Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van StrafrechtArt. 14c Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep wegens verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel en ongeldig rijbewijs
Op 27 februari 2016 vond een verkeersongeval plaats op een rotonde in Heerlen waarbij de verdachte, ondanks ongeldig verklaard rijbewijs vanwege medische problemen, een bedrijfsauto bestuurde en een ander zwaar lichamelijk letsel toebracht. De rechtbank veroordeelde haar tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, taakstraf en rijontzegging.
In hoger beroep werd de bewijsvoering aangevuld en verbeterd, waarbij getuigenverklaringen, videobeelden, forensisch onderzoek en DNA-analyse centraal stonden. De verdediging voerde aan dat verdachte niet de bestuurder was, maar het hof verwierp deze verweren op basis van consistent bewijs en getuigenverklaringen.
Het hof oordeelde dat de verdachte strafbaar is en matigde de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn. De opgelegde straf bestaat uit een maand voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd, een taakstraf van 160 uur, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee jaar. De uitspraak werd op 2 juni 2026 gewezen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een maand voorwaardelijke gevangenisstraf, 160 uur taakstraf en twee jaar rijontzegging wegens een verkeersongeval met zwaar letsel.
Uitspraak
Parketnummer : 20-001617-19
Uitspraak : 2 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 mei 2019, in de strafzaak met parketnummer 03-242921-17 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “ overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht”veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf voor de duur van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren opgelegd, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging, en met aanvulling van de bewijsmiddelen.
Door de raadsman is primair vrijspraak bepleit en voor zover het hof de verdediging niet volgt in haar verweren, heeft de raadsman drie voorwaardelijke verzoeken tot aanvullend onderzoek gedaan.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, met uitzondering van de strafoplegging.
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid worden de bewijsmiddelen in haar geheel vervangen. De bewijsoverwegingen worden aangevuld naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie Eenheid Limburg Zuid, District Parkstad-Limburg, Basisteam Heerlen, proces-verbaalnummer PL2300-2016036185, niet doorgenummerd, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen,
alsmede het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Parkstad-Limburg, Basisteam Heerlen, registratienummer PL2300-2022098561 (handgeschreven gewijzigd in: PL2431-2022098561), genummerd pagina 1-32, gesloten d.d. 8 december 2022, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Proces-verbaal Aanrijding overtreding d.d. 9 mei 2017, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] ;
Op 27 februari 2016 te 16:23 kreeg ik kennis van een verkeersongeval.
Locatie ongeval
Datum: 27 februari 2016
Omstreeks: 16:23 uur
Adres: Groene Boord
Plaats: Heerlen
Soort weg: Een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg
Bebouwde kom: Binnen
Lichtgesteldheid: Daglicht
Weersgesteldheid; Droog
Wegsituatie: Rotonde
Maximum snelheid: 50 km per uur
Betrokken partijen/objecten
Betrokken 1 (voertuig)
Personenauto [kenteken 1] Ford Focus c-max 2.
Bestuurder
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Betrokken 2 (voertuig)
Personenauto [kenteken 2] Ford F150 4x4 eco bo
Eigenaar/houder: [medeverdachte] .
2. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 februari 2016 (bijlage bij het Proces-verbaal Aanrijding overtreding), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en [verbalisant 4] :
Op zaterdag 27 februari 2016, waren wij, verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] belast met dienst Incident Afhandeling. Op bovengenoemde datum, omstreeks 16.30 uur, kwamen wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , ter plaatse op de rotonde ter hoogte van de kruising Schandelerboord - Schaesbergerweg te Heerlen. Wij zagen dat er een voertuig, merk Ford, type Platinum, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , in de berm tegen het talud van de spoorbrug stond. Enkele meters voor dit voertuig lag een tweede voertuig ondersteboven, half op het trottoir en half in de berm tegen het talud. Wij zagen in dit voertuig een manspersoon liggen. Dit betrof de hierna te noemen betrokkene [slachtoffer] .
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , zag dat er op de rotonde een ambulance stond. Ik zag dat op de step van deze ambulance een manspersoon van middelbare leeftijd zat. Dit betrof de hierna te noemen betrokkene [medeverdachte] . Daarnaast stond er bij de ambulance een vrouwelijke persoon. Dit betrof de hierna te noemen betrokkene [verdachte] .
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , werd aangesproken door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Ik hoorde dat de getuige [getuige 1] tegen mij zei: "Wij waren getuige van de aanrijding”. Ik, verbalisant [verbalisant 3] zei hierop tegen de getuigen dat het fijn was dat zij zich meldden omdat de bestuurder van de terreinwagen zelf aangaf dat hij zich niet veel van de aanrijding kon herinneren en dat ik geen zicht had op de situatie van de bestuurder van het andere voertuig. Ik hoorde dat zowel de getuige [getuige 1] , als de getuige [getuige 2] [het hof begrijpt: [getuige 2] ]hierop gelijk tegen mij zeiden: “Bestuurder? De auto werd bestuurd door de vrouw.”
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , vroeg hierop aan beiden of zij er zeker van waren dat de vrouwelijke persoon het voertuig had bestuurd. Ik hoorde dat de getuige [getuige 1] hierop antwoordde: “Dat weet ik heel zeker, tenzij het stuur van de auto aan de rechterkant van de auto zit.” Ook de getuige [getuige 2] [het hof begrijpt: [getuige 2] ]gaf te kennen dat zij met zekerheid wist te zeggen dat de vrouwelijke persoon aan de linkerzijde (bestuurderskant) uit het voertuig was gestapt en de mannelijke persoon aan de bijrijderszijde was uitgestapt.
De getuigen verklaarden verder dat zij hadden gezien dat de Ford Platinum vanuit de richting van het Schandelerboord (komende uit de richting Heerlerheide), de rotonde op was komen rijden. De Ford C-Max kwam vanaf de Spoorsingel en reed de rotonde op. De getuigen verklaarden dat zij het idee hadden dat de Ford Platinum stuurloos was en dat deze voor hun idee zonder te remmen en met een snelheid van zeker 60 kilometer per uur, in de flank, bestuurderszijde, van de Ford C-Max was gereden.
Omstreeks 17.30 uur, kwamen wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] , ter plaatse in het Zuiderland ziekenhuis. Ter plaatse zagen wij de betrokkenen [medeverdachte] en [verdachte] . Ik, verbalisant [verbalisant 3] , hoorde betrokkene [verdachte] zeggen dat zij niet in het bezit is van een rijbewijs.
3. Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 februari 2016 (bijlage bij het Proces-verbaal Aanrijding overtreding), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Gisteren, zaterdag 27 februari 2016 omstreeks 16:21 uur, reed ik over de Groene Boord te Heerlen komende uit de richting van het ”Grand Hotel” gaande in de richting van de Schandelerboord. Ik was bestuurder van mijn auto en mijn vriendin zat naast me. Toen ik onder het viaduct doorreed zag ik een zwarte pick-up ontzettend hard de rotonde op rijden. Voor mijn gevoel ging hij veel harder dan 50 kilometer per uur. Ik had eerst het idee dat de remmen van die auto kapot waren, zo hard ging het. De pick-up kwam vanuit de richting van de Schandelerboord gereden.
Ik zag dat deze pick-up als het ware rechtdoor de rotonde op reed. Ik zag dat hij op de rotonde een aanrijding kreeg met een grijze auto. Ik zag dat de grijze auto vol in de flank geraakt werd. De grijze auto zat op het moment van de aanrijding al op de rotonde. Vervolgens rolde het grijze voertuig op de kop en bleef ook op zijn kop liggen. Ik zag dat de bestuurder achter het stuur bleef zitten.
Ik ben toen uit mijn auto gestapt en richting beide voertuigen gelopen. Ik heb 112 gebeld en tijdens het wachten geprobeerd om eerste hulp te verlenen.
Ik ben vervolgens naar de zwarte pick-up gelopen. Ik liep naar de bestuurderszijde en deze deur heb ik opengemaakt. Ik zag toen een vrouw achter het stuur zitten, die een beetje een versufte indruk maakte. Toen kwam een man om de auto gelopen. Het was voor mij duidelijk dat dit de bijrijder van de zwarte pick-up betrof. Ik hoorde dat hij tegen mij zei “Laat haar maar zitten want ze is onwel geworden”.
Ik had goed zicht op de aanrijding. Ik heb alles perfect kunnen zien. De afstand tussen mij en de plaats van aanrijding was ongeveer 5 meter.
4. Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 februari 2016 (bijlage bij het Proces-verbaal Aanrijding overtreding), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
Op zaterdag 27 februari 2016, omstreeks 16.30 uur, bevond ik mij samen met mijn vriend, [getuige 1] , in zijn personenauto. Wij kwamen vanuit de richting van het Amrath hotel en waren voornemens om naar huis te rijden. Ter hoogte van de rotonde stonden wij stil onder de aldaar gelegen brug.
Toen ik naar links keek, zag ik dat een tweetal voertuigen over het wegdek schoven. Ik heb gezien dat dit een zwarte auto en een zilver/grijze auto betrof. Het waren beide auto's van het merk Ford. En de zwarte auto betrof een 4x4.
Ik heb gezien dat op een gegeven moment de zilvergrijze auto over de kop vloog. Ik zat op dat moment op de bijrijdersstoel van de auto. Ik heb de hele tijd zicht gehad op beide auto's.
Ik ben vervolgens samen met mijn vriend uit de auto gestapt en we zijn naar de auto's toe gerend. Ik ben bij de auto's blijven staan, tussen beiden auto's in, op zo'n twee meter van beide auto's. Ik heb alles duidelijk kunnen zien.
Op het moment dat ik bij beide auto’s stond, zag ik dat een vrouw achter het stuur zat van de zwarte auto. Ik zag dat een man uitstapte vanuit de bijrijdersstoel. Ik zag dat hij zijn ribben vast hield en een beetje strompelde. Ik hoorde dat de man zei dat zijn vrouw een aanval had gehad. Ik zag dat de vrouw nog even in het voertuig bleef zitten. Ik heb gezien dat de airbag van de bijrijderszijde in werking was gegaan door de klap.
5. Proces-verbaal van verhoor benadeelde d.d. 16 augustus 2016 (bijlage bij het Proces-verbaal Aanrijding overtreding), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Nadat ik de heer [slachtoffer] vroeg wat zijn opgelopen verwondingen waren ten gevolge van het genoemde ongeval, somde hij het navolgende op:
- Zeven gebroken ribben.
- Linker heup gekneusd.
- Bekken gebroken.
- Scheur in het middenrif.
- Scheur in het hartzakje.
- Organen gekneusd en verschoven.
Nadat ik de heer [slachtoffer] vroeg hoeveel operaties hij had ondergaan in verband met zijn opgelopen verwondingen, deelde hij het navolgende mede:
“Ik heb 3 operaties moeten ondergaan.
- de eerste keer om de organen te verplaatsen en te controleren;
- de tweede keer wederom om de organen te verplaatsen en te controleren;
- de derde keer ben ik aan mijn bekken geopereerd.”
De heer [slachtoffer] verklaarde verder dat hij pas sinds eind juli van dit jaar weer een beetje kon deelnemen aan het dagelijkse normale leven.
6. Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 4 augustus 2016, met bijlagen, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :
Ik, verbalisant [verbalisant 5] , heb een onderzoek ingesteld naar de aanleiding/oorzaak/vermijdbaarheid van een verkeersongeval dat op zaterdag 27 februari 2016, omstreeks 16:23 uur, had plaatsgevonden op de rotonde, gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen de Schandelerboord met de Spoorsingel, de Groene Boord en de Schaesbergerweg, gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Heerlen.
1.4.
Conclusie/ beantwoording
- Het ongeval is ontstaan doordat de bestuurster van de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150:
o bij de nadering van de rotonde haar snelheid niet minderde i.c. aanpaste aan de verkeerssituatie, immers 5 seconden voor de botsing reed de bestuurster met een snelheid van 61 km/h en vervolgens reed zij accelererend naar een snelheid van 67 km/h (zijnde de botssnelheid) de rotonde op;
o bij de nadering van de rotonde het voorsorteervak bestemd voor het rechts afslaande en het rechtdoor gaande verkeer volgde en vervolgens op de rotonde het verloop van de voor haar bestemde buitenste rijstrook niet volgde;
o geen voorrang verleende aan de bestuurder van de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, die reeds op de rotonde reed op het moment dat zij vanaf de Schandelerboord de rotonde opreed.
