ECLI:NL:GHSHE:2026:1570

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
20-002047-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994Art. 63 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor weigering medewerking ademanalyse en rijontzegging

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het niet meewerken aan een ademanalyse op 13 mei 2025 te Vlissingen, in strijd met artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde het tenlastegelegde bewezen. De verdachte weigerde tijdens het onderzoek ademlucht te blazen, ondanks een bevel van een opsporingsambtenaar, waarmee hij de controle op rijgeschiktheid frustreerde.

Het bewijs bestond uit verklaringen van verbalisanten, het proces-verbaal en het resultaat van een voorlopig ademonderzoek dat een alcoholindicatie aangaf. De verdachte toonde zich recidivist met eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, waaronder een eerdere weigering van een ademanalyse in 2024. Dit recidiveerde gedrag woog zwaar mee bij de strafoplegging.

Het hof legde een gevangenisstraf van 2 weken op en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 8 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds was ingevorderd. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke ontzegging van 243 dagen gelast, terwijl een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden niet werd tenuitvoergelegd. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn werk als pakketbezorger en het doorlopen van een cursus alcohol in het verkeer, werden meegewogen maar boden geen aanleiding tot strafvermindering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf en 8 maanden rijontzegging wegens weigering medewerking aan ademanalyse.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002047-25
Uitspraak : 9 juni 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 7 augustus 2025, parketnummer
96-150156-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen met parketnummers
96-150854-24 en 02-028932-22, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. De politierechter heeft daarnaast aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van
8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 96-150854-24, te weten een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 243 dagen. De politierechter heeft de vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 02-028932-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, afgewezen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en hem de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal ontzeggen voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van de verdachte reeds ingevorderd of ingehouden is geweest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf met parketnummer 96-150854-24 zal toewijzen en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf met parketnummer 02-028932-22 zal afwijzen.
De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast heeft de raadsman bepleit om beide vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 mei 2025 te Vlissingen, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 mei 2025 te Vlissingen, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, met registratienummer PL2000-2025121800, gesloten d.d. 13 mei 2025 door verbalisant
[verbalisant 1] , doorgenummerde pagina's 1 tot en met 27, nader te noemen: het dossier.
Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 13 mei 2025 (pg. 6-8 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] ,

[verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Eigen waarneming
Op 12 mei 2025 om 23:57 uur zagen wij, verbalisanten, dat de verdachte een grijze Mercedes-Benz bestuurde over de Bloemenlaan in Vlissingen. Wij zagen dat het betrokken voertuig slingerde over de rijbaan. Wij gaven een stopteken middels het rode politiestoptransparant. Wij zagen dat de verdachte het voertuig tot stilstand bracht. Wij zagen dat de verdachte hierbij met beide voorbanden van het voertuig op het trottoir reed. Gezien de feiten en omstandigheden direct vermoeden van het rijden onder invloed en derhalve een controle ingesteld.
Vordering voorlopig onderzoek uitgeademde lucht
Ik, [verbalisant 1] , heb op 12 mei 2025 om 23:58 uur, de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.
Medewerking voorlopig onderzoek uitgeademde lucht
Met medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant 1] , hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de minister aangewezen ademtestapparaat.
Als resultaat van deze test zag ik, [verbalisant 1] , dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: G/F. Dat resultaat leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994.
Identiteitsgegevens van de verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1988
Bevel tot medewerking aan ademanalyse
Op maandag 12 mei 2025 om 23:58 uur, heb ik, [verbalisant 1] , de verdachte bevolen
zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8
Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem meegedeeld, dat hij verplicht was tijdens
dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte meegedeeld, dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert.
Geen gevolg aan bevel tot medewerking ademanalyse
De verdachte gaf op 13 mei 2025 om 00:28 uur geen gevolg aan dit bevel, wat
ons, [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , en [verbalisant 4] , bleek uit het volgende feit: nadat op 13 mei 2025 om 00:28 uur met de ademanalyse werd aangevangen, weigerde de verdachte verdere medewerking. De weigering medewerking bleek uit: wij, verbalisanten, hoorden dat de verdachte zei: "Ik ga niet meewerken aan de ademtest. Ik weet jullie te wonen.".
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 mei 2025 (pg. 15-16 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] ,

[verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Op 12 mei 2025, omstreeks 23.55 uur, bevonden wij verbalisanten onszelf aan de Bloemenlaan in Vlissingen. Wij zagen dat er voor ons een grijze Mercedes-Benz
A-klasse 160 reed. Wij zagen dat het bovengenoemde voertuig slingerde over de rijbaan en gaven hem hierop een stopteken middels het rode politiestoptransparant. Wij zagen dat de bestuurder voldeed aan het stopteken. Wij zagen dat er één man in het voertuig zat, de bestuurder. Het bleek te gaan om: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] .
Wij roken direct bij het eerste contact een sterke alcohollucht rondom de bestuurder.
Wij zagen dat de ogen van de bestuurder rood bloeddoorlopen waren. Wij hoorden dat de bestuurder sprak met een dubbele tong. Wij hadden gezien de bovenstaande feiten en
omstandigheden direct een vermoeden van alcoholgebruik. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , onderwierp [verdachte] aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht middels het selectieapparaat. Wij zagen dat het selectieapparaat een 'G/F' indicatie aangaf. Op 12 mei 2025 om 23.58 uur gaf ik, verbalisant [verbalisant 1] , de verdachte het bevel voor zijn medewerking aan de ademanalyse. Agent [verbalisant 2] en hoofdagent [verbalisant 4] brachten de verdachte over naar het politiebureau in Vlissingen.
Op 13 mei 2025 om 00.28 uur gaf ik, verbalisant [verbalisant 3] , aan dat de verdachte kon blazen op de ademanalyse. Wij, verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 4] , hoorden dat de verdachte zei: "Ik werk niet mee aan de ademtest. Ik weet waar jullie wonen. Ik zoek je op". Agent [verbalisant 2] vertelde de verdachte dat wanneer hij de ademanalyse weigert, zijn rijbewijs per direct wordt ingevorderd en de hoogste straf opgelegd zou worden. Wij, verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , hoorden dat de verdachte zei: "Ik ga het toch winnen".
Bewijsoverweging
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyse. Door aldus te handelen heeft hij geen gevolg gegeven aan een aan hem door een opsporingsambtenaar gegeven bevel zich aan een ademonderzoek te onderwerpen. Hierdoor heeft hij de vaststelling van het alcoholgehalte in zijn adem gefrustreerd en een controle naar zijn rijgeschiktheid in het belang van de verkeersveiligheid onmogelijk gemaakt.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 februari 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde al meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten,
waaronder in 2024 ook voor het weigeren van een ademanalyse. Aan de verdachte is toen een taakstraf opgelegd en hem is grotendeels voorwaardelijk de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een soortgelijk strafbaar feit. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging. Ten slotte volgt uit voornoemd uittreksel dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht – het zogenoemde taakstrafverbod – en artikel 63 van Pro voornoemd Wetboek van toepassing zijn. Ook daarop heeft het hof bij de straftoemeting acht geslagen.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte werkt als pakketbezorger en dat hij zijn werk zal verliezen als hij naar de gevangenis moet of een rijontzegging opgelegd krijgt. De raadsman heeft het hof voorts verzocht om bij de strafoplegging ten voordele van de verdachte rekening te houden met de bestuursrechtelijke consequenties van een onherroepelijke veroordeling, zijnde dat het rijbewijs van de verdachte op grond van de recidiveregeling van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 ongeldig zal worden verklaard. Daarnaast heeft de verdachte al een traject bij het CBR doorlopen en de cursus alcohol in het verkeer positief afgerond, aldus de raadsman.
Naar het oordeel van het hof kan, in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte, de straffen die in soortgelijke gevallen bij recidive worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Het hof ziet, anders dan de raadsman, in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte noch in hetgeen met betrekking tot de bestuursrechtelijke consequenties is aangevoerd, aanleiding om hier in dit geval van af te wijken. Hoewel het hof zich bewust is van de vergaande bestuursrechtelijke consequenties voor de verdachte, benadrukt het hof dat deze consequenties het gevolg zijn van het eigen handelen van de verdachte. De verdachte heeft immers bewust binnen vijf jaar tweemaal de voorschriften van de Wegenverkeerswet overtreden. Hij had na de eerste overtreding er ernstig rekening mee dienen te houden dat bij een tweede overtreding van de Wegenverkeerswet de geldigheid van zijn rijbewijs in het geding zou zijn. Door weer de ademtest te weigeren, terwijl hij wist dat dit strafbaar is, komen de gevolgen hiervan dan ook voor zijn eigen rekening. Daarbij acht het hof ook van belang dat de bestuursrechtelijke maatregelen niet bedoeld zijn om te straffen, maar om de verkeersveiligheid te dienen.
Alles afwegende acht het hof, zoals is gevorderd door de advocaat-generaal en opgelegd door de politierechter, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken passend en geboden. Voorts acht het hof, evenals de advocaat-generaal, het aangewezen om – mede ter bescherming van de verkeersveiligheid – aan de verdachte de bevoegdheid te ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden. De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Parketnummer 96-150854-24
De officier van justitie bij het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 243 dagen, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van
7 oktober 2024 onder parketnummer 96-150854-24. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een soortgelijk strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 243 dagen dient te worden gelast. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte leidt het hof niet tot een ander oordeel. De verdachte was immers een gewaarschuwd mens door deze voorwaardelijke veroordeling.
Parketnummer 02-028932-22
De officier van justitie bij het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 april 2022 onder parketnummer 02-028932-22. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. Hoewel de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, acht het hof tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, evenals de advocaat-generaal en de raadsman, thans niet opportuun.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken;
ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
8 (acht) maanden;
bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;
ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 96-150854-24
beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 oktober 2024, parketnummer 96-150854-24, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een ontzegging van de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
243 (tweehonderddrieënveertig) dagen;
ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 02-028932-22
wijst af de vordering van de officier van justitie bij het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie van 20 mei 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 april 2022, parketnummer 02-028932-22, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van
3 maanden.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 9 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.