ECLI:NL:GHSHE:2026:1571

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
20-001791-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling wegens wederspannigheid, mishandeling en huisvredebreuk met voorwaardelijke gevangenisstraf

In hoger beroep bevestigt het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter in Maastricht, met uitzondering van de opgelegde straf, maatregel en schadevergoedingen. De verdachte is veroordeeld voor wederspannigheid, meerdere mishandelingen en huisvredebreuk.

De verdediging voerde aan dat sprake was van noodtoestand wegens stemmen die de verdachte hoorde, maar het hof verwierp dit verweer wegens gebrek aan objectiveerbare noodsituatie. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar op, mede vanwege de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn verslavingsproblematiek en bereidheid tot behandeling.

De vrijheidsbeperkende maatregel (contact- en gebiedsverbod) werd door het hof vernietigd wegens gebrek aan noodzaak. De schadevergoedingsvorderingen werden deels toegewezen: immateriële schade aan slachtoffers werd erkend, materiële schade deels afgewezen wegens onvoldoende causaal verband. Het hof legde schadevergoedingsmaatregelen op met aangepaste gijzelingsduur conform nieuwe richtlijnen.

Daarnaast vernietigde het hof een eerder uitgevaardigde strafbeschikking. De strafoplegging beoogt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde te benadrukken en anderzijds de verdachte te stimuleren tot gedragsverbetering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001791-25
Uitspraak : 9 juni 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 juni 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-293765-24, 03-032923-25, 03-107459-25 en
03-126940-25, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Sittard te Sittard.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, deze gekwalificeerd als:
  • wederspannigheid (parketnummer 03-293765-24);
  • mishandeling (parketnummer 03-126940-25);
  • mishandeling, meermalen gepleegd (parketnummer 03-032923-25 feit 1);
  • overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
(parketnummer 03-032923-25 feit 2);
  • opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen (parketnummer 03-107459-25 feit 1);
  • in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
(parketnummer 03-107459-25 feit 2),
en de verdachte daarvoor strafbaar verklaard. Ten aanzien van de overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 heeft de politierechter bepaald dat geen straf of maatregel aan de verdachte wordt opgelegd. Voor de overige bewezenverklaarde feiten heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, waarvan 75 uren, subsidiair 37 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan de verdachte opgelegd, te weten een contact- en gebiedsverbod, betreffende het slachtoffer [slachtoffer 1] en haar woonadres voor de duur van 2 jaren. Daarbij is bevolen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van 6 maanden. De opgelegde maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard.
De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel toegewezen tot een bedrag van € 1.347,00, bestaande uit € 997,00 aan materiële schade en € 350,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geheel toegewezen tot een bedrag van € 545,16, bestaande uit € 245,16 aan materiële schade en
€ 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] geheel toegewezen tot een bedrag van € 300,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partijen, tot aan het vonnis telkens begroot op nihil. Ten slotte heeft de politierechter ten behoeve van de slachtoffers de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en maatregel, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof aan de verdachte geen vrijheidsbeperkende maatregel op zal leggen.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van de in de zaak met parketnummer 03-107459-25 aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en heeft de raadsman verweer gevoerd op de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2] voor wat betreft de materiële schade.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf, de opgelegde maatregel ex artikel
38v Sr, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Het hof zal, mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, zoals opgenomen in het vonnis waarvan beroep, aanvullen op de wijze zoals hierna is vermeld.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof zal, indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. De politierechter heeft in het vonnis waarvan beroep immers volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven, terwijl het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Aanvullende bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen in de zaak met parketnummer 03-107459-25 onder 1 en 2 aan hem ten laste is gelegd. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat de wederrechtelijkheid ontbreekt nu de verdachte in de woning van zijn moeder is binnengedrongen, en daartoe een ruit heeft vernield, omdat stemmen in zijn hoofd zeiden dat zijn moeder dood in de woning zou liggen. Er was derhalve voor de verdachte sprake van een noodtoestand, hetgeen de wederrechtelijkheid van zijn handelen ontneemt, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dat voor een beroep op overmacht in de zin van een noodtoestand slechts plaats is indien sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele, concrete en objectiveerbare nood en die geëigend is om daaraan een eind te maken.
Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak noch uit de stukken van het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting een aanknopingspunt volgt dat zich ten aanzien van het tenlastegelegde een dergelijke situatie, te weten een objectiveerbare (actuele) noodtoestand, heeft voorgedaan. De enkele stelling van de raadsman dat de verdachte stemmen hoorde waaraan hij geen weerstand kon bieden, maakt het oordeel van het hof niet anders. Het hof vermag overigens ook niet in te zien waarom er sprake was van een noodtoestand als de verdachte stemmen hoorde dat zijn moeder reeds was overleden. Het hof is derhalve van oordeel dat het handelen van de verdachte wederrechtelijk was en verwerpt mitsdien het tot vrijspraakstrekkende verweer van de raadsman.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om
– in het geval van een bewezenverklaring – de vordering van de advocaat-generaal te volgen en aan de verdachte een geheel voorwaardelijk straf op te leggen.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 13 september 2024 schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid, Dit handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag nu politieambtenaren – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – moeten kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk strafbaar en verwerpelijk gedrag.
Voorts is bewezenverklaard dat de verdachte op 31 januari 2025 de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en op 25 april 2025 het slachtoffer [slachtoffer 4] heeft mishandeld. Door aldus te handelen heeft de verdachte op forse wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun pijn en letsel toegebracht. In dit verband neemt het hof in strafverzwarende zin mee dat de verdachte drie voor hem totaal onbekende personen zonder enige aanleiding heeft mishandeld. De slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] spraken de verdachte enkel aan omdat hij een glazen flesje op de grond gooide, hetgeen ook als overtreding van de Wegenverkeerswet bewezen is verklaard, en het slachtoffer [slachtoffer 4] zat nietsvermoedend in de cafetaria op zijn bestelling te wachten.
Ten slotte is bewezenverklaard dat de verdachte zich op 5 februari 2025 schuldig heeft gemaakt aan huisvredebreuk en vernieling in de woning van het slachtoffer [slachtoffer 1] , de moeder van de verdachte. De verdachte wist dat hij niet welkom was in de woning van zijn moeder. Door aldus te handelen heeft hij inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en eigendomsrechten van zijn moeder en bij haar gevoelens van onveiligheid en onbehagen teweeggebracht.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 mei 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar alleen voor een soortgelijk feit in 2024, zijnde huisvredebreuk. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht meermaals van toepassing is.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte zijn leven wil beteren en gemotiveerd is om van zijn verslavingsproblematiek af te komen. Zodra de verdachte uit de gevangenis komt, is hij van plan om via [naam instantie] een afkickprogramma te volgen in Zuid-Afrika. Hiervoor had hij op de dag van de terechtzitting in hoger beroep een intakegesprek. Na het afkickprogramma zal hij nog een jaar begeleiding ontvangen vanuit de GGZ. De verdachte is dan ook niet in staat een taakstraf te verrichten omdat dat niet te combineren is met voornoemd traject, aldus de raadsman.
Anders dan de politierechter ziet het hof in het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, met name in hetgeen bij die gelegenheid is gebleken omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, grond om in deze zaak een geheel voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen. Het hof overweegt daartoe dat sprake lijkt te zijn van een voorzichtige positieve wending in het leven van de verdachte. De verdachte heeft inmiddels vrijwillig hulp gezocht voor zijn verslaving en is van plan om na zijn detentie een afkickprogramma te gaan volgen. Nu het hof de dringende noodzaak tot behandeling voor de verdachte inziet en de verdachte daartoe ook bereid lijkt te zijn, kiest het hof ervoor de hulpverlening die aan de verdachte zal worden geboden niet te doorkruisen.
Alles afwegende is het hof dan ook, in overeenstemming met de vordering van de
advocaat-generaal en het standpunt van de raadsman, van oordeel dat ter zake van het bewezenverklaarde in de zaken met parketnummers 03-293765-24, 03-032923-25 onder 1, 03-107459-25 onder 1 en 2 en 03-126940-25 een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Met oplegging van deze forse voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Bovendien wordt de verdachte met deze strafoplegging een kans geboden om de goede weg in te slaan.
Voor wat betreft het onder parketnummer 03-032923-25 onder 2 bewezenverklaarde is het hof, evenals de politierechter, van oordeel dat oplegging van een straf of maatregel in deze zaak geen redelijk strafdoel dient en thans niet opportuun is. Het hof zal daarom toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr aan de verdachte opgelegd, te weten een contact- en gebiedsverbod, betreffende het slachtoffer [slachtoffer 1] en haar woonadres voor de duur van 2 jaren.
Het hof is, met de advocaat-generaal en de raadsman, van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken dat oplegging van voornoemde vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr nog noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten. Het hof zal derhalve niet overgaan tot oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel en zal de beslissing van de politierechter in zoverre dan ook vernietigen.
Ten aanzien van de strafbeschikking in de zaak met parketnummer 03-293765-24
