 2] .
Gelet op het voorgaande, acht het hof het recht van de verdachte op een eerlijk proces, als vastgelegd in artikel 6 van het EVRM, voldoende gewaarborgd.
3.
Poging tot doodslag
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [benadeelde partij] op 10 april 2023 in Roosendaal, al rijdende op een scooter, is aangereden door een Ford Focus met kenteken [kenteken] . De bestuurder van deze Ford Focus is (doel)gericht op [benadeelde partij] , die op de scooter probeerde te vluchten, afgereden. Daarbij is de bestuurder van de Ford Focus over de verkeerde weghelft alsmede over het trottoir gereden. De bestuurder van de Ford Focus is vervolgens tegen [benadeelde partij] aangereden, ten gevolge waarvan [benadeelde partij] ten val is gekomen. De bestuurder van de Ford Focus is daarna over de arm van [benadeelde partij] heen gereden en heeft aansluitend de plaats delict verlaten.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte ten tijde van de hiervoor beschreven aanrijding de bestuurder was van de Ford Focus met kenteken [kenteken] .
Het hof overweegt dat de aanrijding van [benadeelde partij] op 10 april 2023, zoals [benadeelde partij] heeft verklaard, niet op zichzelf leek te staan. Immers, niet alleen uit de verklaringen van [benadeelde partij] , maar ook uit de melding van de ter plekke aanwezige ooggetuige [getuige] , volgt dat [benadeelde partij] korte tijd na de aanrijding door de Ford Focus, achterna leek te worden gezeten door een Peugeot. Ook de bestuurder van die Peugeot zou door [benadeelde partij] zijn herkend en volgens [benadeelde partij] kende ook de verdachte deze bestuurder. Hoewel die bestuurder niet in het onderhavige politieonderzoek is gehoord, bleek wel van een relatie tussen de desbetreffende Peugeot en de verdachte. Immers, in de fotogalerij van de roze Samsung telefoon die onder de verdachte in beslag is genomen, trof de politie een afbeelding aan van een Peugeot met een kenteken dat overeenstemt met het bij de 112-melding op 10 april 2023 doorgegeven kenteken, behorende bij die Peugeot (pagina’s 25 en 26 van het politiedossier). Uit het voorgaande leidt het hof af dat men, waaronder de verdachte, in de middag van 10 april 2023 gericht op zoek leek te zijn naar [benadeelde partij] . De verklaring van de verdachte dat hij geen idee had wie [benadeelde partij] was, acht het hof dan ook volstrekt ongeloofwaardig. Wat evenwel de precieze aanleiding tot het bewezenverklaarde is geweest, laat het hof verder in het midden, nu dat bij gebrek aan overige informatie dienaangaande aan de bewezenverklaring bijdraagt, noch afbreuk doet.
Nu het hof op grond van voormelde bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat de verdachte op 10 april 2023 te Roosendaal als bestuurder van de Ford Focus met kenteken [kenteken] [benadeelde partij] doelbewust heeft aan- en gedeeltelijk heeft overgereden, zal het hof vervolgens moeten beoordelen of de verdachte, zoals ten laste is gelegd, daarbij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij] . Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat bij de verdachte sprake is geweest van vol opzet op de dood van [benadeelde partij] . De vraag die dus voorligt, is of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij] .
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Dienaangaande overweegt het hof als volgt.
In het dossier zitten camerabeelden van de aanrijding op 10 april 2023. De verbalisant die deze beelden heeft uitgekeken, heeft in zijn aanvullend proces-verbaal d.d. 21 april 2023 zijn waarnemingen gerelateerd, inhoudende dat de Ford Focus al slingerend en met hoge snelheid gericht op [benadeelde partij] af is gereden. Op grond van die camerabeelden in het dossier waarop volgens de verbalisant te zien is dat de Ford Focus hevig hobbelend het trottoir af rijdt op zeer korte afstand van [benadeelde partij] , waarna [benadeelde partij] wordt aangereden en direct ten val komt en waarna het lijkt alsof de auto met het rechter voorwiel over de scooter heenrijdt, terwijl [benadeelde partij] heeft verklaard dat daadwerkelijk over zijn rechterarm is gereden, kan naar het oordeel van het hof in elk geval worden vastgesteld dat de bestuurder van de Ford Focus met een behoorlijke, niet nader vastgestelde, snelheid op [benadeelde partij] is afgereden en blijven rijden. De (rechtervoorzijde van de) Ford Focus heeft daarbij de scooter waarop [benadeelde partij] reed aan de achterzijde geraakt, waardoor [benadeelde partij] direct viel en waarbij over zijn arm is gereden. De kans dat [benadeelde partij] als gevolg van deze aanrijding niet alleen met zijn arm, maar ook met andere lichaamsdelen onder (de/een band(en) van) de Ford Focus terecht was gekomen en daardoor was komen te overlijden, acht het hof, gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden, aanmerkelijk. Het hof betrekt daarbij dat blijkens de eerste melding de Ford Focus er meteen vandoor ging. Deze gedragingen van de verdachte – het als bestuurder van een honderden kilo’s zware personenauto (doel)gericht afrijden op [benadeelde partij] , die zich op dat moment op een rijdende scooter voor de verdachte bevond, het daaropvolgend aanrijden van [benadeelde partij] zonder te stoppen evenals het doorrijden nadat [benadeelde partij] ten val is gekomen – moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het doden van [benadeelde partij] dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
Gelet op het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde heeft begaan, een en ander zoals nader omschreven in de bewezenverklaring in het vonnis waarvan beroep.
