Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1247

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
20-002491-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het vervoeren van hennep en cocaïne in Roosendaal

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, maar veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde, namelijk het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen. In hoger beroep bevestigde het hof deze straf.

Op 26 juni 2025 werd de verdachte staande gehouden in Roosendaal. In zijn huurauto werden 19 zakjes met in totaal 40 gram hennep en 23 ponypacks met 8,15 gram cocaïne aangetroffen. De verdachte was bestuurder en had beschikkingsmacht over de verdovende middelen. Hij verklaarde dat hij de middelen had opgehaald om deze later op een feestje met vrienden te gebruiken.

Het hof achtte het bewezen dat de verdachte de verdovende middelen vervoerde en strafbaar handelde volgens de Opiumwet. Gelet op de aard van de feiten, de hoeveelheid drugs, de manier van verpakken, het justitiële verleden van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, legde het hof een gevangenisstraf van zes weken op, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De teruggave van enkele inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder twee mobiele telefoons en geldbedragen, werd gelast. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht conform deze overwegingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf, waarvan drie weken voorwaardelijk, voor het vervoeren van hennep en cocaïne.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002491-25
Uitspraak : 7 mei 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-194384-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De politierechter heeft het subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Voorts heeft de politierechter de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen gelast.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van de verdovende middelen. Voor het overige van het subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof. Tot slot heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof is gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Roosendaal om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet en/of bedoeld in het derde en/of vijfde lid van artikel 11 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:
  • het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
  • het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
  • het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of hennep, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:
  • 8,15 gram cocaïne en/of
  • 40 gram hennep en/of
  • een of meer telefoons en/of
  • een huurauto en/of
  • een geldbedrag van 290 euro,
voorhanden te hebben waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden, dat dat/die goed(eren) bestemd was/waren tot het plegen (artikel 10a Opiumwet en/of artikel 11a Opiumwet jo. artikel 47 Wetboek Pro van Strafrecht) van dat/die feit(en),
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Roosendaal opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 8,15 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of ongeveer 40 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak primair tenlastegelegde
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt. Het hof is, met de politierechter, de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte, van oordeel dat op basis van onderliggend dossier geen bewijs voorhanden is voor het primair tenlastegelegde. Het hof ziet met name geen aanwijzingen in het dossier voor de voorbereidingshandelingen. Derhalve zal de verdachte worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 juni 2025 te Roosendaal opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 8,15 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en ongeveer 40 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het procesdossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtsbelofte opgemaakt onder registratienummer PL2000-2025165883 door [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie, en gesloten d.d. 23 juli 2025, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen, bestaande uit doorgenummerde dossierpagina’s 1-46.

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2025, dossierpagina’s 32-34, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 26 juni 2025 stond ik op de Dunantstraat in Roosendaal. Ik zag dat er een Peugeot 408 langs reed. Collega [verbalisant 3] vertelde dat het een huurvoertuig betrof. Ik volgde het voertuig om hem op een geschikte locatie een stopteken te geven. Ik zag dat het voertuig parkeerde. Ik zag dat de bestuurder het raam naar beneden deed. Ik rook direct een sterke hennepgeur uit de auto komen. De bestuurder bleek te zijn:
BRP: [verdachte] , [geboortedag] 1992.
Ik hoorde dat collega [verbalisant 3] vertelde dat hij hennep rook vanuit de auto. Achter in de stoel van de bijrijder trof ik twee sokken aan. Beide waren gevuld met hennep en cocaïne. Later bleek dat dit ging om 40 gram hennep verpakt in 19 zakjes en 23 ponypacks met totaal 8,15 gram cocaïne.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2025, dossierpagina’s 35-36, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

INDICATIEF ONDERZOEK MONSTER
Aan mij werd op 26-06-2025 een stof getoond, voorzien van het goednummer PL2000-2025165883-2876408, later verpakt in sealbag 72462469. Na een indicatieve scan met voornoemde TruNarc zag ik dat de uitslag van deze scan cocaïne HCI betrof. Ik woog de cocaïne HCI op een niet gekalibreerde weegschaal en zag dat het gewicht 8,15 gram netto was.
Aan mij werd op 26-06-2025 een stof getoond, voorzien van het goednummer PL2000-2025165883, later verpakt in sealbag 72462470. Ik herkende het middel aan de geur, kleur en samenstelling ambtshalve als hennep. Ik woog de hennep op een niet gekalibreerde weegschaal en zag dat het gewicht 40 gram netto was.

3. Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 11 juli 2025, dossierpagina’s 40-42, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

Onderzoek aan 'Gripzakje met ponypacks met wit poeder (monster gdnr. 2876406) afkomstig van 23 ponypacks met bronpartij 8.5 gram (
het hof begrijpt telkens, nu het goednummer gelijk is: 8,15 gram) (gdnr. 2876408) (AAOT2551NL).