Ten slotte merkt het hof op dat de politierechter heeft verzuimd de eerder aan de verdachte uitgevaardigde strafbeschikking, in de zaak met parketnummer 03-293765-24, te vernietigen. Het hof zal deze omissie herstellen door alsnog de uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 23 januari 2025 (CJIB-nummer [nummer] ) op de voet van artikel 354a van het Wetboek van Strafvordering te vernietigen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 545,16, bestaande uit € 245,16 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De raadsman van de verdachte heeft verweer gevoerd op het materiële gedeelte van de vordering. Hij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat het causale verband tussen de opgenomen verlofuren en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte ontbreekt. De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen het toekennen van € 300,00 aan immateriële schadevergoeding, zoals de politierechter heeft gedaan.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de stukken ter onderbouwing van de vordering is het hof, met de raadsman, van oordeel dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen het in de zaak met parketnummer 03-032923-25 onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij aangevoerde materiële schade. Hoewel het zonder meer voorstelbaar is dat de benadeelde partij van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is geschrokken, is het hof niet gebleken dat de benadeelde partij daardoor niet kon werken en noodgedwongen verlofuren op heeft moeten nemen. Nu het hof van oordeel is dat onvoldoende causaal verband bestaat met verdachtes bewezenverklaarde handelen, zal het hof de vordering voor wat betreft de materiële schade, zijnde een bedrag van € 245,16, afwijzen.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof, evenals de politierechter, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 03-032923-25 onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Uit het schade-onderbouwingformulier en het procesdossier volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen, te weten een verwonding aan de lip/mond. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, is het hof van oordeel dat het door de benadeelde partij gevorderde, en door de politierechter toegewezen, bedrag van € 300,00 ter zake van immateriële schade, billijk is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag van € 300,00 zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregelen
Ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 2]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het in de zaak met parketnummer 03-032923-25 onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 300,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 3 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 3]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof, met de politierechter, in rechte vastgesteld dat door het in de zaak met parketnummer 03-032923-25 onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer
[slachtoffer 3] is toegebracht tot een bedrag van € 300,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet, evenals de politierechter, aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Anders dan de politierechter, die bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bij gebreke van betaling en verhaal 6 dagen gijzeling heeft opgelegd, zal het hof – in verband met de per 1 januari 2026 geldende afspraken gemaakt door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) – bepalen dat gijzeling voor ten hoogste 3 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Voor de volledigheid zal het hof de gehele beslissing ter zake van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel in het dictum opnemen.
Ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof, met de politierechter, in rechte vastgesteld dat door het in de zaak met parketnummer ​​​​​03-107459-25 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 1.347,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet, evenals de politierechter, aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Anders dan de politierechter, die bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bij gebreke van betaling en verhaal 23 dagen gijzeling heeft opgelegd, zal het hof – in verband met de per 1 januari 2026 geldende afspraken gemaakt door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) – bepalen dat gijzeling voor ten hoogste 13 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Voor de volledigheid zal het hof de gehele beslissing ter zake van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel in het dictum opnemen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 62, 63, 138, 180, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr, de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht:
bepaalt dat ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-032923-25 onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;
vernietigt de onder de zaak met parketnummer 03-293765-24 eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 23 januari 2025 (CJIB-nummer [nummer] );
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-032923-25 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer
03-032923-25 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 3 (drie) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeven van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer
03-032923-25 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 3 (drie) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeven van het slachtoffer niet opheft;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-107459-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.347,00 (duizend driehonderdzevenenveertig euro) bestaande uit € 997,00 (negenhonderdzevenennegentig euro) aan materiële schadevergoeding en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2025 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 13 (dertien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeven van het slachtoffer niet opheft;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. S.V. Pelsser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 9 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.