Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1569

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
20-002715-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak opzetaanranding en veroordeling voor mishandeling en eenvoudige belediging

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling, eenvoudige belediging en opzetaanranding. In hoger beroep sprak het hof de verdachte vrij van opzetaanranding vanwege onvoldoende bewijs en veroordeelde hem voor mishandeling en eenvoudige belediging.

Het hof baseerde zich op verklaringen van het slachtoffer, getuigen en familie, maar constateerde tegenstrijdigheden in de details van de seksuele handelingen, waardoor twijfel ontstond over de opzetaanranding. De mishandeling bestond uit een klap in het gezicht en de belediging uit het in het gezicht spugen van het slachtoffer.

De straf bestaat uit een taakstraf van 40 uur werkstraf, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uur en 10 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij zijn bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder behandeling bij een GGZ-instelling en naleving van afspraken met hulpverlening en jeugdreclassering.

De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd deels toegewezen: €300 immateriële schadevergoeding met wettelijke rente, terwijl materiële schade en een deel van de immateriële schade werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van causaliteit. De verdachte is veroordeeld tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met een gijzelingstermijn van maximaal 0 dagen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van opzetaanranding en veroordeeld tot een deels voorwaardelijke taakstraf voor mishandeling en eenvoudige belediging met een schadevergoeding van €300 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002715-25
Uitspraak : 12 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 oktober 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-226265-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ (het onder 1 tenlastegelegde), ‘eenvoudige belediging’ (het onder 2 tenlastegelegde) en ‘opzetaanranding’ (het onder 3 tenlastegelegde) veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke deel heeft de kinderrechter naast de algemene voorwaarden tevens bijzondere voorwaarden verbonden, te weten de verplichting zich onder behandeling te stellen van een GGZ-instelling voor persoonlijkheids- en intelligentieonderzoek en behandeling en de verplichting zich te houden aan de afspraken die worden gemaakt tussen hem, zijn ouders, hulpverlening (jobcoach) en de jeugdreclassering, waarbij aan de William
Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering de opdracht is gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De kinderrechter heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 728,94, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van gronden voor wat betreft de bewezenverklaring, behoudens ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 7 april 2026. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering gedeeltelijk zal toewijzen tot een bedrag ter hoogte van € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het aantal dagen gijzeling wordt bepaald op 0 dagen, en dat het hof de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde. Met betrekking tot de op te leggen straf heeft de verdediging bepleit dat geen ruimte is voor de door de advocaat-generaal gevorderde straf indien de verdachte wordt vrijgesproken ten aanzien van het tenlastegelegde onder 3. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging bepleit dat de vordering niet kan worden toegewezen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 juli 2025 te Panningen, in elk geval in de gemeente Peel en Maas, [slachtoffer] heeft mishandeld, door tegen haar gezicht te slaan;
2.
hij op of omstreeks 13 juli 2025 te Panningen, in elk geval in de gemeente Peel en Maas, opzettelijk [slachtoffer] , in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in het gezicht te spugen;
3.
hij op of omstreeks 13 juli 2025 te Panningen, gemeente Peel en Maas, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door
- die [slachtoffer] bij de billen en/of heupen vast te pakken en/of
- haar (vervolgens) met lichte dwang naar zich toe te trekken
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden, dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen, gelet op de aangifte van [slachtoffer] , de verklaring van de getuige [getuige] en de verklaring van de vader van het slachtoffer, de heer [betrokkene] .
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde opzetaanranding. Daartoe is aangevoerd dat enkel uit de verklaring van getuige [getuige] volgt dat het slachtoffer bij haar billen zou zijn vastgepakt. Tevens komt de verklaring van de moeder van het slachtoffer, die namens het slachtoffer aangifte heeft gedaan, niet overeen met de nadien door het slachtoffer afgelegde aanvullende verklaring. Bovendien is het vastpakken van de heupen niet te beschouwen als een aanraking in de zin van de zedenwetgeving, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het procesdossier leidt het hof af dat tussen de verdachte en het slachtoffer op 13 juli 2025 op de kermis in Panningen contact heeft plaatsgevonden. Omtrent de tenlastegelegde handelingen heeft de moeder van het slachtoffer, namens het slachtoffer, op 13 juli 2025 verklaard dat het slachtoffer zag dat de verdachte met twee armen richting haar heupen bewoog en dat zij zijn handen op haar heupen voelde. Zij voelde een lichte dwang en voelde dat hij haar in zijn richting wilde trekken. Op 14 juli 2025 heeft het slachtoffer verklaard dat de verdachte haar met beide handen aan haar heupen vastpakte en naar zich toe wilde trekken. Deze aanraking was vanaf de rug over haar heupen naar de buikstreek, aldus het slachtoffer. De getuige [getuige] heeft hieromtrent verklaard dat de verdachte het slachtoffer bij haar heupen en billen vastpakte.
Het hof is van oordeel dat voornoemde in het dossier voorhanden zijnde, weinig gedetailleerde verklaringen omtrent de tenlastegelegde handelingen en de aanrakingen van de verdachte op belangrijke onderdelen niet met elkaar overeenkomen, waardoor niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld op welke wijze de verdachte het slachtoffer zou hebben aangeraakt en of deze handelingen – naar aard, intentie of strekking – al dan niet te beschouwen zijn als seksuele handelingen zoals bedoeld in artikel 241 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Derhalve is bij het hof gerede twijfel ontstaan of dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 13 juli 2025 te Panningen [slachtoffer] heeft mishandeld door tegen haar gezicht te slaan;
2.
hij op 13 juli 2025 te Panningen opzettelijk [slachtoffer] , in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden heeft beledigd, door in het gezicht te spugen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