De bij de aanrijding betrokken voertuigen verkeerden in voldoende rijtechnische staat van onderhoud. Er werden geen gebreken en/of afwijkingen aangetroffen, welke van invloed geweest kunnen zijn op het ontstaan danwel de gevolgen van het ongeval.
Uit de analyse van de uitgelezen data van de airbagmodule van de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, bleek dat de bestuurster op het moment dat de aanrijding plaatsvond had gereden met een snelheid van 67 km/uur.
2.2.
Omschrijving plaats ongeval
De aanrijding vond plaats op de rotonde gevormd door de Schandelerboord met de Spoorsingel, de Groene Boord en de Schaesbergerweg, gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Heerlen. Het verkeer op de rotonde heeft voorrang op het verkeer naderend over de aansluitende wegen.
2.2.1.
Wegsituatie
De rotonde betreft een zogenaamde turborotonde. De rijbaan van de rotonde is verdeeld in twee rijstroken (binnenste en buitenste rijstrook) welke middels een verhoogde geleider (verhoogde baanscheiding) van elkaar zijn gescheiden. Kort voor de aansluiting op de rotonde heeft de rechter rijstrook van de Schandelerboord een breedte van ongeveer 7,5 meter. Deze rijstrook is verdeeld in twee voorsorteervakken, een vak bestemd voor het verkeer dat op genoemde rotonde rechtdoor en linksaf hun weg wil vervolgen en een vak bestemd voor het verkeer dat op genoemde rotonde rechtsaf hun weg wil vervolgen. Genoemde voorsorteervakken zijn middels een verhoogde geleider van elkaar gescheiden.
4.2.1
Autogordels/ Airbags
Betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150:
Wij zagen, dat de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type 150, was voorzien van autogordels voor zowel de bestuurder als de daarnaast zittende passagier. Wij zagen dat de gordel bestemd voor de bestuurder en voor de daarnaast zittende passagier opgerold langs de B-stijl hing. Bij controle constateerden wij, dat de gordelspanner niet was geactiveerd en dat het oprolmechanisme van deze gordels niet geblokkeerd was.
Bij onderzoek van de gordel bestemd voor de bestuurder werden recente sporen van hitte en
overrekking aangetroffen op dat gedeelte van de gordel, dat bij gebruik van die gordel door een van de geleidepunten sleept. Op het geleidepunt van de sluitclip van deze gordel werden geen krassporen aangetroffen.
Bij onderzoek van de gordel bestemd voor de naast de bestuurder zittende passagier werden geen recente sporen van hitte en overrekking aangetroffen op dat gedeelte van de gordel, dat bij gebruik van die gordel door een van de geleidepunten sleept. Op het geleidepunt van de sluitclip van deze gordel werden geen krassporen aangetroffen.
Na onderzoek van de autogordels kon er met zekerheid worden vastgesteld dat door de bestuurster gebruik was gemaakt van de autogordel. Of de passagier gezeten naast de bestuurder gebruik heeft gemaakt van de autogordel kon niet worden vastgesteld. De airbag bestemd voor de passagier gezeten naast de bestuurder van het betrokken voertuig was geactiveerd. De overige airbags van het betrokken voertuig waren niet geactiveerd.
4.2.2
Videobeelden beveiligingscamera
Het centrum van Heerlen is voorzien van camera’s van het camerabewakingssysteem van stadstoezicht van de gemeente Heerlen. Een kopie van dit beeldmateriaal werd voor verder onderzoek aan mij, verbalisant [verbalisant 5] , overgedragen.
Na onderzoek van dit beeldmateriaal bleek:
dat de camera nr. 04:124 geplaatst stond op de Groene Boord ter hoogte van de T-kruising met de Klompstraat en gericht was op een gedeelte van de rotonde gevormd door de Groene Boord met de Schaesbergerweg, de Schandelerboord en de Spoorsingel;
dat de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, op 27/02/2016 te 16:19:11.093 uur zichtbaar was. Tevens was een personenauto, merk Mini Cooper, kleur blauw, rijdende over de Groene Boord
dat de bestuurster van de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, op 27/02/2016 te 16:19:12.055 uur vanaf het voorsorteervak bestemd voor het rechtsaf slaande en rechtdoor gaande verkeer de rotonde op reed;
dat de bestuurster van de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, op 27/02/2016 te 16:19:12.413 uur op eerdergenoemde rotonde over de binnenste rijstrook
dat de bestuurder van de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, op 27/02/2016 te 16:19:12.413 uur zichtbaar was;
dat de bestuurder van de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, komende vanaf de Spoorsingel de rotonde was opgereden en hierbij de rijstrook bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer
dat op 27/02/2016 te 16:19:13.133 uur de bestuurster van de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, frontaal met de voorzijde tegen de linker flank van de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, botste en dat hierbij de bijrijdersairbag van de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, werd geactiveerd;
dat de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, door de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, zijdelings werd weggedrukt richting de buitenzijde van de rotonde i.c. richting het vrij liggend fietspad;
dat op 27/02/2016 te 16:19:14.173 uur de bestuurder van de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, met de rechter flank in botsing kwam met een betonnen varkensrug liggend in de berm tussen de rijbaan van de rotonde en het vrij liggend fietspad;
dat op 27/02/2016 te 16:19:14.413 uur de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, met de wielen loskwam van de grond en vervolgens
dat op 27/02/2016 te 16:19:15.293 uur de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus,
dat op 27/02/2016 te 16:19:16.013 uur de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, op zijn dak terecht kwam en vervolgens op 27/02/2016 te 16:19:16.613 liggend op zijn dak tot stilstand kwam. Hierbij lag het voertuig deels op het trottoir en deels op het vrij liggend fietspad
dat op 27/02/2016 te 16:19:18.113 uur de bestuurder van personenauto, merk Mini Cooper, kleur blauw, uit zijn voertuig stapte
dat op 27/02/2016 te 16:19:22.213 uur de bestuurder van personenauto. merk Mini Cooper, kleur blauw, richting de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, liep en dat de bijrijdster van genoemde Mini Cooper uit het voertuig stapte.
dat op 27/02/2016 te 16:19:27.814 uur de bestuurder van personenauto. merk Mini Cooper, kleur blauw, knielde bij de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, en dat de bijrijdster van genoemde Mini Cooper richting genoemde Ford Focus liep.
