Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 9, tweede lid Wegenverkeerswet 1994Art. 62 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 80 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 92 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep wegens rijden met ongeldig rijbewijs en niet verlenen van voorrang met aanrijding
Op 15 maart 2025 vond in Heerlen een aanrijding plaats tussen twee personenauto’s op een kruising waar verdachte geen voorrang verleende aan een ander voertuig. Verdachte bestuurde de auto terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De politierechter veroordeelde verdachte voor het rijden met ongeldig rijbewijs en het niet verlenen van voorrang, maar sprak hem vrij van het primair tenlastegelegde niet verlenen van voorrang onder feit 2.
In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en sprak verdachte vrij van het primair tenlastegelegde niet verlenen van voorrang (artikel 5 WVWPro), omdat niet wettig en overtuigend was bewezen dat hij gevaar of hinder op de weg had veroorzaakt. Wel achtte het hof bewezen dat verdachte reed met een ongeldig verklaard rijbewijs (artikel 9, tweede lid WVW) en dat hij het subsidiair tenlastegelegde niet verlenen van voorrang had begaan (artikel 62 RVVPro 1990).
Het hof veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van drie jaar en een taakstraf van 120 uren (subsidiair 60 dagen hechtenis) voor het rijden met ongeldig rijbewijs. Voor het niet verlenen van voorrang werd een taakstraf van 20 uren (subsidiair 10 dagen hechtenis) opgelegd. Het hof hield rekening met het justitiële verleden van verdachte, de ernst van de feiten en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het recent vader zijn en het ontvangen van een uitkering.
De benadeelde partij had in eerste aanleg een schadevergoeding gevorderd, maar werd niet-ontvankelijk verklaard en heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof bepaalde dat de strafoplegging passend is om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen en recidive te voorkomen. Tevens werd de inbeslaggenomen personenauto teruggegeven aan verdachte.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde niet verlenen van voorrang, maar veroordeeld voor rijden met ongeldig rijbewijs en het subsidiair tenlastegelegde niet verlenen van voorrang met taakstraffen en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Uitspraak
Parketnummer : 20-002426-25
Uitspraak : 3 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 juli 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-154642-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde. De politierechter heeft het onder feit 1 en onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1), en
‘overtreding van artikel 62 vanPro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990’ (feit 2 subsidiair),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, subsidiair acht dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter bepaald dat de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en heeft de politierechter de benadeelde partij veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [benadeelde] , die in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend ter hoogte van € 3.520,50, bestaande uit € 2.870,50 aan materiële schade en € 650,00 aan immateriële schade, is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve is deze vordering in hoger beroep niet meer aan de orde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 en onder feit 2 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaren en de verdachte voor het onder feit 2 primair tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.
De verdediging refereert zich voor het onder feit 1 tenlastegelegde aan het oordeel van het hof. Voor het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Voor het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof. Tot slot heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 vanPro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. hij op of omstreeks 15 maart 2025, in de gemeente Heerlen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [locatie 1] , als bestuurder een motorrijtuig (personenauto) van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
2. hij op of omstreeks 15 maart 2025, in de gemeente Heerlen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [locatie 2] , bij nadering van de kruising met de weg, de [locatie 1] , die kruising is opgereden en daarbij geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een zich op die kruising bevindend voertuig (personenauto), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 maart 2025, in de gemeente Heerlen, als bestuurder van een voertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [locatie 2] , ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [locatie 1] , een bord B6 van Bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst en/of op het wegdek haaientanden waren aangebracht, de bestuurder van een zich op die kruisende weg bevindend voertuig (personenauto) geen voorrang heeft gegeven, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder feit 2 primair tenlastegelegde
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat op 15 maart 2025 een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen twee personenauto’s, waarvan een werd bestuurd door de verdachte, op de kruising van de [locatie 2] en de [locatie 1] . De voorrang ter plaatse is geregeld door middel van het bord B6 en haaientanden, waarbij het verkeer op de [locatie 1] voorrang heeft op het verkeer op de [locatie 2] . Bij de kruising heeft de verdachte geen voorrang verleend aan de voor hem van links komende personenauto, rijdende op de [locatie 1] , waardoor een aanrijding is ontstaan. De verdachte heeft verklaard dat hij de personenauto niet heeft zien aankomen.
Om tot een veroordeling voor artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) te kunnen komen, zoals onder feit 2 primair ten laste is gelegd, moet sprake zijn van zodanige gedragingen van de verdachte dat gevaar op de weg werd of kon worden veroorzaakt, dan wel dat het verkeer op die weg werd of kon worden gehinderd. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg, zoals bedoeld in artikel 5 WVWPro, sprake dient te zijn van een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag dat inbreuk maakt op de veiligheid op de weg. Er moet sprake zijn van evident gevaarlijk rijgedrag dat de reële mogelijkheid van schade voor goed of lijf op de weg veroorzaakt (vgl. Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 66: ‘Overigens is het niet de bedoeling dat bij iedere vorm van hinder de algemene bepaling zal worden toegepast. Immers, lichte vormen van hinder zijn in het hedendaagse verkeer niet te vermijden. De bepaling strekt er slechts toe evidente vormen van gevaar of hinder aan te pakken.’). Bij de vraag of een bepaalde gedraging kan worden aangemerkt als gevaarzettend, gaat het om de gedraging in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval.