eenvoudige belediging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] door haar tegen haar gezicht te slaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast en in het algemeen veroorzaakt dergelijk handelen gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij slachtoffers. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het beledigen van het slachtoffer door haar in het gezicht te spugen, hetgeen naar het oordeel van het hof een vernederend en walgelijk feit betreft.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat tegen de verdachte meermalen, inmiddels onherroepelijk geworden strafbeschikkingen zijn uitgevaardigd onder meer voor een mishandeling en voor belediging. Dat heeft de verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. Het hof houdt ook in zekere mate rekening met de omstandigheid dat de vader van het slachtoffer, naar aanleiding van het verhaal van zijn dochter over wat haar zou zijn overkomen, ter plaatse is gekomen en de verdachte klappen heeft gegeven, voor welke gedragingen het Openbaar Ministerie voorwaardelijk heeft geseponeerd.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof onder andere acht geslagen op het meest recente advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 7 april 2026. Hieruit volgt dat de zorgen vanuit de keten groot zijn omdat de verdachte de laatste jaren meermaals in aanraking is gekomen met politie en justitie. Vanuit de keten is via gezinscoaches een aanbod gedaan voor individuele begeleiding voor de verdachte, hetgeen, op ondersteuning bij het vinden van werk na, wordt afgewezen door de verdachte. Het algemeen risicoprofiel is hoog en het dynamisch risicoprofiel is midden. De domeinen vrije tijd, werk, financiën, geestelijke gezondheid en vaardigheden geven een hoge risicoscore. De moeder van de verdachte en de jongerenwerker geven aan dat de verdachte goede intenties heeft, maar sociale situaties en probleemsituaties vaak niet goed kan inschatten. Hij reageert impulsief, herkent het probleem veel te laat en kan dan geen adequate oplossing bedenken. Reflecteren op eigen gedrag en wat dit met een ander doet lijkt moeilijk voor hem te zijn. In het leven van de verdachte zijn veel beschermende factoren, aldus de Raad voor de Kinderbescherming. Zo heeft hij goed contact met zijn ouders en grootouders die hem steunen en heeft hij de laatste maanden goede stappen gezet, door afstand te nemen van antisociale personen en door minder op straat rond te hangen. Hij staat open voor begeleiding vanuit de WSSJJ en [zorginstelling] . Beide begeleidingsvormen zijn zeer recent gestart. De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat een passende strafrechtelijke consequentie voor de verdachte zich moet richten op het maken van de juiste keuzes op bepaalde momenten, het vinden van een zinvolle dagbesteding en het leren of vergroten van zijn vaardigheden.
Bij een veroordeling wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden de verplichting zich onder behandeling te stellen van een GGZ-instelling voor persoonlijkheids- en intelligentieonderzoek en mogelijke behandeling en de verplichting zich te houden aan de afspraken die worden gemaakt tussen hem, zijn ouders en de hulpverlening van [zorginstelling] , gemeente en de jeugdreclassering van de WSSJJ.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een relatie heeft, woonachtig is bij zijn moeder en op zoek is naar werk. In aanvulling daarop heeft [reclasseringsmedewerker] , medewerkster van de jeugdreclassering, naar voren gebracht dat er een gesprek staat gepland met de jobcoach, dat de verdachte en zijn ouders systemische begeleiding ontvangen en de verdachte zich kan vinden in het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. Het hof ziet conform het advies van de Raad voor de Kinderbescherming grond om hieraan de in het dictum nader te noemen bijzondere voorwaarden te verbinden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.728,94, bestaande uit € 228,94 aan materiële schade (beveiligingskosten) en € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 728,94, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist.
Materiële schade
Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde onder 1 en 2. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre niet in de vordering worden ontvangen. Het hof zal daarom bepalen dat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk is.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel (geleden pijn en aantasting van de eer en goede naam van het slachtoffer) is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Het hof overweegt dat dit schade betreft als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van
€ 300,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof zal het overige gedeelte van de vordering met betrekking tot de immateriële schade, te weten € 1.200,00, afwijzen.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder 1 en 2 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 300,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 0 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 266 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot
20 (twintig)uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- wordt verplicht zich onder behandeling te stellen van een GGZ-instelling voor een persoonlijkheids- en intelligentieonderzoek en mogelijke behandeling;
- zich houdt aan de afspraken die gemaakt worden tussen de verdachte, zijn ouders en de hulpverlening van [zorginstelling] , gemeente en de jeugdreclassering van de WSSJJ.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 12 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.