In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van ongeveer 10 kilogram hasjiesj. De politierechter had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, maar het hof vernietigt dit vonnis.
Het hof overwoog dat de algemene ervaringsregel dat de bestuurder van een auto waarin drugs worden aangetroffen wetenschap heeft van die drugs niet zonder meer opgaat. In deze zaak was de auto niet op naam van verdachte, was hij niet de exclusieve gebruiker, en was de hasjiesj in een verborgen ruimte aangetroffen met DNA van zijn broer op een bandage. Verdachte verklaarde de auto zonder toestemming te hebben geleend en ontkende kennis van de drugs.
De advocaat-generaal stelde dat verdachte zich bewust moest zijn geweest van de drugs, mede gelet op de hoeveelheid en de omstandigheden, maar het hof vond dat de contra-indicaties zwaarder wogen. Er was onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte willens en wetens de drugs aanwezig had. Daarom sprak het hof verdachte vrij.