Kenmerken goed

Uniek Voorwerp Nummer: AAOT2551NL
BVH Goednummer: 2876406
Object omschrijving: Gripzakje met ponypacks met wit poeder (Monster gdnr. 2876406) afkomstig van 23 ponypacks met bronpartij 8.5 gram (gdnr. 2876408)
Nettogewicht: 1,1 gram
Bijzonderheden: 1,10 GRAM VOOR FO (SIN AAOT2551NL). BRONPARTO 8,15 GRAM

4. Het rapport NFiDENT van het NFI Team Forensische Opsporing Zeeland-West-Brabant d.d. 9 juli 2025, dossierpagina 43, zaaknummer 2025.07.09.106 opgemaakt door ing. [medewerker] , voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en conclusie
Kenmerk
Omschrijving FO
Conclusie
AAOT2551NL
poeder, wit, uit 1,1 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: twee
bevat cocaïne

5. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 23 april 2026, voor zover inhoudende:

U, voorzitter, houdt mij voor dat ik onder andere word verdacht van het aanwezig hebben van verdovende middelen en vraagt mij of het daadwerkelijk verdovende middelen waren die zijn aangetroffen. Dat klopt, de aangetroffen middelen waren inderdaad verdovende middelen.
Ik heb de verdovende middelen opgehaald om ze te gaan gebruiken met vrienden. We zouden ze verdelen bij een feestje.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het vervoeren van verdovende middelen als bedoeld in artikel 2 en Pro 3 onder B van de Opiumwet is vereist dat moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en dat die verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden, in die zin dat hij de feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover beschikkingsmacht had.
Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 26 juni 2025 is staande gehouden door de politie. Verbalisant [verbalisant 2] relateert dat hij zag dat de bestuurder het raam naar beneden deed en dat er direct een sterke hennepgeur uit de
auto kwam. Hierop wordt de auto van de verdachte doorzocht en vinden de verbalisanten 19 zakjes met in totaal 40 gram hennep en 23 ponypacks met in totaal 8,15 gram vermoedelijk bevattende cocaïne. Na onderzoek van het NFI blijkt dat de ponypacks inderdaad cocaïne bevatten. De hennep werd door verbalisant [verbalisant 2] ambtshalve herkend, op basis van de geur, kleur en samenstelling.
De verdachte was de bestuurder van de auto waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen en had aldus de beschikkingsmacht over de verdovende middelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de aangetroffen middelen daadwerkelijk verdovende middelen waren en dat hij aan de beurt was om deze middelen op te halen, mede voor zijn vrienden met de bedoeling om deze later die avond op een feestje te gebruiken met deze vrienden. De verdachte had aldus wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de auto en heeft de verdovende middelen bovendien vervoerd.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod,

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een strafmaatverweer gevoerd en heeft het hof verzocht – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de geringe hoeveelheden aangetroffen verdovende middelen – een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, op te leggen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van ongeveer 40 gram van een materiaal bevattende hennep en ongeveer 8,15 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Het gebruik van harddrugs vormt een bedreiging voor de volksgezondheid en ook hennep kan gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Het gebruik van verdovende middelen werkt verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg. Daarbij komt dat de handel in dergelijke drugs leidt tot zeer ernstige vormen van criminaliteit. De verdachte heeft zich met zijn handelen niet bekommerd om de nadelige gevolgen hiervan. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
In het bijzonder heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de verdovende middelen zijn aangetroffen die duiden op een dealerindicatie, te weten de manier van verpakken (19 zakjes hennep en 23 ponypacks cocaïne), de aanwezigheid van twee telefoons bij de verdachte, de meerdere aangetroffen verschillende biljetten geld, het feit dat hij in een huurauto reed en zijn eigen verklaring afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep dat hij de verdovende middelen ging ophalen voor zijn vrienden en deze later onder hen zou verdelen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij een eigen bedrijf heeft en werkt als pakketbezorger, hij geen drugs meer gebruikt en dat hij de kostwinner is van zijn gezin en daarbij de zorg draagt voor zijn drie kinderen.
Al het vorenstaande afwegende ziet het hof geen reden om tot een andere strafoplegging te komen dan de politierechter en acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend bij de persoon van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. Met de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt het hof enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Beslag
Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, nu het hof met de advocaat-generaal en de verdediging geen aanleiding ziet om deze voorwerpen verbeurd te verklaren of te onttrekken aan het verkeer en deze onder de verdachte in beslag zijn genomen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) weken;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • € 295,00 (G2876769);
  • € 11,60 (G2876784);
  • 1 GSM (zwart, merk: Apple, G2876537);
  • 1 GSM (blauw, merk: Apple, G2876533).
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffier,
en op 7 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.