4.2.3
Airbagmodule betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150
Tijdens het vervolg voertuigonderzoek op maandag 14 maart 2016 werd door ons uit de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, voor een vervolgonderzoek gedemonteerd en in beslag genomen: een airbagmodule, merk Ford, artikelnr. FL3T-14B321-AD. serienr. 7000664400000000, gemonteerd in de tunnelconsole tussen de beide voorstoelen.
Op woensdag 16 maart 2016 werd de data opgeslagen in genoemde airbagmodule uitgelezen door [verbalisant 9] , verkeersongevallenanalist.
Uit analyse van de uitgelezen data bleek, dat het navolgende onder andere geregistreerd was:
dat de bestuurdersgordel was gebruikt en de bijrijdersgordel niet;
dat het voertuig op het moment dat er een aanrijding plaatsvond reed met een snelheid van 67km/uur;
dat 5 seconden voor dit tijdstip de rijsnelheid 61 km/uur was;
dat 5 seconden voor het ongevalstijdstip niet met het voertuig was geremd;
dat de bestuurder in de tijdsperiode van 5 seconden voor het ongeval diverse stuurbewegingen maakte van links naar rechts, waarbij net voor het ongeval naar rechts werd gestuurd.
4.2.4
DNA-onderzoek airbag zak betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150
Tijdens het vervolg voertuigonderzoek op maandag 14 maart 2016 werd door ons uit de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, voor een vervolgonderzoek gedemonteerd en in beslag genomen: een airbagzak gemonteerd in het dashboard ter hoogte van de bijrijderszitplaats.
4.2.5
Bepaling botspositie
Uit onderzoek naar de bepaling van de botspositie bleek het navolgende:
Dat de bestuurster van de betrokken bedrijfsauto Ford, type F150, frontaal met de voorzijde van het voertuig tegen de linker flank midden van de betrokken personenauto, merk Ford, Focus, was gebotst.
Dat de bestuurster van de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, de bestuurder van de Ford Focus van links was genaderd op het moment dat de bestuurder van de Ford Focus met zijn voertuig de rotonde was opgereden.
Door de kracht van de botsing in combinatie met het massaverschil en het snelheidsverschil tussen de beide voertuigen werd de Ford Focus naar rechts weggedrukt en kwam de rechter flank van het voertuig in botsing met een betonnen varkensrug gelegen naast de rijbaan van de rotonde.
4.2.6
Botsplaats
Gezien het sporenbeeld bleek dat de botsing tussen de beide voertuigen op de binnenste rijstrook van de rotonde had plaatsgevonden, ter hoogte van de aansluiting van de Spoorsingel.
5.2.
Vermoedelijke toedracht
De bestuurder van de betrokken personenauto, merk Ford, type Focus, had gereden over de Spoorsingel, komende uit de richting van de Willemstraat en rijdende in de richting van de rotonde gevormd door de Spoorsingel met de Groene Boord, de Schaesbergerweg en de Schandelerboord.
Bij deze rotonde had deze bestuurder de buitenste rijstrook van de rotonde overgestoken en teneinde zijn weg te vervolgen over de binnenste rijstrook van de rotonde, bestemd voor het rechtdoor gaande verkeer (richting de Schaesbergerweg)en het linksaf slaande verkeer (richting de Schandelerboord).
De bestuurster van de betrokken bedrijfsauto, merk Ford, type F150, had gereden over de
Schandelerboord, komende uit de richting van de Palemigerboord en rijdende in de richting van de rotonde gevormd door de Schandelerboord met de Spoorsingel, de Groene Boord en de Schaesbergerweg. Bij de nadering van deze rotonde had deze bestuurster het voorsorteervak gevolgd bestemd voor het rechtdoor gaande verkeer (richting Groene Boord)en het rechtsaf slaande verkeer (richting Spoorsingel).Bij het oprijden van deze rotonde was deze bestuurster de buitenste rijstrook van de rotonde rechtdoor overgestoken en vervolgens over de verhoogde geleider (verhoogde baanscheiding)gereden, teneinde haar weg rechtdoor te vervolgen over de binnenste rijstrook bestemd voor het linksaf slaande verkeer (richting Schaesbergerweg).Hierbij reed deze bestuurder met haar voertuig deels over de overrijdbare strook (zogenaamde rammelstrook behorende tot het middeneiland)van
de rotonde.
Bovengenoemde rijrichting blijkt uit het sporenbeeld aangetroffen op de plaats van het ongeval, het sporen- en schadebeeld aangetroffen aan de betrokken voertuigen en uit het onderzoek naar de bepaling van de botspositie en de botsplaats. Tevens blijkt bovengenoemde rijrichting mede na onderzoek van het beeldmateriaal vastgelegd door de camera's van het camerabewakingssysteem van stadstoezicht van de gemeente Heerlen.
5.3
Vermijdbaarheid
De bestuurster van de betrokken bedrijfsauto merk Ford type F150 had het ongeval kunnen voorkomen indien zij;
-Bij de nadering van de rotonde haar snelheid had geminderd i.c. had aangepast aan de verkeerssituatie immers 5 seconden voor de botsing reed de bestuurster met een snelheid van 61 km/h en vervolgens reed zij accellererend naar een snelheid van 67 km/h de rotonde -op de rotonde het verloop van de voor haar bestemde buitenste rijstrook had gevolgd immers voor het oprijden van de rotonde volgde zij het voorsorteervak bestemd voor het rechtsafslaande en rechtdoorgaande verkeer
-voorrang had verleend aan de bestuurder van de Ford Focus die reeds op de rotonde reed op het moment dat zij vanaf de Schadelerboord de rotonde opreed.
6.1.1
Fotomap
Foto 22 en 23: tonen de aangetroffen eindposities van de betrokken voertuigen.
Foto 22
Foto 23
7. Proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen en benoeming DNA-deskundigen d.d. 20 april 2016 (bijlage bij Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 4 augustus 2016), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op 27 februari 2016 werd melding gedaan van een verkeersongeval met letsel te Heerlen.
Tijdens het onderzoek is als verdachte aangemerkt:
[verdachte] , geboren [geboortedag] 1974
Spoor
Spoornummer PL2300-2016036185-37793
SIN AAIB6703NL
Relatie met SIN AABS8119NL
Spooromschrijving Epitheel
Tijdstip veiligstellen 19 april 2016
Plaats veiligstellen Ovale gedeelte en 10 centimeter rondom
Onderzoeksopdracht/vraagstelling
SIN AAIB6703NL Vaststelling DNA profiel van veiliggesteld biologisch spoor.
Spoor is afkomstig van een airbagzak van een voertuig welke betrokken was bij een aanrijding. De geactiveerde airbag is afkomstig van de bijrijderszitplaats.
8. Proces-verbaal Biologisch vooronderonderzoek d.d. 20 april 2016 (bijlage bij Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 4 augustus 2016), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
In verband met een verkeersongeval op 27 februari 2016 werd door mij een forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendrager.
Sporendrager
Goednummer PL2300-2016036185-772529
Relatie met SIN AABS8119NL
Spoor
Spoornummer PL2300-2016036185-37793
SIN AAIB6703NL
Relatie met SIN AABS8119NL
Spooromschrijving Epitheel
Tijdstip veiligstellen 19 april 2016
Plaats veiligstellen Ovale gedeelte en 10 centimeter rondom
Object Airbag
Tijdstip veiligstellen 19 april 2016
Plaats veiligstellen Ovale gedeelte en 10 centimeter rondom
Onderzoeksopdracht/vraagstelling
SIN AAIB6703NL Vaststelling DNA profiel van veiliggesteld biologisch spoor.
Spoor is afkomstig van een airbagzak van een voertuig welke betrokken was bij een aanrijding. De geactiveerde airbag is
afkomstig van de bijrijderszitplaats.
9. Aanvullend proces-verbaal d.d. 14 november 2018, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :
Door een van de inzittenden van de Ford F150, genaamd [verdachte] , werd mij medegedeeld dat zij volgens haar paspoort gegevens 165 centimeter groot is.
10. Proces-verbaal (aanvullend) d.d. 25 april 2025 (los gevoegd), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Ad 1a:
Op de plaats van het ongeval werd de betrokken Ford in beslag genomen en voor verder onderzoek overgebracht naar een bergingsbedrijf. De stand van de stoelen zoals die door mij op de plaats van het ongeval werden aangetroffen werden niet gewijzigd. Tijdens het ingesteld voertuigonderzoek werd de stand van de bestuurdersstoel opgemeten. Tijdens het aanvullend onderzoek werd de bestuurdersstoel van het vervangend voertuig in nagenoeg dezelfde stand geplaatst als de aangetroffen stand van de betrokken Ford.
Ad 1b:
Volgens pagina 145 van het instructieboekje wordt de uitstapstand omschreven onder de rubriek “Easy Entry and Exit Feature”. Bij het uitschakelen van het contact gaat de bestuurderstoel ongeveer 5 cm naar achteren. Als het contact vervolgens weer wordt ingeschakeld, verplaatst de bestuurdersstoel zich weer in de laatste zitstand.
Ad1c:
Uitgaande van de uitleg bij ad 1b stond de bestuurderstoel van de betrokken Ford tijdens het voertuig onderzoek i.c. tijdens het opmeten van de stand van de bestuurderstoel in de uitstapstand. Het voertuig is na het ongeval en voor het opmeten van de genoemde stand niet meer op contact geweest. Op het moment van het ongeval zal de stand van de bestuurderstoel van het voertuig ongeveer 5 cm verder naar voren verplaatst zijn dan de afstand gemeten tijdens het voertuig onderzoek.
Ad 1d:
Bij het vaststellen van de stoelstand van de bestuurderszitplaats van de betrokken Ford is geen rekening gehouden met de uitstapstand. De aangetroffen stand werd tijdens het voertuig onderzoek opgemeten zonder correctie met de uitstapstand van ongeveer 5 cm.
Ad 1e:
Tijdens het uitgevoerde aanvullend vervolgonderzoek (gerelateerd in het aanvullend proces-verbaal d.d. 14 juni 2018) had de kleinste proefpersoon een lichaamslengte van 1,63 meter. Tijdens dit onderzoek stond de stoel van de betrokken Ford in de uitstapstand. Tevens bleek tijdens het aanvullend onderzoek, dat deze proefpersoon de pedalen kon bedienen. Tijdens het ongeval zal de stoel dus 5 cm verder naar voren verplaatst zijn dan de afstand gemeten
tijdens het voertuig onderzoek. Als de bestuurdersstoel niet in de uitstapstand staat, kan met zekerheid gesteld worden dat deze proefpersoon de bedieningspedalen zeer zeker kon bedienen. De persoon die op de bestuurderszitplaats heeft gezeten, heeft gebruik gemaakt van de autogordel. Aangezien [verdachte] geen letsel had, kan gesteld worden, dat zij op de bestuurderszitplaats heeft gezeten ten tijde van het ongeval (zie Ad 2c).
Ad 2a:
Bij het activeren van een airbag (door een ontploffing) wordt de airbag razendsnel gevuld en ontplooid. De airbag komt met een snelheid van ongeveer 300 km/u naar voren. Het risico op airbagletsel is groot als er geen gebruik gemaakt wordt van de autogordel.
De kracht van de airbag kan de volgende soorten letsels veroorzaken:
• nekklachten;
• gebroken of gekneusde handen en vingers;
• een schouder die uit de kom raakt;
• gekneusde of gebroken ribben;
• kneuzing of een breuk van het sleutelbeen of borstbeen;
• aangezichtsletsel;
• gehoorschade;
• ademhalingsproblemen;
• brandwonden.
(bron: https:l/www.hijink.com/soorten-letse/schade/airbagletsel/)
Ad 2c:
Uit de analyse van de data opgeslagen in de airbagmodule van de betrokken Ford bleek, dat de persoon gezeten op de bestuurderszitplaats de gordel had gebruikt en de persoon gezeten op de bijrijderszitplaats de gordel niet had gebruikt. Dit wordt mede bevestigd door de sporen aangetroffen aan de beide gordels tijdens het voertuigonderzoek. Als de airbag wordt geactiveerd is het risico op airbagletsel groot als er geen gebruik gemaakt wordt van de autogordel (zie Ad 2a). Het dragen van de gordel vermindert de kans op letsel aanzienlijk. Het ontbreken van letsel bij [verdachte] past bij de situatie, dat zij op de bestuurderszitplaats heeft gezeten ten tijde van het ongeval.
Ad 3a:
Tijdens het voertuigonderzoek op maandag 29 februari 2016 werd vastgesteld dat het stuur van de betrokken Ford verbogen was.
Ad 3b:
Het stuur kan verbuigen als er een kracht op het stuur wordt uitgeoefend die tegengesteld is aan de kracht die op het voertuig wordt uitgeoefend tijdens de botsing (ten gevolge van massatraagheid i.c. de wetten van Newton. Het voertuig wordt door de botsing abrupt afgeremd, het lichaam wil zover dat gaat door wel of geen gordel gebruik nog door bewegen naar voren). Dit gebeurt hoofdzakelijk tijdens frontale aanrijdingen. Indien de bestuurder de gordel draagt en het stuur stevig blijft vasthouden tijdens de botsing, is de kans aanwezig dat het stuur verbuigt.
11. Proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 22 januari 2019, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
U toont mij een situatieschets van de plek waar het ongeval op 27 februari 2016 heeft plaatsgevonden en vraagt mij om aan te geven wie waar stond. Ik ben gestopt onder het viaduct. Ik ben toen uitgestapt en naar de pick-up gelopen. Ik deed de deur van de pick-up aan de bestuurderszijde open en zag dat de vrouw, die achter het stuur, zat in shock was. Wel was ze bij bewustzijn. Ik weet dat zij achter het stuur zat, omdat ik haar uit de auto heb proberen te halen. Toen de auto over de rotonde reed, kon ik niet nog zien wie de auto bestuurde. Dat zag ik pas op het moment dat ik de deur aan de bestuurderszijde opentrok om hulp te verlenen. Toen zag ik een vrouw achter het stuur zitten die duidelijk in shock was en geen antwoord gaf op mijn vragen. Ik weet honderd procent zeker dat de vrouw achter het stuur zat. Ik kan mij daar niet in vergissen. Haar man kwam vervolgens rechts naast mij staan en zei dat zijn vrouw onwel was geworden. Die man was langs de achterzijde van de pick-up naar mij toe komen lopen. De tijd tussen de klap en het moment dat ik de deur opentrok, was maar een paar seconden. Ik hoefde maar mijn handrem aan te trekken en er naartoe te rennen. Ik stond er praktisch naast.
U zegt mij dat er discussie is over wie er achter het stuur heeft gezeten. Ik weet honderd procent zeker dat mevrouw achter het stuur heeft gezeten. Ik reed in een lichtblauwe Mini Cooper S.
Ik had goed zicht op de auto's, honderd procent. De deuren van de pick-up heb ik niet eerder
zien opengaan.
12. Proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 22 januari 2019, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
U toont mij een situatieschets van de plek waar het ongeval op 27 februari 2016 heeft plaatsgevonden en vraagt mij om aan te geven wie waar stond. Wij kwamen vanaf de Groene Boord aangereden. Ik heb van het ongeluk niet alles gezien, omdat het allemaal heel snel ging. Ik kan me wel nog herinneren dat een zwarte pick-up de auto die al op de rotonde reed volledig ramde. Die auto kwam op de kop onder de brug terecht. Mijn ex-vriend ( [getuige 1] ) en ik stonden bijna op het zebrapad, aan de rechterkant van de straat. We zijn beiden uit de auto gesprongen en ik heb 112 gebeld. Ik ben naar de andere kant van de straat gelopen, in de richting van de auto die op de kop lag. Er waren al mensen die probeerden om de man uit de auto te halen.
Een man stapte aan de bijrijderszijde van de zwarte pick-up uit en liep om de auto heen. Ik dacht dat hij langs de achterkant liep. Ik zag dat hij moeilijk liep. Hij zei dat zijn vrouw onwel was geworden. De vrouw was in shock.
Ik hoorde dat er op het politiebureau werd gezegd dat de man zou hebben gereden en dat hierover discussie was, maar dat klopt niet. Ik weet zeker dat de vrouw achter het stuur zat. Ik kan mij hierover niet vergissen.
13. Proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris d.d. 30 juni 2025 (los gevoegd), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Raadsheer-commissaris: wat kunt u zich nog herinneren vandaag de dag van de aanrijding?
Getuige: we kwamen aanrijden op de rotonde, ik was er nog niet op. Onder het viaduct van de trein zijn we stil gaan staan en op de rem gegaan omdat ik het zag gebeuren. Ik zag een pick-up truck bijna recht op mij afrijden. Recht over de rotonde, dus niet met de rotonde mee. Die auto raakte de andere auto aan de zijkant, die vloog over de kop. Ik had een schrikreactie. Ik drukte op de rem en ik stapte uit, zoals op de beelden te zien is. Ik loop naar de bestuurderskant van de pick-up, de auto die het ongeluk veroorzaakte, Ik probeerde te communiceren met de bestuurder, een mevrouw. Dat ging niet, ze was onwel geworden. Een paar seconden later kwam de bijzitter, een meneer, die vertelde mij dat de vrouw onwel was geworden, maar dat zag ik zelf al.
14. Proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris d.d. 30 juni 2025, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
Raadsheer-commissaris: wat kunt u zich herinneren van die aanrijding?
Getuige: We reden de desbetreffende rotonde op, en ik zag van links een grote Pick-up truck 4x4 RAM. Het ging heel snel. Die pick-up truck ramde een kleinere auto. Die vloog tegen de varkensrug aan waardoor die op de kop belandde. Die zwarte truck die schoot door tegen het talud. Toen ben ik uitgestapt, 112 gebeld, mijn ex-vriend ook. Ze wisten wat er loos was en dat de hulpdiensten nodig waren, er was al gebeld. In mijn herinnering is de man, de bijrijder, dus de passagier van de zwarte 4x4 RAM, die liep om de auto heen om de vrouw, de bestuurder eruit te halen.
Raadsman: wie is de bijrijderskant uitgestapt?
Getuige: De meneer.
Raadsman: Die meneer is om de auto heen gelopen?
Getuige: Ja.
15. Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 26 augustus 2022 (proces-verbaal met registratienummer PL2300-2022098561, dossierpagina’s 18-20), zaaknummer 2022.07.06.141, opgesteld door [deskundige 1] , voor zover inhoudende:
Het DNA-profiel WAAS5597NL van de verdachte [medeverdachte] is op
12 juli 2022 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en wordt
sindsdien vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is tot op heden één match gevonden.