In onderhavige zaak staat vast dat de verdachte ondanks de aanwezigheid van een voorrangsbord B6 en haaientanden geen voorrang heeft verleend. Dit betekent naar het oordeel van het hof echter nog niet dat door deze gedraging van de verdachte gevaar of hinder op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVWPro. Niet iedere schending van de verkeersveiligheid dient ten gevolge te hebben dat artikel 5 WVWPro is geschonden. De bepaling strekt er volgens de wetsgeschiedenis toe evidente vormen van hinder of gevaar aan te pakken. Bovendien is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan welke concrete gedragingen van de verdachte geleid zouden moeten hebben tot gevaar of hinder op de weg. De tenlastegelegde gedragingen, te weten de kruising oprijden en geen voorrang verlenen, zijn naar het oordeel van het hof niet aan te merken als evident, concreet gevaarzettend gedrag, waardoor niet tot een bewezenverklaring van artikel 5 WVWPro kan worden gekomen.
Het hof is mitsdien, anders dan de advocaat-generaal, maar met de politierechter en de verdediging, van oordeel dat het tenlastegelegde onder feit 2 primair niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en zal de verdachte derhalve daarvan vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. hij op 15 maart 2025 in de gemeente Heerlen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [locatie 1] , als bestuurder een motorrijtuig (personenauto) van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
2. hij op 15 maart 2025 in de gemeente Heerlen, als bestuurder van een voertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [locatie 2] , ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [locatie 1] , een bord B6 van Bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst en op het wegdek haaientanden waren aangebracht, de bestuurder van een zich op die kruisende weg bevindend voertuig (personenauto) geen voorrang heeft gegeven, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het procesdossier van de politie Eenheid Limburg, op ambtsbelofte opgemaakt onder zaakregistratienummer PL2300 ( met de hand gewijzigd in PL2431)-2025042000, door verbalisant [verbalisant 1] , aspirant van de politie, gesloten d.d. 15 maart 2025, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen en met digitale doorgenummerde dossierpagina’s 1-80.
Het hof zal, nu de verdachte heeft bekend dat hij het onder feit 1 en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld en zijn raadsman dienaangaande geen vrijspraak heeft bepleit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met de volgende opgave van de bewijsmiddelen:
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 20 mei 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2025, digitale dossierpagina’s 15-18, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 1] ;
Het schriftelijk bescheid, te weten een (betekende) brief van het CBR d.d. 15 april 2024, digitale dossierpagina’s 70-73, gericht aan de verdachte en inhoudende het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs;
Het schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai van het RDW-register d.d. 15 maart 2025, digitale dossierpagina’s 57-59;
Het schriftelijk bescheid, te weten een brief van het CBR d.d. 2 juli 2024, digitale dossierpagina 74, gericht aan de verdachte en inhoudende de ontvangstbevestiging van zijn rijbewijs;
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 maart 2025, digitale dossierpagina’s 25-27, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;
Het proces-verbaal aanrijding overtreding d.d. 15 maart 2025, digitale dossierpagina’s 10-14, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord B nr. 6 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straffen
De raadsman van de verdachte heeft verzocht om aan de verdachte een taakstraf op te leggen, zodat de verdachte zijn positieve ontwikkelingen omtrent onder andere huisvesting en bewindvoering kan voortzetten.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan besluiten van een instantie die mede met het oog op de verkeersveiligheid belast is met onder meer de beoordeling van de geldigheid van rijbewijzen.
Voorts heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het niet verlenen van voorrang, terwijl dat wel had gemoeten. De verdachte heeft derhalve niet alleen gereden met een ongeldig rijbewijs, maar daarbij eveneens zich onvoldoende oplettend in het verkeer bevonden, waardoor hij een groot risico heeft genomen op letsel aan personen of schade aan goederen. Dit risico heeft zich bovendien verwezenlijkt, doordat er een aanrijding is ontstaan. De verdachte heeft daarmee de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en dit rekent het hof de verdachte dan ook aan.
Bij het bepalen van de op te leggen straffen, heeft het hof voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij een uitkering ontvangt en dat hij recent vader is geworden van zijn eerste kind.
Naar het oordeel van het hof kan ter zake van het bewezenverklaarde onder feit 1 niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd, omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt en het strafblad van de verdachte daar onvoldoende in wordt meegenomen.
Al het vorenstaande afwegend acht het hof ter zake het bewezenverklaarde onder feit 1 de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis passend en geboden. Ter zake het bewezenverklaarde onder feit 2 acht het hof de oplegging van een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis passend en geboden.
Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Bovendien zal naar het oordeel van het hof een taakstraf zorgen voor regelmaat in het leven van de verdachte, wat hem ten goede zal komen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 62, 80 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 & 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde tot een gevangenisstrafvoor de duur van 4 (vier) weken;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde tot een taakstrafvoor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
veroordeelt de verdachte ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde tot een taakstrafvoor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;
gelast de teruggaveaan [verdachte] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: