Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1388

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
20-000924-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 300 SrArt. 311 lid 4 SvArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding en gevangenisstraf

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling en kreeg een taakstraf opgelegd, met gedeeltelijke toewijzing van een schadevergoeding aan het slachtoffer. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd vanwege een procedureel verzuim: de verdachte kreeg niet het recht het laatst te spreken, wat leidt tot nietigheid van het vonnis.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer op 1 januari 2025 te Goes tweemaal hard in het gezicht had gestompt, wat pijn en letsel veroorzaakte. De herkenning van de verdachte door twee verbalisanten werd als betrouwbaar beoordeeld, ondanks het verweer van de verdediging dat dit onvoldoende was.

Gezien het justitiële verleden van de verdachte en de ernst van het feit, legde het hof een gevangenisstraf van 1 maand op. De schadevergoeding aan het slachtoffer werd gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van €1.008,00, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden gelast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding van €1.008,00 met wettelijke rente.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000924-25
Uitspraak : 21 april 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 april 2025, parketnummer 02-014098-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 20-002418-22, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Middelburg te Middelburg.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 1.008,00 euro, bestaande uit € 8,00 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag. Tevens is de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. Tot slot heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf inzake parketnummer 20-002418-22 toegewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze geheel zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit, omdat de herkenning van de verdachte door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onvoldoende betrouwbaar zou zijn, hetgeen tot de conclusie moet leiden dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Tevens is verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging inzake parketnummer 20-002418-22 af te wijzen. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] is primair verzocht om deze af te wijzen. Subsidiair is verzocht om de vordering conform het vonnis waarvan beroep toe te wijzen tot een totaalbedrag van € 1.008,00.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof heeft geconstateerd dat tijdens de behandeling in eerste aanleg – in strijd met het bepaalde in artikel 311, vierde lid, Sv en op straffe van nietigheid – aan de verdachte niet het recht is gelaten om het laatst te spreken. Het hof is van oordeel dat dit gebrek leidt tot nietigheid van het vonnis.
Nu aldus op de hoofdzaak door de rechtbank is beslist terwijl sprake is van een ter gelegenheid van de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg tot nietigheid leidend verzuim en de zaak opnieuw inhoudelijk in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte is behandeld in hoger beroep, behoort het vonnis te worden vernietigd, maar acht het hof geen termen aanwezig de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Goes [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te stompen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
hij op 1 januari 2025 te Goes [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen tegen het gezicht te stompen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2025000337, gesloten d.d. 24 januari 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 63). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 4 januari 2025 (p. 6-9), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :
Op 1 januari 2025 was ik in [locatie 1] op [adres] . Ik sprak met een man daar. Omstreeks 03.45 uur was ik met de man in gesprek. Er kwam een andere man naar me toe lopen om me gelukkig nieuwjaar te wensen, ik kende deze man verder niet. Deze man had een geel werkhesje aan (...) Toen ik de omhelzing losliet voelde ik dat er tweemaal snel achter elkaar een vuist tegen en onder mijn rechteroog neerkwam. Ik voelde direct pijn.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2025 (p. 22-24), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 4 januari 2024 keek ik, naar aanleiding van een gepleegde mishandeling in
[locatie 1] gelegen aan [adres] , ter beschikking gestelde camerabeelden uit. Ik zag dat er rechtsboven in het scherm de datum: 01-01-2025 stond.