NFI zaaknummer
2016.05.04.187
SIN/DNA-identiteitszegel
AAIB6703NL#01
Delict
verkeersongeval met letsel
Matchkans DNA-profiel
kleiner dan één op één miljard
Datum opname DNA-databank
23 mei 2016
Datum rapportage
26 mei 2016
Aanvullende bewijsoverwegingen
In hoger beroep is door de verdediging, evenals in eerste aanleg, betoogd dat verdachte de Ford F150 niet bestuurd heeft, hetgeen blijkt uit de stand van de bestuurdersstoel, in het kader waarvan een voorwaardelijk verzoek is gedaan tot reconstructie. De tweede omstandigheid waardoor de verdachte de bestuurder niet kon zijn volgt uit het feit dat het stuur verbogen was, hetgeen niet door de verdachte kan zijn gebeurd. Ook in dit kader is een voorwaardelijk verzoek gedaan om forensisch onderzoek door het NFI. Voorts zijn in de visie van de verdediging de getuigenverklaringen onbetrouwbaar.
Met betrekking tot het DNA-onderzoek heeft de verdediging opmerkingen gemaakt en in dat kader een voorwaardelijk verzoek gedaan tot onderzoek door het NFI.
Naar aanleiding van hetgeen door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt het hof als volgt.
Het hof gaat, evenals de rechtbank, uit van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Zowel bij de rechter-commissaris als bij de raadsheer-commissaris zijn zij bij hun verklaringen gebleven, zoals ter plaatse gelijk bij de politie afgelegd, te weten dat zij hebben gezien dat de verdachte de bestuurster was. Dat zij niet gezien zouden hebben dat de verdachte op verzoek van haar man na het ongeval op de bestuurdersstoel is gaan zitten om spullen uit de auto te pakken, acht het hof niet aannemelijk geworden.
Zoals blijkt uit de foto’s 22 en 23 zoals opgenomen bij het VOA rapport, en zoals blijkt uit hun eigen verklaringen, zagen zij het ongeval gebeuren, stapten zij uit de Mini Cooper zodra de Ford Focus op het dak was beland, en hadden zij vanuit hun positie duidelijk zicht op beide auto’s. Het hof heeft, evenals de rechtbank, geen reden om te twijfelen aan hun verklaringen.
Na het ongeval is de airbag in beslag genomen en aan DNA-onderzoek onderworpen. Uit het NFI rapport van 26 mei 2016 volgt dat er geen DNA is aangetroffen van verdachte op de airbag. Uit het NFI rapport van 26 augustus 2022, gevoegd in het dossier van verdachte, volgt dat er wél DNA is aangetroffen van [medeverdachte] op de airbag, waarvan de matchkans kleiner dan één op één miljard is.
Daarnaast is uit de verkeersongeval-analyse komen vast te staan dat de bestuurder van de Ford F-150 een gordel droeg. [medeverdachte] heeft door het ongeval letsel opgelopen, hetgeen overeenkomt met een persoon die geen gordel droeg en waarbij de airbag voor hem was geactiveerd. Verdachte had na het ongeval geen letsel, hetgeen strookt met een persoon die een gordel heeft gedragen. Met betrekking tot de omstandigheid dat de verdachte gelet op de stoelstand en haar lengte de auto niet kan hebben bestuurd dan wel dat zij vanwege haar postuur het stuur niet kan hebben verbogen verwijst het hof naar de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] in zijn aanvullend proces-verbaal van 25 april 2025. Hieruit blijkt dat beide aspecten niet uitsluiten dat zij de bestuurster is geweest.
Verweren c.q. voorwaardelijke verzoeken van de verdediging
De verdediging heeft drie verweren gevoerd, waarbij zij heeft verzocht om aanvullend onderzoek, mocht het hof de verdediging niet volgen. De verweren zijn kort samen te vatten als: 1) de stoelstand bewijst dat verdachte de Ford F-150 niet kon hebben bestuurd; 2) het verbogen stuur en de letsel van [medeverdachte] , alsmede het ontbreken van letsel bij verdachte, duiden erop dat verdachte niet de Ford F-150 heeft bestuurd; en 3) het ontbreken van DNA van verdachte op de airbag heeft geen bewijskracht. De verdediging heeft vervolgens voorwaardelijk verzocht om aanvullend onderzoek te doen naar respectievelijk de stoelstand, een interdisciplinair forensisch onderzoek door het NFI naar de kracht die nodig is voor het verbuigen van het stuur en, tot de slot, onderzoek naar de bewijskracht van het ontbreken van DNA van verdachte op de airbag.
Ten eerste, ten aanzien van de stoelstand. De verdediging heeft aangevoerd dat het aanvullende proces-verbaal d.d. 25 april 2025 niet de vraag van het hof beantwoordde omdat er slechts is aangegeven of verdachte de pedalen kon bedienen maar niet of de aangetroffen stoelstand zo was dat zij comfortabel/fatsoenlijk/veilig kon autorijden. Het hof is van oordeel dat het aanvullend proces-verbaal voldoende duidelijkheid schept over de stoelstand en concludeert daaruit dat verdachte bij de pedalen kon en derhalve de Ford F-150 kon besturen.
Ten tweede, ten aanzien van het verbogen stuur heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte het stuur niet heeft kunnen verbuigen en heeft voorwaardelijk verzocht om interdisciplinair forensisch onderzoek door het NFI naar de kracht die nodig is voor het verbuigen van het stuur. In het aanvullende proces-verbaal d.d. 25 april 2025 wordt aangegeven dat de hoeveelheid kracht die nodig is om een stuur te verbuigen afhankelijk is van diverse factoren en niet te bepalen is. Als een bestuurder een gordel draagt – zoals in onderhavige zaak – en het stuur stevig blijft vasthouden tijdens de botsing, is de kans aanwezig dat het stuur verbuigt. De verbuiging van het stuur sluit derhalve niet uit dat verdachte de bestuurder kan zijn geweest.
Ten derde, ten aanzien van het ontbreken van DNA van verdachte op de airbag heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht om een forensisch statistisch onderzoek door het NFI over de bewijswaarde van het eventueel ontbreken van DNA van verdachte op de airbag dat zij niet op de bijrijdersstoel heeft gezeten. Het hof acht dit aanvullende onderzoek niet noodzakelijk nu er wel DNA is aangetroffen van [medeverdachte] en – mocht de verdachte op de bijrijdersstoel hebben gezeten – zou te verwachten zijn dat er ook DNA van haar op de airbag had gezeten.