De verweren van de raadsman tot vrijspraak van het aan de verdachte tenlastegelegde worden door de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene weerlegd.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een totaalbedrag van € 11.947,01, bestaande uit € 4.447,01 aan vergoeding van materiële schade en € 7.500,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gestelde materiële schade viel uiteen in kosten voor fysiotherapie ter hoogte van € 312,50 en schade aan de scooter waarop de benadeelde partij op het moment van de aanrijding reed ter hoogte van € 4.134,51.
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de vordering verlaagd tot een bedrag van € 11.571,50, aangezien de gestelde ‘schade aan de scooter’ nader is bepaald op € 3.759,00. Voor het overige (kosten fysiotherapie en immateriële schade) is de vordering volledig gehandhaafd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal toewijzen tot een bedrag van € 9.071,50 en voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.
De raadsman van de verdachte heeft het hof, gelet op het vrijspraakverweer, primair verzocht om de benadeelde partij [benadeelde partij] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht om ten aanzien van de vordering te beslissen conform het vonnis waarvan beroep.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.
Ten aanzien van de gestelde en niet betwiste kosten voor fysiotherapie ter hoogte van € 312,50 is het hof van oordeel dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Uit het politiedossier, de door de benadeelde partij overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt immers dat de benadeelde partij als gevolg van de aanrijding lichamelijk letsel had opgelopen waaraan hij middels fysiotherapie is behandeld. Het hof acht deze schadepost voldoende onderbouwd. De verdachte is naar burgerlijk recht tot vergoeding van deze schade gehouden.
Datzelfde geldt naar het oordeel van het hof voor de gestelde schade aan de scooter waarop de benadeelde partij op het moment van de aanrijding reed. Die schade bedraagt, op grond van de laatste door de benadeelde partij ingebrachte informatie, € 3.759,00. Uit het politiedossier blijkt dat de scooter als gevolg van de aanrijding fors beschadigd is geraakt.
Het hof stelt vast dat de desbetreffende scooter niet in eigendom toebehoorde aan de benadeelde partij, maar aan [betrokkene] . Deze [betrokkene] heeft schriftelijk verklaard dat hij die scooter aan de benadeelde partij had uitgeleend, dit overeenkomstig de verklaring van de benadeelde partij. Op grond van de in hoger beroep door de benadeelde partij overgelegde stukken stelt het hof vast dat [betrokkene] de benadeelde partij bij brief van 18 december 2025 aansprakelijk heeft gesteld voor (de kosten voor het repareren van) de schade aan zijn scooter ter hoogte van € 3.759,00. Het hof acht de hoogte van deze kosten, mede gelet op de in eerste aanleg door de benadeelde partij overgelegde offerte van € 4.134,51 voor het repareren van de scooter alsmede de foto’s van de beschadigde scooter die in het dossier zitten, aannemelijk. Dat [betrokkene] contant voor de reparatie zou hebben betaald en geen facturen van reparaties heeft overgelegd, doet aan de aannemelijkheid van dat schadebedrag niet af. Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat ook de gestelde schade aan de scooter rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte aan de benadeelde partij is toegebracht. De verdachte is naar burgerlijk recht eveneens tot vergoeding van deze schade gehouden.
Ten aanzien van de gestelde immateriële schade stelt het hof vast dat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en sub b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Uit het dossier, de door de benadeelde partij overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof immers gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en pijn heeft bekomen, onder meer aan zijn nek, heup, rechterbovenarm, rechterhand en vingers.
Het hof stelt de door de benadeelde partij geleden immateriële schade, die, gelet op de omstandigheden van het geval en de zijdens de benadeelde partij gegeven toelichting, in omvang nog relatief beperkt lijkt te zijn gebleven, naar billijkheid vast op een bedrag van € 3.000,00. Hierbij heeft het hof tevens betrokken de aard en de ernst van de normschending en heeft het hof de schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend in ogenschouw genomen.
Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.
Concluderend, zal het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 7.071,50
,bestaande uit € 4.071,50 als vergoeding van materiële schade en € 3.000,00 als vergoeding van immateriële schade.
Het toegewezen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna genoemde aanvangsdata, telkens tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 november 2023, zijnde de datum waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend, en de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 april 2023, zijnde de pleegdatum van het bewezenverklaarde feit.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 7.071,50. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat, indien verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling voor ten hoogste 60 dagen kan worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Voorlopige hechtenis
Het hof heft het tegen de verdachte verleende bevel voorlopige hechtenis, dat met ingang van 8 juni 2024 onder voorwaarden is geschorst, op.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 7.071,50 (zevenduizend eenenzeventig euro en vijftig cent), bestaande uit € 4.071,50 (vierduizend eenenzeventig euro en vijftig cent) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, en € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 7.071,50 (zevenduizend eenenzeventig euro en vijftig cent), bestaande uit € 4.071,50 (vierduizend eenenzeventig euro en vijftig cent) materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 60 (zestig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. G.J. Hanssen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 21 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.