Ik zag dat in het midden van het beeldscherm een man stond. Ik zag dat voor de man een vrouw stond. Ik zag dat dat de man en de vrouw met elkaar in gesprek waren. Ik zag dat de man gemillimeterd haar had en was voorzien van een baard. Ik zag dat de man een licht getinte huidskleur had. Op de eerdergenoemde dag en datum, om 05:39:38 uur zag ik dat er aan de linkerkant van het beeld een man verscheen. Ik zag dat de man een hesje droeg. Ik zag dat (…) contact was tussen de man met het gele hesje en de vrouw. Ik zag vervolgens dat de vrouw haar armen spreidde en de man met het gele hesje omhelsde. Ik zag dat de vrouw de man met het gele hesje om 05:40:11 uur losliet uit de omhelsing. Ik zag dat de licht getinte man hierbij kort op de vrouw kwam staan door een stap opzij te zetten. Ik zag dat de licht getinte man om 05:40:12 uur met zijn rechtervuist uithaalde in de richting van het hoofd van de vrouw. Ik zag dat de licht getinte man de vrouw raakte op haar gezicht. Ik zag dat het hoofd van de vrouw door de impact van de klap achteroversloeg. (...) Ik zag dat de licht getinte man om 05:40:14 uur voor de tweede keer, met zijn rechtervuist uithaalde in richting van het hoofd van de vrouw. Ik zag dat de man de vrouw vervolgens voor de tweede keer op haar hoofd raakte. Ik zag dat het hoofd van de vrouw door de impact van de klap naar links sloeg.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2025 (p. 29-30), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 4 januari 2025 bezocht ik Horeca [locatie 1] aan [adres] . Aldaar sprak ik de beveiliger [getuige 1] . Ik zag dat [getuige 1] mij een filmpje toonde van een mishandeling die plaats had gevonden op 1 januari 2025 (oud-/nieuwjaarsnacht). Ik zag, op het filmpje, dat een manspersoon stond te praten met een vrouw. Ik herkende de man direct en voor de volle 100 procent als [verdachte] . Nader te noemen: [verdachte] . Ik herkende [verdachte] aan zijn gemillimeterde haar en zijn opvallende baard. Ik herkende [verdachte] aan de kleding die hij droeg. Ik zag dat [verdachte] een gewatteerde jas droeg, spijkerbroek en witkleurige schoenen. Ik herkende [verdachte] omdat ik hem eerder die nacht had gezien bij nachtclub [locatie 2] waar hij ruzie had gehad met onbekende personen. Ik zag dat hij dezelfde kleding droeg als op het moment dat ik hem toen zag. (...) Ik zag dat [verdachte] de vrouw, nadat zij de onbekende man losliet, direct met zijn rechter hand/vuist op haar gezicht sloeg.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 januari 2025 (p. 31-32), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 5 januari 2025 kreeg ik het verzoek om naar beelden te kijken van een mishandeling gepleegd in [locatie 1] . Ik zag dat het om beelden gaat van binnen in het café. Ik zag op de beelden 2025-01-01 05:39:18, de mij ambtshalve bekende [verdachte] praten met een meisje. Ik ken [verdachte] al jaren en heb ook meerdere malen persoonlijk contact gehad met hem. (...) Ik heb ook naar de beelden van [locatie 1] zitten kijken en daar zag ik ook [verdachte] staan. Ik zag dat [verdachte] daar dezelfde jas aan had die hij ook op de beelden van in het café aan heeft. Ik zag dat [verdachte] ook dezelfde haardracht en baardgroei heeft. Nadat hij het slachtoffer twee klappen heeft gegeven zie ik dat [verdachte] door de mij ambtshalve bekende [getuige 2] wordt weggetrokken.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 januari 2025 (p. 33-34), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Ik deelde [getuige 2] mede dat hij getuige was geweest van een mishandeling in [locatie 1]
in de nieuwjaarsnacht. Ik hoorde dat [getuige 2] direct reageerde en ik hoorde hem zeggen dat hij daarbij was geweest en dat hij de persoon die de klap had gegeven kende. Ik vroeg [getuige 2] of hij medewerking wilde verlenen aan het opnemen van een getuigenverklaring waarin hij verklaarde wat hij gezien en gehoord had. Ik hoorde [getuige 2] zeggen dat hij er absoluut niet achterstond wat er gebeurd was en dat hij de persoon die geslagen had goed kende. Ik hoorde [getuige 2] vervolgens zeggen dat hij niet tegen hem wilde verklaren omdat het een vriend van hem was. Ik hoorde [getuige 2] nogmaals zeggen dat hij het fout vindt dat zijn vriend geslagen heeft en dat hij hem zelf naar buiten had geduwd.