Over het verweer van de verdediging dat de relatief zeer geringe hoeveelheid DNA dat is aangetroffen op de airbag - die te gering was in aantal en intensiteit voor nader onderzoek - overweegt het hof dat er geen enkele steun in het procesdossier is dat dit DNA dan aan verdachte zou toebehoren. Dit betreft een veronderstelling van de verdediging die geen bevestiging vindt in het dossier. Gelet op hetgeen uit een botsproef [1] blijkt met een vergelijkbare Ford F150 die met een snelheid van 56 kilometer per uur tegen een vast voorwerp is gebotst, te weten dat het hoofd van een dummy gezeten op de bijrijdersstoel met gebruikmaking van een gordel, contact maakt met de ovaal vormige strook in het midden van de zak van de geactiveerde bijrijdersairbag, kan het niet anders zijn dan dat het hoofd van de bijrijder dusdanig tegen de airbag is gekomen dat dit niet strookt met de bevindingen van een relatief geringe hoeveelheid DNA.
Dat de airbag zou zijn opgefrommeld is een loutere stelling, hiervoor is geen enkele ondersteuning te vinden in het dossier.
Het hof acht aanvullend onderzoek zoals bepleit in de drie voorwaardelijke verzoeken in geen van de drie gevallen noodzakelijk, gezien de bovenstaande. Het hof is voldoende geïnformeerd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf en maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen voor het tenlastegelegde feit tot een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een maand voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar en ontzetting van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van voor 1 jaar onvoorwaardelijk.
De raadsman heeft geen straftoemetingsverweer gevoerd.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor de heer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, welke gedragingen zeer onvoorzichtig en onoplettend waren, terwijl zij wist dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard.
Uit het dossier blijkt dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was verklaard omdat zij door haar medische problemen een geschiedenis had van wegrakingen. De verdachte heeft bij de politie ook verklaard dat zij wist dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard.
Dat de verdachte, ondanks deze wetenschap en haar medisch situatie, toch achter het stuur heeft plaatsgenomen en de dag van het ongeval is gaan rijden, neemt het hof haar zeer kwalijk.
Het hof heeft ten nadele van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat zij eerder onherroepelijk voor een wegenverkeerswet feit is veroordeeld in Duitsland. Deze veroordeling heeft de verdachte er klaarblijkelijk niet van weerhouden om wederom een soortgelijk feit te plegen.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft verklaard aan epilepsie te lijden en om deze reden een WIA-uitkering te ontvangen.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf tevens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud (LOVS) in aanmerking genomen. Volgens de LOVS oriëntatiepunten bestaan er bij de toepassing van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 vier categorieën van schuld: aanmerkelijke schuld, ernstige schuld, zeer hoge mate van schuld en roekeloosheid. Daarbij wordt tevens onderscheid gemaakt al naar gelang de gevolgen voor het slachtoffer. In dat opzicht sluit het hof aan bij zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Na het ongeval had het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , zeven gebroken ribben, was zijn linker heup gekneusd, zijn bekken gebroken, had hij een scheur in het middenrif, een scheur in het hartzakje en waren zijn organen gekneusd en verschoven. Hij heeft vervolgens drie operaties moeten ondergaan om hier aan geholpen te worden.
Volgens de toelichting kan in de gevallen waarin zeer onvoorzichtig/onoplettend/ onachtzaam gedrag bewezen is verklaard, aansluiting worden gezocht bij de categorieën ernstige schuld en zeer hoge mate van schuld. Bij de categorie ernstige schuld, met zwaar lichamelijk letsel, wordt als oriëntatiepunt een straf van 160 uur taakstraf en een jaar onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid gegeven. Bij de categorie zeer hoge mate van schuld, met zwaar lichamelijk letsel, wordt een straf van vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en 2 jaar onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid genoemd. Het hof zal in deze zaak bij de strafoplegging in beginsel aansluiting zoeken bij een straf gelegen tussen die laatste categorieën. Echter, gelet op onderstaande overwegingen zal het hof de straf matigen zoals hieronder omschreven.
Redelijke termijn
Voorop wordt gesteld dat ingevolge artikel 6 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak dan ook naar het oordeel van het hof te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak het volgende.
In het onderhavige geval is de redelijke termijn naar het oordeel van het hof aangevangen op 7 maart 2016, de dag waarop de verdachte voor het eerst door de politie is verhoord. De verdachte is niet in verzekering gesteld. Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 14 mei 2019. Aldus is er sprake van een tijdsverloop in eerste aanleg van 3 jaren en circa 2 maanden, zodat de eerste rechter niet binnen de hiervoor genoemde termijn tot een einduitspraak is gekomen.
In hoger beroep is tevens sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 22 mei 2019. Het vonnis in hoger beroep wordt op 2 juni 2026 gewezen. Aldus is er sprake van een tijdsverloop in hoger beroep van ongeveer zeven jaar. Het hof weegt daarbij mee dat er, mede op verzoek van de verdediging, veel onderzoek is gedaan in hoger beroep. Dit betrof zowel de zaak van de verdachte als die van [medeverdachte] . Dit, alsmede het onderzoek naar de eventueel meinedige verklaring van [medeverdachte] over het feit dat hij zou hebben gereden, welke procedure in eerste aanleg eerst is afgewacht, kunnen de vertraging deels verklaren.
Het hof is van oordeel, gelet op genoemd procesverloop, dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, dat dit matiging van de op te leggen straffen tot gevolg moet hebben.
Het hof acht, alles afwegende, en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar, passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 160 uur subsidiair 80 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof terzake van het bewezenverklaarde feit voor een duur van twee jaren aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.
De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
bevestigthet vonnis waarvan beroep, met vervanging van de bewijsmiddelen en met aanvulling van de overwegingen met betrekking tot het bewijs en met uitzondering van de straf, in zoverre wordt het vonnis vernietigt en doet het hof opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 1 (één) maand;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van 2 (twee) jaren.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. S. Riemens en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. Vogelvang, griffier,
en op 2 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Voetnoten
1.Proces-verbaal (aanvullend) d.d. 15 juni 2018 (los gevoegd, p. 3), voor zover, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] .