ECLI:NL:GHSHE:2026:1426

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
20-000727-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en schadevergoeding

In hoger beroep is de verdachte vrijgesproken van de primair tenlastegelegde zware mishandeling, maar veroordeeld voor subsidiaire mishandeling met zwaar lichamelijk letsel. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door haar vast te pakken, te duwen en aan de haren te trekken, waardoor het slachtoffer viel en een gebroken enkel opliep.

De verdachte voerde verminderd toerekeningsvatbaarheid aan wegens psychische problematiek, maar het hof verwierp dit verweer op basis van een onvoldoende onderbouwde gedragsdeskundige brief. De strafbaarheid van de verdachte werd bevestigd.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van het letsel, het blijvende leed van het slachtoffer, het justitiële verleden van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden, waaronder haar fulltime baan. De taakstraf werd gematigd tot 40 uur.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van ruim 18.000 euro, bestaande uit materiële en immateriële schade. Het hof kende de volledige vordering toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het bewezenverklaarde feit. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot de taakstraf en schadevergoeding zoals hierboven vermeld.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 40 uur taakstraf en volledige schadevergoeding van €18.038,62 met wettelijke rente aan slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000727-25
Uitspraak : 29 mei 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-272484-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van de primair tenlastegelegde zware mishandeling. Ter zake van de subsidiair tenlastegelegde ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’ heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en deze gedeeltelijk toegewezen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een gedeelte van € 7.897,03 toegewezen. De voeging duurt in hoger beroep van rechtswege voort voor zover de vordering is toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van € 18.038,62, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de benadeelde partij gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot betaling van de gemaakte kosten ten bedrage van € 250,00.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte van het primair tenlastegelegde zal vrijspreken, het subsidiair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot integrale toewijzing, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is verzocht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Meer subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
primair
zij op of omstreeks 26 augustus 2024, te Oosterhout (gemeente Oosterhout), aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en/of een gebroken voet, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met kracht vast te pakken en/of (vervolgens) te duwen, (mede) tengevolge waarvan, althans waarna, die [slachtoffer] met kracht op/tegen de grond en/of in de bosjes is gevallen en/of terechtgekomen;
subsidiair
zij op of omstreeks 26 augustus 2024, te Oosterhout (gemeente Oosterhout), [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht vast te pakken en/of (vervolgens) te duwen en/of aan de haren te trekken, (mede) tengevolge waarvan, althans waarna, die [slachtoffer] in onbalans is geraakt en/of met kracht op/tegen de grond en/of in de bosjes is gevallen en/of terechtgekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en/of een gebroken voet, althans enig letsel, ten gevolge heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiair
zij op 26 augustus 2024, te Oosterhout, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] vast te pakken en te duwen en aan de haren te trekken, tengevolge waarvan die [slachtoffer] in onbalans is geraakt en in de bosjes is gevallen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel, ten gevolge heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024217829, gesloten d.d. 29 augustus 2024 (doorgenummerde dossierpagina’s 1-62). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2024 (pg. 6-7), inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :

Ik zie dat de vrouw naar mij toeloopt en mij vastpakt. Ik voel dat ik daarbij uit evenwicht word geduwd en kom ten val. Ik merkte direct dat ik hierbij mijn voet brak. Ik zag dat deze de verkeerde kant opstond. Ik had direct veel pijn in mijn voet en kon er niet meer op staan.

2. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangeefster d.d. 26 augustus 2024 (pg. 9-12), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van aangeefster [slachtoffer] :

V: Vraag verbalisant
A: Antwoord aangeefster
O: Opmerking verbalisant
V: Hoe gaat het nu met u?
A: Ik zit in het gips, mijn enkel is op twee plekken gebroken. Die bobbel op je enkel zeg maar, daar zit een breuk in. En er zit een breuk binnen in de enkel. Dit was op de foto's in het ziekenhuis vandaag te zien.
O: Ik lees dat u ten val kwam door de duw.
V: Kwam u op uw rug, of zij ten val?
A: Toen kwam zij naar mij toegelopen. Uit het niets pakte zij mij vast aan mijn haren. Ik ben hele plukken haren kwijt. Ik had mijn hond vast met mijn rechterhand. Waardoor wij samen de bosjes in vielen. Op dat moment ben ik waarschijnlijk hierdoor door mijn enkel gegaan.
O: Ik las dat u direct merkte dat u uw voet brak.
V: Hoe brak u uw voet, hoe ging dat?
A: Dit kwam door de verzwikking denk ik. Ik denk dat dit kwam doordat zij mij aan mijn haren meetrok de bosjes in. Ik zei ook nog, toen wij in de bosjes lagen, van: “Ik denk dat mijn voet is gebroken, stop ermee jo!”. Maar ze bleef gewoon doorgaan.
Toen lagen wij al in de bosjes toen dit gebeurde, ik kon namelijk niet meer staan van de pijn. En ook omdat mijn voet zeg maar los aan mijn onderbeen hing. Mijn voet stond scheef en ik kon hem zeg maar laten 'bengelen'.

4. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 26 augustus 2024 (pg. 26-27), voor zover inhoudende als verklaring verbalisant [verbalisant 1] :

De verdachte zei dat zij de vrouw in de bosjes had geduwd. Tijdens het progrissen in het cellencomplex zei de verdachte dat de vrouw echt geluk heeft gehad dat zij haar niet nog meer aan heeft gedaan. De verdachte begon opnieuw het verhaal en riep toen dat de vrouw ineens riep: “Pardon”, waarop de verdachte de vrouw een duw heeft gegeven en toen in de bosjes is gevallen.
5. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 26 augustus 2024 (pg. 28-29), voor zover inhoudende als verklaring verbalisant [verbalisant 2]:
Ik hoorde dat melder 2 zei dat de man –
[naar het hof begrijpt: de verdachte]– meteen, na een korte woordenwisseling, een vrouw bij haar arm vastpakte. Ik hoorde dat melder 2 zei dat hij zag dat de vrouw naar de grond gewerkt werd door de man. Ik hoorde dat melder 2 zei dat hij de vrouw op de grond zag liggen.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 augustus 2025, los opgenomen in het dossier (pg. 1-4), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [slachtoffer] (aangeefster):
V: Vraag raadsheer-commissaris
A: Antwoord getuige
O: Opmerking raadsheer-commissaris
V: Hoe belandde u nou samen in de bosjes?
A: Zij pakte mijn haar vast. Ik pakte haar ook vast en had haar bij haar oor vast. Toen gaf ik ook aan dat ik mijn voet had gebroken. Zij bleef mij maar vasthouden. Zo waren wij in de bosjes beland. Ik had mijn voet al gebroken voordat wij in de bosjes belandde.
V: Maar uw voet was al gebroken voordat u in de bosjes viel?
A: Ja.
V: Had zij u bij uw haren vast toen u samen met haar in de bosjes belandde?
A: Ja. Zij had mij bij mijn haren vast. Ik pakte haar bij haar oor en toen vielen we samen in de bosjes en toen beet zij mij in mijn vinger. Ik ging eigenlijk aan haar hangen. Ik had rechts mijn hond vast en mijn linkervoet was al gebroken. Ik kon alleen op mijn rechtervoet staan. Zo vielen we samen in de bosjes.
V: Verdachte zegt dat er niet geduwd is en dat zij in ieder geval niks gedaan heeft. Wat vindt u daarvan?
A: Leugens. Ik had aangegeven dat mijn voet was gebroken, zij zei: ‘Het maakt me niet uit.’

7. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten de brief [arts], arts-assistent chirurgie, d.d. 7 oktober 2024, bijlage bij de vordering van de benadeelde partij zoals ingediend in hoger beroep (pg. 22), voor zover inhoudende als mededeling van [arts]:

Patiënt: [slachtoffer]
Bovengenoemde patiënte was opgenomen op de dagbehandeling chirurgie op 6-9-2024.
Reden van opname: bimalleolaire fractuur links. Operatie: se type 4 fractuur wv trekschroef en drittelrohr lateraal en 2x gecannuleerde schroeven mediaal links.

8. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten de e-mail van [fysiotherapeut], fysiotherapeut, d.d. 11 november 2024, bijlage bij de vordering van de benadeelde partij zoals ingediend in hoger beroep (pg. 35), voor zover inhoudende als verklaring van [fysiotherapeut]:

De enkel van mevrouw is geopereerd en daarbij is de enkel vastgezet met plaat en schroeven, hierdoor kan mevrouw niet meer op schoenen lopen met een hak. De beweeglijkheid van de enkel is net wat minder wanneer er schroeven en plaat in zitten, dit zorgt er dus voor dat de enkel toch minder mobiel is dan voorheen. Voor mevrouw is het dan nu nog de vraag of zij uiteindelijk veilig in het verkeer kan deelnemen met haar auto.

9. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten de e-mail van [fysiotherapeut], fysiotherapeut, d.d. 12 februari 2025, bijlage bij de vordering van de benadeelde partij zoals ingediend in hoger beroep (pg. 51), voor zover inhoudende als verklaring van [fysiotherapeut]:

Mevrouw heeft een tijd fysiotherapie gehad, maar op een gegeven moment kreeg mevrouw veel pijn. Mevrouw heeft pijn op de plek waar de operatie heeft plaatsgevonden en waar het schroef en plaatwerk zit. De kans is groot dat mevrouw opnieuw moet worden geopereerd om het materiaal weer uit de enkel te halen, omdat dit waarschijnlijk de pijn geeft. Mevrouw moet eerst herstellen van de eerste operatie en wanneer dit voldoende hersteld is dan gaat de specialist beoordelen of dat mevrouw nog een keer onder het mes moet. Mevrouw heeft daarbij ook veel last tijdens het autorijden, omdat er dan ook meer wordt gevraagd van de enkel. Dit belemmert mevrouw enorm in haar dagelijks leven. Wanneer mevrouw wordt geopereerd zal ze hierna alsnog een revalidatietraject in moeten gaan om haar enkel goed te kunnen gebruiken en sterk te maken.

10. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, bestaande uit een uitdraai van MijnAmphia, geraadpleegd d.d. 7 april 2026, inhoudende een verslag opgemaakt d.d. 28 februari 2025 door [radioloog], radioloog, bijlage bij de vordering van de benadeelde partij zoals ingediend in hoger beroep (pg. 68), voor zover inhoudende als onderzoeksresultaten CT Enkel Links:

Klinische gegevens: stand en vorderende consolidatie na enkelfractuur?
CT Enkel Li:
Status na enkelfractuur gefixeerd met tweetal schroeven mediale malleolus en een schroef in plaat laterale malleolus. Er is enige gewrichtsspleetversmalling mediaal aan het bovenste spronggewricht met geringe subchondrale sclerosis. Het osteosynthesemateriaal is intact. De fractuur van de mediale laterale malleolus zijn volledig geconsolideerd. Nog klein fragment ter hoogte van de malleolus tertius deze toont nog geen volledige botdoorbouw. Verder GA.

11. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, bestaande uit een uitdraai van MijnAmphia, geraadpleegd d.d. 7 april 2026, inhoudende een verslag opgemaakt d.d. 24 september 2025 door [radioloog 2], radioloog, bijlage bij de vordering van de benadeelde partij zoals ingediend in hoger beroep (pg. 69), voor zover inhoudende als onderzoeksresultaten MRI Enkel Links:

Klinische gegevens:
Kraakbeenletsel enkel? Bandletsel?
09-05-2025: VOSM enkel links 06-09-2024: bimalleolaire enkel wv ORIF lateraal en mediaal bij se type 4 fractuur linker enkel
MRI enkel Li:
Stigmata van verwijderde osteosynthese materiaal in de distale fibula en mediale malleolus bij een status na oud trimalleolaire enkelfractuur. Hydrops in het bovenste spronggewricht.
Conclusie. Restafwijkingen bij status na trimalleolaire enkelfractuur en verwijdering van osteosynthesemateriaal. Hydrops in het bovenste spronggewricht.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
Ten aanzien van het tenlastegelegde is primair namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is verwezen naar het pleidooi in eerste aanleg, waarin is aangevoerd dat het opzet op het toebrengen van letsel ontbreekt. Subsidiair refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vraag of er een causaal verband bestaat tussen de tenlastegelegde geweldshandelingen en het letsel.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op 26 augustus 2024 heeft de aangeefster aangifte gedaan van mishandeling, waarbij haar enkel op twee plaatsen is gebroken. Daartoe heeft de aangeefster verklaard dat zij een woordenwisseling had met de verdachte, dat zij door de verdachte aan haar haren is getrokken en is geduwd waardoor zij in de bosjes ten val is gekomen en dat zij voelde hoe haar enkel brak. Dit heeft zij naderhand ook in het getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris verklaard. Tevens blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] dat een getuige heeft gezien hoe een man – naar het hof begrijpt: de verdachte – de aangeefster naar de grond heeft gewerkt. De verdachte is kort na de mishandeling aangehouden en heeft tweemaal tegenover de verbalisanten verklaard dat zij aangeefster heeft geduwd. Uit de medische verslagen van de radiologen van het [ziekenhuis] en de e-mailberichten van de fysiotherapeut van de aangeefster blijkt dat de enkel van de aangeefster op twee plaatsen is gebroken, dat zij hieraan is geopereerd en dat zij blijvend letsel aan de mishandeling heeft opgelopen.
Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af – in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen – dat de verdachte op de tenlastegelegde datum de aangeefster heeft mishandeld, wat zwaar lichamelijk letsel teweeg heeft gebracht.
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Indien het hof tot een bewezenverklaring komt, is namens de verdachte aangevoerd dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard. Daartoe is namens de verdachte verwezen naar de ter terechtzitting overlegde brief van [GGZ] . Hierin is onder meer beschreven dat ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde sprake was van een psychotisch toestandsbeeld bij de verdachte en dat een lopende zorgmachtiging met een jaar werd verlengd tot 25 juni 2025. De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat verdachte zwaar depressief was en een bipolaire stoornis heeft. De verdachte gebruikt hiervoor medicatie, bestaande uit een stemmingsstabilisator.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voor de vraag of het ten laste gelegde aan verdachte kan worden toegerekend is ten eerste van belang of bij de verdachte sprake is van psychische problematiek en zo ja, hoe deze binnen het gedragsdeskundig domein te omschrijven is. Bij de vraag naar toerekening moet het hof inzicht hebben in de mogelijke doorwerking van de aard en oorzaken van de stoornis en de veranderingen die daarvan het gevolg zijn in het ten laste gelegde gedrag. Het hof acht de ter terechtzitting overlegde brief van [GGZ] als nadere onderbouwing van het verweer onvoldoende om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Het feit is toerekenbaar en het verweer wordt dan ook verworpen.
Er zijn tevens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is bepleit dat als het hof tot een bewezenverklaring komt, het hof bij de straftoemeting rekening houdt met de – naar het standpunt van de verdediging – verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Daarnaast is namens de verdachte aangevoerd dat de verdachte fulltime werkt. Indien aan de verdachte een hoge taakstraf wordt opgelegd kan dit in combinatie met een fulltimebaan en haar psychische kwetsbaarheid tot overvraging leiden.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolg. Door te handelen zoals bewezenverklaard heeft de verdachte letsel bij het slachtoffer veroorzaakt waar het slachtoffer tot op heden iedere dag continu pijn en hinder aan ondervindt. Het slachtoffer is geopereerd, is een aantal maanden rolstoelafhankelijk geweest en heeft blijvende pijnklachten aan haar enkel. De verdachte heeft met haar handelen het gevoel van veiligheid en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. Bovendien heeft de verdachte door te handelen zoals bewezenverklaard veel leed en verdriet bij het slachtoffer en haar gezin veroorzaakt, hetgeen onder meer blijkt uit de verklaring die het slachtoffer in de uitoefening van het spreekrecht ter terechtzitting heeft voorgedragen. Het hof neemt het de verdachte dan ook kwalijk dat zij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 mei 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eenmaal eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Het hof is van oordeel dat de ernst van het feit zonder meer een taakstraf voor de duur van 60 uren rechtvaardigt, maar het hof houdt tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden en de psychische gesteldheid van de verdachte. Nu op het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte fulltime werkt, vreest het hof – met de raadsvrouw – dat deze baan naast een hoge taakstraf een te grote belasting voor de verdachte zal zijn. Derhalve matigt het hof de taakstraf naar 40 uren.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 40 uren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 16.787,58. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.897,03.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven, bestaande uit een bedrag van € 18.288,62.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering integraal toe te wijzen.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist. Namens de verdachte is primair aangevoerd dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Subsidiair is namens de verdachte aangevoerd dat bij een eventuele toewijzing van de vordering het bedrag dient te worden gematigd.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 8.038,62, bestaande uit een kapotte broek, daggeldvergoeding verblijf ziekenhuis, vervoerskosten van- en naar de behandelende sector, medische kosten, huishoudelijke hulp, verlies van zelfwerkzaamheid, begeleidingskosten, economische kwetsbaarheid en het overnemen van de zorgtaken over de dochter van het slachtoffer door de partner van het slachtoffer. De gevorderde schade houdt rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat – hierna ook te noemen: immateriële schade – recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien, zoals hier aan de orde, de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de (schriftelijke en mondelinge) toelichting op de vordering van de benadeelde partij, is het hof eveneens genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Op grond van de stukken in het dossier staat vast dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte blijvend enkelletsel heeft opgelopen. Het hof stelt de schadevergoeding voor deze schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 10.000,00. Daarbij heeft het hof gelet op de bandbreedte die in de zogenoemde Rotterdamse Schaal – het resultaat van onderzoek verricht door onderzoekers van Erasmus Universiteit Rotterdam in opdracht van de Raad voor de rechtspraak – voor middelzwaar enkelletsel wordt gehanteerd, namelijk € 9.500,00 tot € 18.000,00. Het hof zal de gevorderde immateriële schadevergoeding toewijzen.
Het toe te wijzen totaalbedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op 26 augustus 2024, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit.
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van €18.038,62. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 18.038,62 (achttienduizend achtendertig euro en tweeënzestig cent)bestaande uit
€ 8.038,62 (achtduizend achtendertig euro en tweeënzestig cent)als vergoeding van materiële schade en
€ 10.000,00 (tienduizend euro)als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op €
250,00 (tweehonderdvijftig euro);
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 18.038,62 (achttienduizend achtendertig euro en tweeënzestig cent) bestaande uit € 8.038,62 (achtduizend achtendertig euro en tweeënzestig cent) aan materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 115 (honderdvijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 26 augustus 2024.
Aldus gewezen door:
mr. C.C.H.T. Coert, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. E.E.J. Boesten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.A.C.G. Heijse en mr. E. Vogelvang, griffiers,
en op 29 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. E. Vogelvang is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.