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit, omdat de herkenning van de verdachte door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onvoldoende betrouwbaar zou zijn, hetgeen tot de conclusie moet leiden dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan de herkenning door de verbalisanten. Verbalisant [verbalisant 1] relateert dat hij de man, die met het slachtoffer stond te praten en haar vervolgens in het gezicht stompt, direct en voor de volle 100 procent herkent als de verdachte aan de hand van zijn uiterlijke kenmerken. Bovendien heeft hij hem eerder die avond nog gezien bij een nachtclub, waarbij de verdachte dezelfde kleding droeg. Ook verbalisant [verbalisant 2] relateert dat hij de hem ambtshalve bekende verdachte, die hij onder meer herkent aan zijn haardracht en baardgroei, op de beelden ziet praten met het slachtoffer. Na het incident wordt de verdachte door de aan verbalisant [verbalisant 2] eveneens ambtshalve bekende [getuige 2] weggetrokken. Dit wordt verder bevestigd door [getuige 2] ’ opmerkingen dat hij zijn vriend, tegen wie hij niet wil verklaren, zelf naar buiten heeft geduwd. Het hof heeft geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de herkenning van de beide verbalisanten en aan het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] . Dat het slachtoffer uiterlijke kenmerken heeft opgegeven die deels niet overeenkomen met de verdachte, maakt dit niet anders. Het hof heeft hierbij acht geslagen op het tijdstip waarop een en ander plaatsvond en het feit dat het slachtoffer naar eigen zeggen dronken was.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden wordt het vrijspraakverweer van de verdediging in al zijn onderdelen verworpen en acht het hof – evenals de politierechter en met de advocaat-generaal – de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Mitsdien verwerpt het hof het verweer van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, door het slachtoffer - uit het niets - tweemaal hard in het gezicht te stompen. Dit heeft pijn en letsel bij haar veroorzaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 oktober 2025, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden meermaals (onherroepelijk) is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te begaan.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof onder andere acht geslagen op de brief aangaande de retourzending van de opdracht tot reclasseringsadvies d.d. 20 maart 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet reageerde op contactpogingen van de reclassering, waardoor geen rapport kon worden opgesteld.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd zit en dat de rechter-commissaris in die zaak een bevel tot observatie in het [psychiatrische kliniek] heeft gegeven voor verder onderzoek aangaande zijn persoon. Ook is op 25 februari 2026 een zorgmachtiging opgelegd. Door de raadsvrouw is verzocht hier bij de straftoemeting rekening mee te houden.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend en geboden is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.508,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit € 8,00 aan materiële schade (reiskosten) en € 1.500,00 aan immateriële schade.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 1.008,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en is de vordering voor het overige afgewezen.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet inhoudelijk betwist, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag ten aanzien van de immateriële schade, conform het vonnis van de politierechter, dient te worden gematigd tot € 1.000,00.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Materiële schade
Met betrekking tot de materiële schade overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting het hof is gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 8,00.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof voorts komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft, zo volgt uit het strafdossier, als gevolg van de bewezenverklaarde mishandeling lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Gelet op de aard en de omvang van het letsel, begroot het hof de schade naar billijkheid op een bedrag ter hoogte van € 1.000,00.
De verdachte is tot vergoeding van bovengenoemde schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag ter hoogte van € 1.008,00 bedrag toewijsbaar is.
Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade te worden afgewezen.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 1.008,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 1.008,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie te arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 februari 2024 onder parketnummer 20-002418-22. Deze vordering is in onderhavig hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.008,00, bestaande uit € 8,00 als vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.008,00, bestaande uit € 8,00 materiële schadevergoeding en € 1.000,00 immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 februari 2024, gewezen onder parketnummer 20-002418-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. C.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zaalen, griffier,
en op 21 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. S.V. Pelsser en mr. C.N.G.M. Starmans zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.